Procestaal: Frans.
HvJ EU, 25-10-2017, nr. C-645/16
ECLI:EU:C:2018:262
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
25-10-2017
- Magistraten
T. von Danwitz, C. Vajda, E. Juhász, K. Jürimäe, C. Lycourgos
- Zaaknummer
C-645/16
- Conclusie
M. Szpunar
- Roepnaam
Raden en mise en relations (CMR)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2018:262, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 19‑04‑2018
ECLI:EU:C:2017:806, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 25‑10‑2017
Uitspraak 19‑04‑2018
T. von Danwitz, C. Vajda, E. Juhász, K. Jürimäe, C. Lycourgos
Partij(en)
In zaak C-645/16,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie, Frankrijk) bij beslissing van 6 december 2016, ingekomen bij het Hof op 15 december 2016, in de procedure
Conseils et mise en relations (CMR) SARL
tegen
Demeures terre et tradition SARL,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, C. Vajda, E. Juhász, K. Jürimäe (rapporteur) en C. Lycourgos, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Demeures terre en tradition SARL, vertegenwoordigd door F. Molinié, avocat,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas en R. Coesme als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en M. Hellmann als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Hottiaux en H. Tserepa-Lacombe als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 oktober 2017,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 17 van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (PB 1986, L 382, blz. 17).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Conseils et mise en relations (CMR) SARL en Demeures terre et tradition SARL (hierna: ‘DTT’), betreffende de door CMR ingediende vordering tot betaling van een vergoeding tot herstel van het nadeel dat zij heeft ondervonden door de beëindiging van de agentuurovereenkomst die haar aan DTT bond, en tot schadevergoeding die haar wegens onrechtmatige opzegging van die overeenkomst verschuldigd zou zijn.
Toepasselijke bepalingen
Recht van de Unie
3
De tweede en de derde overweging van richtlijn 86/653 luiden als volgt:
‘Overwegende dat de verschillen tussen de nationale wetgevingen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging binnen de [Europese Unie] de concurrentieverhoudingen en de uitoefening van het beroep aanzienlijk beïnvloeden en de mate waarin de handelsagenten in hun betrekkingen met hun principalen worden beschermd, evenals de zekerheid in het handelsverkeer, aantasten; dat voorts deze verschillen de totstandkoming en de werking van handelsagentuurovereenkomsten tussen een principaal en een handelsagent die in verschillende lidstaten zijn gevestigd, ernstig kunnen belemmeren;
Overwegende dat het goederenverkeer tussen de lidstaten moet plaatsvinden onder soortgelijke omstandigheden als binnen een enkele markt, hetgeen de onderlinge aanpassing van de rechtsstelsels van de lidstaten vereist, voor zover zulks voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt noodzakelijk is; dat in dit verband de verwijzingsregels van het internationaal privaatrecht, zelfs indien zij zijn geünificeerd, de hierboven vermelde nadelen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging niet opheffen, en dat daarom niet kan worden afgezien van de voorgestelde harmonisatie’.
4
Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt:
- ‘1.
De in deze richtlijn voorgeschreven harmonisatiemaatregelen zijn van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de betrekkingen tussen handelsagenten en hun principalen.
- 2.
Handelsagent in de zin van deze richtlijn is hij die als zelfstandige tussenpersoon permanent is belast met het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen voor een ander, hierna te noemen ‘principaal’, of met het tot stand brengen en afsluiten van de verkoop of aankoop van goederen voor rekening en in naam van de principaal.
[…]’
5
Artikel 17, leden 1 tot en met 3, van deze richtlijn bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te bewerkstelligen dat de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, vergoeding volgens lid 2 [of] herstel van het nadeel volgens lid 3 krijgt.
- 2.
- a)
De handelsagent heeft recht op een vergoeding indien en voor zover:
- —
hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de transacties met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid en de transacties met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren,
en
- —
de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de uit de transacties met deze klanten voortvloeiende provisie, die voor de handelsagent verloren gaat.[…]
- b)
Het bedrag van de vergoeding mag niet meer bedragen dan een cijfer dat overeenkomt met een jaarlijkse vergoeding berekend op basis van het jaarlijkse gemiddelde van de beloning die de handelsagent de laatste vijf jaar heeft ontvangen of, indien de overeenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd, berekend over het gemiddelde van die periode.
- c)
De toekenning van deze vergoeding laat het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet.
- 3.
De handelsagent heeft recht op herstel van het nadeel dat hem als gevolg van de beëindiging van zijn betrekkingen met de principaal wordt berokkend.
Dit nadeel vloeit in het bijzonder voort uit de beëindiging van de overeenkomst onder omstandigheden waarbij:
- —
de handelsagent niet de provisies krijgt die hij bij normale uitvoering van de overeenkomst zou hebben ontvangen, waardoor de principaal een aanzienlijk voordeel geniet van de activiteiten van de handelsagent;
- —
en/of de handelsagent niet de kosten en uitgaven kan dekken die hij op advies van de principaal ten behoeve van de uitvoering van de overeenkomst op zich heeft genomen.’
6
Artikel 18 van diezelfde richtlijn luidt als volgt:
‘De vergoeding of het herstel op grond van artikel 17 is niet verschuldigd:
- a)
indien de principaal de overeenkomst heeft beëindigd vanwege een aan de handelsagent te wijten omstandigheid die krachtens het nationale recht aanleiding is tot beëindiging van de overeenkomst zonder opzeggingstermijn;
- b)
indien de handelsagent de overeenkomst beëindigd heeft, tenzij deze beëindiging wordt gerechtvaardigd door omstandigheden die de principaal kunnen worden toegerekend of wordt gerechtvaardigd door leeftijd, invaliditeit of ziekte van de handelsagent op grond waarvan redelijkerwijs niet meer van hem kan worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden voortzet;
- c)
indien de handelsagent, overeenkomstig een afspraak met de principaal, zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van de agentuurovereenkomst aan een derde overdraagt.’
7
Artikel 19 van richtlijn 86/653 luidt:
‘Voordat de overeenkomst is beëindigd, mogen de partijen niet ten nadele van de handelsagent van de bepalingen van de artikelen 17 en 18 afwijken.’
Frans recht
8
Artikel L. 134-12 van de code de commerce (wetboek van koophandel) bevat de volgende bepalingen:
‘De handelsagent heeft in geval van beëindiging van zijn betrekking met de principaal recht op een vergoeding tot herstel van het geleden nadeel.
De handelsagent verliest het recht op herstel indien hij de principaal niet binnen een jaar na de beëindiging van de overeenkomst in kennis heeft gesteld van zijn voornemen om zijn rechten te doen gelden.
De rechtverkrijgenden van de handelsagent hebben eveneens recht op herstel wanneer de beëindiging van de overeenkomst te wijten is aan het overlijden van de agent.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
9
Op 2 december 2011 heeft DTT met CMR een agentuurovereenkomst gesloten voor de verkoop van eengezinswoningen. Volgens die overeenkomst waren DTT en CMR respectievelijk mandant en mandataris. Die overeenkomst voorzag in een proeftijd van twaalf maanden, na afloop waarvan zij zou worden geacht te zijn gesloten voor onbepaalde tijd, waarbij elke partij de mogelijkheid had om de overeenkomst tijdens die periode op te zeggen, met in de eerste maand een opzegtermijn van vijftien dagen en daarna een opzegtermijn van één maand. De handelsagentuurovereenkomst bepaalde als doelstelling de verkoop van 25 woningen per jaar.
10
Bij brief van 12 juni 2012 heeft DTT CMR in kennis gesteld van haar beslissing om de betrokken overeenkomst te beëindigen, na afloop van de contractuele opzegtermijn van een maand. Zij baseerde haar beslissing op het feit dat de in die overeenkomst bepaalde doelstelling niet was gehaald, aangezien CMR in vijf maanden slechts één woning had verkocht.
11
Bij akte van 20 maart 2013 heeft CMR DTT voor de tribunal de commerce d'Orléans (handelsrechter Orléans, Frankrijk) gedaagd. Zij vorderde betaling van een vergoeding voor het nadeel voortvloeiend uit de beëindiging van de agentuurovereenkomst en schadevergoeding wegens onrechtmatige opzegging van de overeenkomst. Bij beslissing van 30 januari 2014 heeft die rechterlijke instantie de vorderingen van CMR gedeeltelijk gegrond verklaard.
12
Op 14 februari 2014 heeft DTT hoger beroep ingesteld tegen die beslissing. Bij arrest van 18 december 2014 heeft de cour d'appel d'Orléans (rechter in hoger beroep Orléans, Frankrijk) de beslissing van de tribunal de commerce d'Orléans gedeeltelijk vernietigd. In het bijzonder heeft die rechter geoordeeld dat de vergoeding waarin artikel L. 134-12 van de code de commerce voorziet, niet verschuldigd was in geval van beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst tijdens de proeftijd. Hij heeft voorts geoordeeld dat de beëindiging van de tussen DTT en CMR gesloten overeenkomst niet onrechtmatig was aangezien in vijf maanden slechts één woning was verkocht, terwijl de in de overeenkomst vastgelegde doelstelling vijfentwintig verkopen per jaar bedroeg.
13
CMR heeft die beslissing aangevochten bij de Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie, Frankrijk), die in de eerste plaats uiteen heeft gezet dat de beslissing van de cour d'appel d'Orléans vaste rechtspraak van de kamer voor handelszaken, financiële zaken en economische zaken van de Cour de cassation toepast volgens welke er een uitzondering bestaat op het recht op schadevergoeding wanneer de handelsagentuurovereenkomst wordt opgezegd tijdens de proeftijd. In de tweede plaats heeft de Cour de cassation erop gewezen dat richtlijn 86/653 niet verwijst naar een eventuele proeftijd, zodat een proeftijdbeding door de partijen bij een handelsagentuurovereenkomst kan worden overeengekomen zonder dat dit schending van het Unierecht oplevert. In de derde plaats heeft zij er onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof aan herinnerd dat met richtlijn 86/653 wordt beoogd de handelsagent in zijn betrekkingen met de principaal te beschermen en dat artikel 17, lid 2, van die richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het bijdraagt aan die bescherming.
14
Daarop heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
‘Is artikel 17 van richtlijn [86/653] van toepassing wanneer de agentuurovereenkomst wordt beëindigd tijdens de daarin bedongen proeftijd?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
15
Met haar vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in essentie te vernemen of artikel 17 van richtlijn 86/653 aldus moet worden uitgelegd dat de vergoedings- en herstelregelingen waarin dat artikel respectievelijk in de leden 2 en 3 voorziet in geval van beëindiging van de agentuurovereenkomst, toepasselijk zijn wanneer die beëindiging plaatsvindt tijdens de in die overeenkomst bedongen proeftijd.
16
Om te beginnen moet worden ingegaan op de vraag of richtlijn 86/653 eraan in de weg staat dat in een agentuurovereenkomst een proeftijd wordt bedongen.
17
Zoals de advocaat-generaal in punt 34 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vermeldt die richtlijn het begrip ‘proeftijd’ niet. Aangezien geen bepaling van die richtlijn het bedingen van een proeftijd regelt, moet worden geoordeeld dat het bedingen daarvan, dat onder de contractvrijheid van partijen bij de agentuurovereenkomst valt, op zich door de richtlijn niet wordt verboden.
18
In het onderhavige geval volgt uit de verwijzingsbeslissing dat de kamer voor handelszaken, financiële zaken en economische zaken van de Cour de cassation heeft geoordeeld dat de handelsagent geen recht heeft op vergoeding wanneer de agentuurovereenkomst wordt beëindigd tijdens de proeftijd.
19
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens artikel 288, derde alinea, VWEU ‘een richtlijn […] verbindend [is] ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties […] de bevoegdheid [wordt] gelaten om vorm en middelen te kiezen’.
20
Zoals ook de advocaat-generaal in punt 34 van zijn conclusie heeft opgemerkt, staat richtlijn 86/653 er weliswaar niet aan in de weg dat in een agentuurovereenkomst een proeftijd wordt bedongen, maar mogen aan een proeftijd in intern recht geen rechtsgevolgen worden toegekend die kunnen afdoen aan de volle werking van die richtlijn.
21
In het licht van bovenstaande overwegingen moet worden onderzocht of het bedingen van een proeftijd in een agentuurovereenkomst een beletsel vormt voor de toepassing van de respectievelijk in lid 2 en lid 3 van artikel 17 van richtlijn 86/653 voorziene vergoedings- en herstelregelingen in geval van beëindiging van die overeenkomst tijdens de proeftijd.
22
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moeten voor de vaststelling van de draagwijdte van een bepaling van Unierecht, in het onderhavige geval artikel 17 van richtlijn 86/653, zowel de bewoordingen, de context als de doelstellingen van die bepaling in de beschouwing worden betrokken (arrest van 16 april 2015, Angerer, C-477/13, EU:C:2015:239, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23
Wat de bewoordingen van dat artikel betreft zij om te beginnen opgemerkt dat de lidstaten volgens artikel 17, lid 1, van richtlijn 86/653 de maatregelen treffen die noodzakelijk zijn om te bewerkstelligen dat de handelsagent, na de ‘beëindiging van de overeenkomst’, vergoeding of herstel van het ondervonden nadeel krijgt. Evenzo bepaalt artikel 17, lid 3, van die richtlijn dat de handelsagent recht heeft op herstel van het nadeel dat hem als gevolg van de ‘beëindiging van zijn betrekkingen met de principaal’ wordt berokkend. De handelsagent heeft dus slechts recht op vergoeding of herstel indien zijn contractuele betrekking met de principaal wordt beëindigd.
24
Een proeftijdbeding dient weliswaar, zoals de advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie opmerkt, de beëindiging van een agentuurovereenkomst te vergemakkelijken, maar dat neemt niet weg dat opzegging van een dergelijke overeenkomst tijdens de daarin bedongen proeftijd een ‘beëindiging van de overeenkomst’ of een ‘beëindiging van [de] betrekkingen [van de handelsagent] met de principaal’ in de zin van artikel 17, leden 1 en 3, van richtlijn 86/653 vormt.
25
In dit verband volgt uit de bij het Hof ingediende opmerkingen dat de in punt 18 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van de Cour de cassation volgens welke de handelsagent geen recht op vergoeding heeft wanneer de agentuurovereenkomst wordt beëindigd tijdens de proeftijd, op de overweging berust dat de agentuurovereenkomst tijdens die periode nog niet definitief is gesloten.
26
Deze uitlegging vindt geen steun in richtlijn 86/653. Integendeel, want zoals de advocaat-generaal in punt 39 van zijn conclusie heeft opgemerkt, bestaat een betrekking tussen een handelsagent en een principaal in de zin van artikel 1 van richtlijn 86/653 vanaf het ogenblik waarop een overeenkomst is gesloten die hetzij het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen, hetzij het tot stand brengen en afsluiten van die verrichtingen voor rekening van de principaal tot doel heeft, ongeacht de vraag of aan die overeenkomst een proeftijd is gekoppeld. Bijgevolg zijn de bepalingen van die richtlijn van toepassing vanaf het ogenblik waarop een dergelijke overeenkomst is gesloten tussen de principaal en de handelsagent, ook al is in die overeenkomst een proeftijd bedongen.
27
In de tweede plaats volgt uit artikel 17, lid 2, onder a), van richtlijn 86/653 dat de handelsagent onder meer recht heeft op een vergoeding indien hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de transacties met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid en de transacties met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren. Bovendien bepaalt artikel 17, lid 2, onder b), van die richtlijn dat het bedrag van die vergoeding afhangt van de prestaties van de handelsagent tijdens de duur van de overeenkomst. Evenzo volgt uit de bewoordingen van artikel 17, lid 3, van dezelfde richtlijn dat de handelsagent onder meer recht heeft op herstel van het hem berokkende nadeel wanneer dat nadeel voortvloeit uit de beëindiging van de overeenkomst onder omstandigheden waarbij die agent niet de provisies krijgt die hij bij uitvoering van de overeenkomst zou hebben ontvangen, waardoor de principaal een aanzienlijk voordeel geniet van de activiteiten van die agent en/of de handelsagent niet de kosten en uitgaven kan dekken die hij op advies van de principaal ten behoeve van de uitvoering van de overeenkomst op zich heeft genomen.
28
Derhalve volgt uit de bewoordingen van artikel 17, leden 2 en 3, van richtlijn 86/653, zoals de advocaat-generaal in de punten 26 en 50 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dat de in die bepaling voorziene vergoedings- en herstelregelingen niet beogen de beëindiging van de overeenkomst te bestraffen, maar de handelsagent schadeloos te stellen voor zijn prestaties die voor de principaal voordeel blijven opleveren na de beëindiging van de contractuele betrekkingen of voor de kosten en uitgaven die hij ten behoeve van die prestaties heeft gehad. Die agent kan dan ook de vergoeding of het herstel niet worden ontzegd enkel op grond dat de agentuurovereenkomst is beëindigd gedurende de proeftijd, indien de in voormeld artikel 17, leden 2 en 3, van die richtlijn genoemde voorwaarden vervuld zijn.
29
Blijkens de bewoordingen van genoemd artikel ontstaat het recht op vergoeding en op herstel van het ondervonden nadeel dus ook indien de contractuele betrekking tussen de principaal en de handelsagent tijdens de proeftijd wordt beëindigd.
30
Bovenstaande overwegingen vinden steun in de analyse van de context van artikel 17 van richtlijn 86/653 en van het doel van die richtlijn.
31
Wat in de eerste plaats de context van artikel 17 van voormelde richtlijn betreft moet worden opgemerkt artikel 18 van die richtlijn een limitatieve opsomming geeft van de gevallen waarin de vergoeding of het herstel van het nadeel niet verschuldigd is. Beëindiging van de proeftijd wordt daarbij niet vermeld. Bovendien vormt genoemd artikel 18 een uitzondering op het recht op vergoeding en op herstel, zodat het eng moet worden uitgelegd. Dat artikel kan bijgevolg niet worden uitgelegd op een wijze die erop zou neerkomen dat een grond voor verval van de vergoeding of het herstel wordt toegevoegd die er niet uitdrukkelijk in wordt vermeld (zie in die zin arrest van 28 oktober 2010, Volvo Car Germany, C-203/09, EU:C:2010:647, punt 42). Door te oordelen dat geen vergoeding of herstel verschuldigd is wanneer de contractuele betrekkingen worden beëindigd tijdens de proeftijd, wordt echter juist een grond voor verval aanvaard waarin artikel 18 van genoemde richtlijn niet voorziet.
32
Voorts is het partijen ingevolge artikel 19 van richtlijn 86/653 verboden om, voordat de overeenkomst is beëindigd, ten nadele van de handelsagent af te wijken van de artikelen 17 en 18 van die richtlijn. Zoals de advocaat-generaal in punt 48 van zijn conclusie opmerkt, is sprake van een dergelijke afwijking ten nadele van die agent wanneer wordt aanvaard dat het bedingen van een proeftijd in een agentuurovereenkomst meebrengt dat het in artikel 17 van die richtlijn voorziene recht op vergoeding en herstel niet van toepassing is. Bij gelijke prestaties zou een handelsagent het recht op schadeloosstelling immers worden toegekend of geweigerd, enkel naargelang de agentuurovereenkomst al dan niet een proeftijdbeding bevat.
33
Wat in de tweede plaats de doelstelling van richtlijn 86/653 betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat deze richtlijn blijkens de tweede en de derde overweging onder meer beoogt de handelsagent in zijn betrekkingen met zijn principaal te beschermen (arrest van 17 mei 2017, ERGO Poist'ovňa, C-48/16, EU:C:2017:377, punt 41).
34
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat de artikelen 17 en 18 van genoemde richtlijn van doorslaggevend belang zijn omdat zij het beschermingsniveau omschrijven dat de wetgever van de Unie redelijk heeft geacht voor handelsagenten in het kader van de totstandbrenging van de interne markt (arrest van 17 oktober 2013, Unamar, C-184/12, EU:C:2013:663, punt 39). Bovendien hebben de artikelen 17 tot en met 19 van die richtlijn volgens de rechtspraak van het Hof tot doel, de handelsagent te beschermen na de beëindiging van de agentuurovereenkomst. De daartoe door richtlijn 86/653 ingevoerde regeling is dwingend (arresten van 9 november 2000, Ingmar, C-381/98, EU:C:2000:605, punt 21, en van 23 maart 2006, Honyvem Informazioni Commerciali, C-465/04, EU:C:2006:199, punt 22).
35
Het Hof heeft voorts geoordeeld dat, gelet op het doel van richtlijn 86/653, iedere uitlegging van artikel 17 van die richtlijn die in het nadeel zou kunnen zijn van de handelsagent is uitgesloten (zie in die zin arrest van 26 maart 2009, Semen, C-348/07, EU:C:2009:195, punt 21).
36
De uitlegging waarbij geen vergoeding verschuldigd is in geval van beëindiging van de agentuurovereenkomst tijdens de proeftijd is niet verenigbaar met de dwingende aard van de regeling van artikel 17 van richtlijn 86/653. Die uitlegging, die erop neerkomt — anders dan dat artikel voorschrijft — dat de toekenning van schadeloosstelling afhangt van de vraag of de agentuurovereenkomst al dan niet een proeftijdbeding bevat, zonder dat rekening wordt gehouden met de prestaties van de handelsagent of met de kosten en uitgaven die deze heeft gehad, vormt, om dezelfde redenen als uiteengezet in punt 32 van het onderhavige arrest, een uitlegging ten nadele van de handelsagent, aan wie iedere schadeloosstelling wordt ontzegd enkel op grond dat de overeenkomst die hem aan de principaal bindt een proeftijdbeding bevat.
37
Bijgevolg moet worden vastgesteld dat uitlegging van artikel 17 van richtlijn 86/653 waarbij geen vergoeding of herstel verschuldigd is wanneer de agentuurovereenkomst wordt beëindigd tijdens de proeftijd, indruist tegen het doel van die richtlijn.
38
Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 17 van richtlijn 86/653 aldus moet worden uitgelegd dat de vergoedings- en herstelregelingen waarin dat artikel respectievelijk in de leden 2 en 3 voorziet in geval van beëindiging van de agentuurovereenkomst, toepasselijk zijn wanneer die beëindiging plaatsvindt tijdens de in die overeenkomst bedongen proeftijd.
Kosten
39
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 17 van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, moet aldus worden uitgelegd dat de vergoedings- en herstelregelingen waarin dat artikel respectievelijk in de leden 2 en 3 voorziet in geval van beëindiging van de agentuurovereenkomst, toepasselijk zijn wanneer die beëindiging plaatsvindt tijdens de in die overeenkomst bedongen proeftijd.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 19‑04‑2018
Conclusie 25‑10‑2017
M. Szpunar
Partij(en)
Zaak C-645/161.
Conseils et mise en relations (CMR) SARL
tegen
Demeures terre et tradition SARL
[verzoek van de Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
Inleiding
1.
Dit verzoek om een prejudiciële beslissing, dat is ingediend door de Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie, Frankrijk), betreft de uitlegging van artikel 17 van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten2..
2.
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Conseils et mise en relations (CMR) SARL en Demeures terre et tradition SARL (hierna: ‘DTT’) over een vordering van CMR tot vervangende schadevergoeding voor schade die is ontstaan wegens de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst die zij met DTT had gesloten.
3.
De onderhavige zaak betreft de toepasselijkheid van de bepalingen van richtlijn 86/653, en in het bijzonder artikel 17 ervan, in situaties waarin de partijen in een handelsagentuurovereenkomst een proefperiode hebben bedongen, tijdens welke de principaal de overeenkomst heeft opgezegd. Naast de kwestie van de rechtmatigheid van de bepaling van een proefperiode die tot gevolg heeft dat de toepassing wordt uitgesloten van de bepalingen van richtlijn 86/653, in het bijzonder artikel 17 ervan, op normaal door deze richtlijn geregelde overeenkomsten, biedt deze zaak het Hof de gelegenheid zich te buigen over de ruimere vraag welke aspecten van de handelsagentuurovereenkomst op grond van deze richtlijn zijn geharmoniseerd.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
4.
In de tweede en derde overweging van richtlijn 86/653 is het volgende bepaald:
‘Overwegende dat de verschillen tussen de nationale wetgevingen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging binnen de [Europese Unie] de concurrentieverhoudingen en de uitoefening van het beroep aanzienlijk beïnvloeden en de mate waarin de handelsagenten in hun betrekkingen met hun principalen worden beschermd, evenals de zekerheid in het handelsverkeer, aantasten; dat voorts deze verschillen de totstandkoming en de werking van handelsagentuurovereenkomsten tussen een principaal en een handelsagent die in verschillende lidstaten zijn gevestigd, ernstig kunnen belemmeren;
Overwegende dat het goederenverkeer tussen de lidstaten moet plaatsvinden onder soortgelijke omstandigheden als binnen een enkele markt, hetgeen de onderlinge aanpassing van de rechtsstelsels van de lidstaten vereist, voor zover zulks voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt noodzakelijk is; dat in dit verband de verwijzingsregels van het internationaal privaatrecht, zelfs indien zij zijn geünificeerd, de hierboven vermelde nadelen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging niet opheffen, en dat daarom niet kan worden afgezien van de voorgestelde harmonisatie.’
5.
In artikel 1, leden 1 en 2, van deze richtlijn is het volgende bepaald:
- ‘1.
De in deze richtlijn voorgeschreven harmonisatiemaatregelen zijn van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de betrekkingen tussen handelsagenten en hun principalen.
- 2.
Handelsagent in de zin van deze richtlijn is hij die als zelfstandige tussenpersoon permanent is belast met het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen voor een ander, hierna te noemen ‘principaal’, of met het tot stand brengen en afsluiten van de verkoop of aankoop van goederen voor rekening en in naam van de principaal.’
6.
De artikelen 13 tot en met 20 van richtlijn 86/653 zijn opgenomen in hoofdstuk IV daarvan, met het opschrift ‘Sluiting en beëindiging van de agentuurovereenkomst’. Artikel 14 van deze richtlijn luidt als volgt:
‘Een overeenkomst die voor bepaalde tijd is aangegaan en die na afloop van de termijn door beide partijen wordt voortgezet, wordt geacht in een overeenkomst voor onbepaalde tijd te zijn omgezet.’
7.
In artikel 15, leden 1 en 2, van richtlijn 86/653 is bepaald:
- ‘1.
Indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, kan elke partij haar met inachtneming van een opzeggingstermijn beëindigen.
- 2.
De opzeggingstermijn bedraagt een maand gedurende het eerste jaar van de overeenkomst, twee maanden indien het tweede jaar is ingegaan, drie maanden indien het derde jaar is ingegaan en gedurende de navolgende jaren. De partijen mogen geen kortere termijnen overeenkomen.’
8.
Artikel 17, leden 1 tot en met 3, van deze richtlijn bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te bewerkstelligen dat de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, vergoeding volgens lid 2 [of] herstel van het nadeel volgens lid 3 krijgt.
- 2.
- a)
De handelsagent heeft recht op een vergoeding indien en voor zover:
- —
hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de transacties met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid en de transacties met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren,
en
- —
de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de uit de transacties met deze klanten voortvloeiende provisie, die voor de handelsagent verloren gaat. […]
- b)
Het bedrag van de vergoeding mag niet meer bedragen dan een cijfer dat overeenkomt met een jaarlijkse vergoeding berekend op basis van het jaarlijkse gemiddelde van de beloning die de handelsagent de laatste vijf jaar heeft ontvangen of, indien de overeenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd, berekend over het gemiddelde van die periode.
- c)
De toekenning van deze vergoeding laat het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet.
- 3.
De handelsagent heeft recht op herstel van het nadeel dat hem als gevolg van de beëindiging van zijn betrekkingen met de principaal wordt berokkend.
Dit nadeel vloeit in het bijzonder voort uit de beëindiging van de overeenkomst onder omstandigheden waarbij:
- —
de handelsagent niet de provisies krijgt die hij bij normale uitvoering van de overeenkomst zou hebben ontvangen, waardoor de principaal een aanzienlijk voordeel geniet van de activiteiten van de handelsagent;
- —
en/of de handelsagent niet de kosten en uitgaven kan dekken die hij op advies van de principaal ten behoeve van de uitvoering van de overeenkomst op zich heeft genomen.’
9.
Artikel 18 van dezelfde richtlijn luidt:
‘De vergoeding of het herstel op grond van artikel 17, is niet verschuldigd:
- a)
indien de principaal de overeenkomst heeft beëindigd vanwege een aan de handelsagent te wijten omstandigheid die krachtens het nationale recht aanleiding is tot beëindiging van de overeenkomst zonder opzeggingstermijn;
- b)
indien de handelsagent de overeenkomst beëindigd heeft, tenzij deze beëindiging wordt gerechtvaardigd door omstandigheden die de principaal kunnen worden toegerekend of wordt gerechtvaardigd door leeftijd, invaliditeit of ziekte van de handelsagent op grond waarvan redelijkerwijs niet meer van hem kan worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden voortzet;
- c)
indien de handelsagent, overeenkomstig een afspraak met de principaal, zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van de agentuurovereenkomst aan een derde overdraagt.’
10.
Tot slot bepaalt artikel 19 van deze richtlijn dat ‘[v]oordat de overeenkomst is beëindigd, […] de partijen niet ten nadele van de handelsagent van de bepalingen van de artikelen 17 en 18 [mogen] afwijken’.
Frans recht
11.
De Franse Republiek heeft artikel 17 van richtlijn 86/653 in zijn nationale recht omgezet door de in lid 3 van dat artikel bepaalde regeling te kiezen.
12.
In dit verband bepaalt artikel L134-12 van de code de commerce (Frans wetboek van koophandel):
‘De handelsagent heeft in geval van beëindiging van zijn betrekking met de principaal recht op een vervangende schadevergoeding tot herstel van het geleden nadeel.
De handelsagent verliest het recht op herstel indien hij de principaal niet binnen een jaar na de beëindiging van de overeenkomst in kennis heeft gesteld van het feit dat hij van plan is zijn rechten te doen gelden.
De rechtverkrijgenden van de handelsagent genieten eveneens het recht op herstel wanneer de beëindiging van de overeenkomst veroorzaakt is door het overlijden van de agent.’
Feiten, procedure en prejudiciële vraag
13.
Op 2 december 2011 sloot DTT, als principaal, een handelsagentuurovereenkomst met betrekking tot de verkoop van eengezinswoningen. In die overeenkomst was voorzien in een proefperiode van twaalf maanden, na afloop waarvan de overeenkomst geacht werd voor onbepaalde tijd te zijn aangegaan, waarbij elke partij de mogelijkheid had de overeenkomst tijdens die proefperiode op te zeggen, met in de eerste maand een opzeggingstermijn van vijftien dagen en daarna een opzeggingstermijn van één maand. De handelsagentuurovereenkomst bepaalde als doelstelling de verkoop van 25 woningen per jaar.
14.
Bij brief van 12 juni 2012 gaf DTT CMR kennis van haar beslissing om de betrokken overeenkomst te beëindigen, na afloop van de contractuele opzeggingstermijn van een maand. Zij baseerde haar beslissing op het feit dat de in die overeenkomst bepaalde doelstelling niet was gehaald, aangezien CMR slechts één woning had verkocht in vijf maanden.
15.
Bij akte van 20 maart 2013 heeft CMR DTT gedagvaard voor de tribunal de commerce d'Orléans (handelsrechter Orléans, Frankrijk) tot betaling van een vervangende schadevergoeding als herstel van de schade ontstaan wegens de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst. Bij vonnis van 30 januari 2014 heeft deze rechter de vorderingen van CMR gedeeltelijk gegrond verklaard.
16.
Op 14 februari 2014 heeft DTT hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. Bij arrest van 18 december 2014 heeft de cour d'appel d'Orléans (rechter in hoger beroep Orléans, Frankrijk) het vonnis van de tribunal de commerce d'Orléans gedeeltelijk vernietigd. In het bijzonder heeft die rechter geoordeeld dat de vervangende schadevergoeding waarin artikel L134-12 van de code de commerce voorziet, niet verschuldigd was gelet op de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst tijdens de proefperiode.
17.
CMR heeft tegen dat arrest hogere voorziening ingesteld bij de Cour de cassation. Zoals de Cour de cassation in haar prejudiciële verwijzing in de eerste plaats vermeldde, had het arrest van de cour d'appel d'Orléans toepassing gegeven aan de vaste rechtspraak van de kamer voor handels-, financiële en economische zaken van de Cour de cassation, volgens welke er een uitzondering bestond op het recht op schadevergoeding wanneer de handelsagentuurovereenkomst was opgezegd tijdens de proefperiode. In de tweede plaats heeft de Cour de cassation erop gewezen dat richtlijn 86/653 niet verwijst naar een eventuele proefperiode, zodat een dergelijke periode door de partijen bij een handelsagentuurovereenkomst kan worden bedongen zonder dat dit een schending van het Unierecht oplevert. Ten slotte, in de derde plaats, heeft zij er onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof aan herinnerd dat met richtlijn 86/653 wordt beoogd de handelsagent in zijn betrekkingen met de principaal te beschermen en dat artikel 17, leden 2 en 3, aldus moest worden uitgelegd dat het bijdroeg aan die bescherming.
18.
Daarop heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
‘Is artikel 17 van richtlijn [86/653] van toepassing wanneer de agentuurovereenkomst wordt beëindigd tijdens de daarin bedongen proefperiode?’
19.
DTT, de Franse en de Duitse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
Analyse
20.
Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie te vernemen of artikel 17, leden 2 en 3, van richtlijn 86/653 van toepassing is. Meer algemeen verzoekt de verwijzende rechterlijke instantie met haar vraag na te gaan of haar rechtspraak inzake handelsagentuurovereenkomsten, volgens welke de status van handelsagent als bepaald in richtlijn 86/653, pas op het einde van de proefperiode van kracht wordt, verenigbaar is met richtlijn 86/653.
Voorafgaande opmerkingen
21.
Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat richtlijn 86/653 van toepassing is in het kader van een geding tussen twee partijen bij een handelsagentuurovereenkomst die in Frankrijk wonen, zonder dat er sprake is van enig ander grensoverschrijdend aspect.3.
22.
In dit verband moet er met name op worden gewezen dat vaststaat dat richtlijn 86/653 ertoe strekt, het recht van de lidstaten inzake de rechtsbetrekkingen tussen de partijen bij een handelsagentuurovereenkomst te harmoniseren4., zoals blijkt uit artikel 1, lid 1, ervan. De aanvankelijke ratio achter richtlijn 86/653 was immers de totstandbrenging van een gelijk speelveld voor principalen die hun activiteiten op de interne markt uitoefenen door een beroep te doen op handelsagenten. Om te investeren en zaken te doen, moeten principalen namelijk weten aan welke regels zij onderworpen zijn als het gaat om het compenseren en vergoeden van handelsagenten op wie zij een beroep doen.5.
23.
In dezelfde lijn heeft het Hof geoordeeld dat de artikelen 17 en 18 van richtlijn 86/653 van doorslaggevend belang zijn, omdat zij het beschermingsniveau omschrijven dat de wetgever van de Unie redelijk heeft geacht voor handelsagenten in het kader van de totstandbrenging van de interne markt, en verder dat de regeling die deze richtlijn daartoe heeft vastgelegd van dwingende aard is.6.
Functie van de in artikel 17 van richtlijn 86/653 bepaalde vergoedingsregeling
24.
In de eerste plaats moet de vraag worden gesteld welke functie de vergoedingsregeling van artikel 17 van richtlijn 86/653 heeft. Het Hof heeft al de gelegenheid gehad, met name in de arresten Honyvem Informazioni Commerciali7. en Marchon Germany8., hierover enkele verduidelijkingen te geven9..
25.
Allereerst moet rekening worden gehouden met enkele kenmerken van de werking van de handelsagentuurovereenkomst. Hoewel het werk van de handelsagent er weliswaar hoofdzakelijk in bestaat de sluiting van handelstransacties tot stand te brengen en nieuwe handelsbetrekkingen voor de principaal aan te gaan, heeft de handelsagent in beginsel slechts recht op een provisie indien dankzij zijn optreden een precieze transactie is gesloten, zoals met name blijkt uit artikel 7, lid 1, onder a), van richtlijn 86/653. Daar staat tegenover dat een betrekking die met een klant tot stand is gebracht, daarna tot een reeks transacties kan leiden, zonder dat de agent opnieuw optreedt. Het vooraf verrichte werk wordt aldus naargelang van die transacties vergoed. In die context moet de aard van de in artikel 17 van richtlijn 86/653 bepaalde vergoedingsregeling worden beoordeeld.
26.
Uit het voorgaande blijkt dat een economisch nadeel in de zin van artikel 17, lid 3, van richtlijn 86/653 kan voortvloeien uit het feit dat de overeenkomst is beëindigd op het ogenblik dat de handelsagent een nieuwe klant heeft aangebracht. In dat geval komt de tot op het ogenblik van de beëindiging betaalde provisie immers niet geheel overeen met de waarde van de goodwill die voor de principaal is gecreëerd.10. Daaruit volgt dat de vergoedingsregeling niet als doel heeft de beëindiging van de overeenkomst te bestraffen of een onderhoudsuitkering toe te kennen aan de agent wegens de beëindiging van de overeenkomst, maar wel het vooraf door de handelsagent verrichte werk te vergoeden. Het recht van de handelsagent op een vervangende schadevergoeding waarin artikel 17, lid 3, van richtlijn 86/653 voorziet, is aldus afhankelijk van zijn prestaties tijdens de duur van de overeenkomst en de voordelen die de principaal uit dat werk blijft halen.11. Bijgevolg maakt de vergoeding van de handelsagent na de beëindiging van de overeenkomst nog deel uit van de tegenprestatie die de principaal moet leveren. Daarentegen zal aan de agent uiteraard geen enkele vergoeding worden toegekend indien hij geen diensten heeft geleverd die een economisch voordeel opleverden voor de principaal.
Juridische aard en gevolgen van de bepaling van een proefperiode
27.
In de tweede plaats moet de vraag worden gesteld wat in het algemeen de juridische aard en gevolgen zijn van de bepaling van een proefperiode.
28.
Het Hof heeft weliswaar nog niet de gelegenheid gehad om uitspraak te doen over de aard van een proefperiode in het kader van handelsagentuurovereenkomsten, maar uit zijn rechtspraak inzake arbeidsrecht, en met name uit het arrest Nisttahuz Poclava12., blijkt dat de proeftijd is bedoeld om de geschiktheid en vaardigheden van de werknemer voor het uitoefenen van zijn functie te beoordelen. Anders dan de handelsagentuurovereenkomst wordt de arbeidsovereenkomst gekenmerkt door de verplichting van de werknemer, niet om een resultaat, maar om een dienst te leveren. De handelsagent oefent zijn beroep zelfstandig uit, terwijl de arbeidsovereenkomst een ondergeschikte relatie tussen de werkgever en de werknemer impliceert. Dat is de reden waarom in het kader van een arbeidsovereenkomst de proefperiode het bovendien mogelijk maakt de nieuwe werknemer op te leiden en te begeleiden. Deze behoefte bestaat niet in de betrekking tussen de principaal en de handelsagent.
29.
Deze twee soorten contracten zijn echter vergelijkbaar wat hun intuitu personae-karakter betreft. De handelsagentuurovereenkomst voert ook een permanente contractuele betrekking in13., die wordt gekenmerkt door een vertrouwensrelatie tussen de medecontractanten. Uit het bovenstaande volgt dat de enige doelstelling van de bepaling van een proefperiode het feit is, dat het in het kader van een handelsagentuurovereenkomst gemakkelijker wordt gemaakt de overeenkomst indien nodig te beëindigen, zodat een partij niet gebonden blijft aan een medecontractant die niet aan zijn verwachtingen voldoet. Ten slotte is het volgens mij belangrijk te benadrukken dat de bepaling van dat beding geen gevolgen heeft voor de contractuele verbintenis zelf, dit wil zeggen de verplichting de prestatie en de tegenprestatie te leveren. Met andere woorden, er kan niet van worden uitgegaan dat de handelsagentuurovereenkomst niet ‘definitief gesloten’ is zolang de proefperiode niet is verstreken. De overeenkomst is definitief gesloten bij de ondertekening ervan.
Rechtmatigheid van de bepaling van een proefperiode in handelsagentuurovereenkomsten
30.
Allereerst moet kort de vraag worden behandeld of een proefperiode — in het algemeen — kan worden bepaald door de partijen bij een door richtlijn 86/653 beheerste handelsagentuurovereenkomst. Hoewel de verwijzende rechterlijke instantie haar prejudiciële vraag niet in die zin heeft geformuleerd, zijn de motivering van haar verwijzingsbeslissing en de schriftelijke opmerkingen van DTT hoofdzakelijk op dat aspect gericht.
31.
De verwijzende rechterlijke instantie en DTT lijken te veronderstellen dat de door artikel 17, leden 2 en 3, van richtlijn 86/653 bepaalde vergoedingsregeling niet van toepassing is wanneer de overeenkomst tijdens de proefperiode wordt beëindigd. Meer in het bijzonder menen zij dat een overeenkomst die in een proefperiode voorziet, niet definitief is gesloten en dat daarom de status van handelsagent nog niet geldt. Volgens vaste rechtspraak van de verwijzende instantie kan een handelsagent zich tijdens de duur van een eventuele proefperiode niet beroepen op de hem in richtlijn 86/653 toegekende rechten.
32.
DTT wijst er aldus op dat aangezien in richtlijn 86/653 niet wordt verboden een proefperiode te bepalen, de status van handelsagent niet geldt wegens de juridische gevolgen die het nationale recht aan die proefperiode heeft toegekend. In deze context voert DTT aan dat noch richtlijn 86/653 noch de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof naar een eventuele proefperiode verwijzen, en dat de partijen bij een handelsagentuurovereenkomst deze dus kunnen bedingen in overeenstemming met het Unierecht.
33.
Wat het Unierecht betreft, schrijft richtlijn 86/653 op grond van artikel 288, lid 3, VWEU alleen het te bereiken resultaat voor, maar wordt aan de nationale overheden de bevoegdheid gelaten om vorm en middelen te kiezen. Blijkens de tweede en de derde overweging van de richtlijn alsook de rechtspraak van het Hof, beoogt deze richtlijn de handelsagenten in hun betrekkingen met hun principalen te beschermen.14. In dit verband moet worden opgemerkt dat het Hof meermaals heeft gewezen op de dwingende aard van de in de artikelen 17 tot en met 19 van richtlijn 86/653 bepaalde vergoedingsregeling15., die er — samen met de in de artikelen 14 tot en met 15 van deze richtlijn vermelde regels16. — toe strekt het door deze richtlijn ingestelde beschermingssysteem voor handelsagenten aan te vullen17.. Bovendien heeft het Hof erop gewezen dat de vergoedingsregels van de artikelen 17 en 18 van die richtlijn van doorslaggevend belang zijn, omdat zij het beschermingsniveau omschrijven dat de Uniewetgever redelijk heeft geacht voor handelsagenten in het kader van de totstandbrenging van de interne markt.18. Daaruit volgt dat de bepalingen van het nationale recht moeten bijdragen tot de verwezenlijking van de dwingende doelstelling van richtlijn 86/653, namelijk de handelsagent een hoog beschermingsniveau waarborgen.
34.
In richtlijn 86/653 wordt nergens melding gemaakt van een eventuele proefperiode. Aangezien het Unierecht zich niet uitspreekt over de toelaatbaarheid ervan, ben ik ook geneigd om — zoals DTT, de Franse en de Duitse regering, en de Commissie — aan te nemen dat de bepaling van een proefperiode in beginsel deel uitmaakt van de contractvrijheid van de partijen. Gelet op de harmoniseringsdoelstelling van richtlijn 86/653, mag het evenwel niet mogelijk zijn de toepassing van deze richtlijn en de nuttige werking van de erin bepaalde rechten teniet te doen door de juridische gevolgen die in het interne recht aan een proefperiode worden toegekend. Anders zou de toepasselijkheid van de dwingende regels van richtlijn 86/653 afhankelijk zijn van het nationale recht.19.
Gevolgen van een proefperiode voor artikel 17 van richtlijn 86/653
35.
In dit verband moet worden onderzocht welke gevolgen een proefperiode mogelijk heeft voor het recht van de handelsagent op een compensatie in overeenstemming met artikel 17 van richtlijn 86/653, en vastgesteld welke beperkingen er eventueel op van toepassing zijn op grond van de dwingende regels van die richtlijn.
36.
De werkingssfeer en de draagwijdte van artikel 17 van richtlijn 86/653 moeten worden bepaald rekening houdend met de bewoordingen, de context en de doelstellingen ervan.20. In dit verband moet worden benadrukt dat artikel 17 van de richtlijn volgens de rechtspraak van het Hof moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van het doel van de richtlijn en van de daarbij ingevoerde regeling.21.
Bewoordingen van richtlijn 86/653
37.
Om deze bepaling uit te leggen moet allereerst worden uitgegaan van de bewoordingen ervan. Volgens artikel 17, lid 1, van richtlijn 86/653 moeten de lidstaten de nodige maatregelen nemen om te bewerkstelligen dat de handelsagent, ‘na de beëindiging van de overeenkomst’, vergoeding of herstel van het nadeel krijgt. De beëindiging van de overeenkomst is dus de voorwaarde waaronder dit recht voor de handelsagent ontstaat. Daarvan is sprake wanneer de partijen de uitvoering van de overeenkomst, dit wil zeggen hun wederzijdse verplichtingen, beëindigen.
38.
Een dergelijk gevolg doet zich voor wanneer een partij beslist een handelsagentuurovereenkomst — eventueel onder versoepelde voorwaarden22. — tijdens de proefperiode te beëindigen. Zoals ik al heb beklemtoond, heeft de bepaling van een proefperiode als doel de beëindiging van de overeenkomst te vergemakkelijken, zodat een partij bij de overeenkomst niet meer gebonden is aan een medecontractant die niet voldoet aan haar verwachtingen. Voorts kan niet worden aangenomen dat de uitvoering van de handelsagentuurovereenkomst slechts na afloop van de proefperiode begint.
39.
In dit verband verzetten de bewoordingen van verschillende bepalingen van richtlijn 86/653, met inbegrip van artikel 17 ervan, zich ertegen dat de proefperiode in het nationale recht wordt uitgelegd als een periode tijdens welke de uitvoering van de overeenkomst nog niet is begonnen en de status van handelsagent dus nog niet van toepassing is. Volgens artikel 1, lid 1, van richtlijn 86/653 is deze richtlijn van toepassing op de wettelijke bepalingen inzake de betrekkingen tussen handelsagenten en hun principalen, waarbij de handelsagent hij is die als tussenpersoon permanent is belast, onder meer met het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen voor een ander. Een betrekking tussen een handelsagent en een principaal in de zin van richtlijn 86/653 bestaat dus vanaf het ogenblik waarop een overeenkomst die de verkoop of de aankoop van goederen door een contractpartij voor de andere tot voorwerp heeft, is gesloten, ongeacht of deze activiteit tijdens een proefperiode wordt gerealiseerd.
40.
Op grond van artikel 1 van richtlijn 86/653 is de door deze richtlijn geboden bescherming dwingend vanaf de sluiting van de overeenkomst en kan zij niet worden uitgesloten door een contractuele regeling van de partijen, zoals is bepaald in artikel 19 van deze richtlijn, waarin wordt bepaald dat de partijen bij een handelsagentuurovereenkomst niet ten nadele van de handelsagent van de bepalingen van de artikelen 17 en 18 van die richtlijn mogen afwijken. Het nationale recht kan deze overeenkomst dus niet anders aanmerken dan als handelsagentuurovereenkomst en een uitsluiting van de werkingssfeer van het Unierecht is niet mogelijk
41.
Bovendien moet worden opgemerkt dat aan het in artikel 1, lid 2, van richtlijn 86/653 vereiste ‘permanente’ karakter van de verplichting van de handelsagent, geen afbreuk wordt gedaan door de bepaling van een proefperiode. Deze voorwaarde heeft als doel een eenmalige bestelling die geen andere transactie in de toekomst meebrengt, van de werkingssfeer van richtlijn 86/653 uit te sluiten.23. Bovendien doet de mogelijkheid om de overeenkomst te beëindigen geen afbreuk aan het permanente karakter van de verplichting, aangezien het volstaat dat de handelsagent de doelstelling heeft een permanente opdracht uit te voeren, zelfs in een situatie waarin die doelstelling niet wordt bereikt wegens een beëindiging van de overeenkomst door de principaal. Daaruit volgt dat de proefperiode normaal niet bedoeld is om een louter tijdelijke situatie tot stand te brengen. Een korte proefperiode kan dus niet worden geacht buiten de werkingssfeer van de compensatieregeling van artikel 17 van richtlijn 86/653 te vallen op grond dat de betrekking niet ‘permanent’ zou zijn. Gelet op de functie van die regeling en de doelstelling van richtlijn 86/653, is die regeling van toepassing wanneer de beëindiging van de overeenkomst een economisch nadeel kan meebrengen voor de handelsagent.
42.
Een beëindiging van de overeenkomst tijdens de proefperiode moet dus worden geacht aanleiding te geven — zoals in het geval van een overeenkomst van onbepaalde duur — tot een in artikel 17 van richtlijn 86/653 bedoelde ‘beëindiging’, die wordt gekenmerkt door het wegvallen van de belangrijkste contractuele verplichtingen.
Algemene opzet van richtlijn 86/653
43.
Deze conclusie wordt bevestigd door de systematische uitlegging van artikel 17 van richtlijn 86/653. De proefperiode heeft niet betrekking op de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, maar wel op de modaliteiten voor de beëindiging ervan. Zij valt dus onder dezelfde categorie regels als die welke zijn opgenomen in de artikelen 14 en 15 van richtlijn 86/653, waarin de sluiting en de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst worden geregeld. Terwijl een overeenkomst voor bepaalde tijd afloopt bij het verstrijken van de termijn ervan, kan een overeenkomst voor bepaalde tijd met inachtneming van een opzeggingstermijn worden beëindigd. Hetzelfde geldt voor een overeenkomst die met een proefperiode is gesloten, met als enig verschil dat de beëindigingsvoorwaarden eventueel24. kunnen worden versoepeld. De regeling en de gevolgen van de beëindiging blijven echter hetzelfde.
44.
Voor alle in de artikelen 14 en 15 van richtlijn 86/653 bepaalde gevallen met betrekking tot de beëindiging van de overeenkomst, stelt artikel 17 daarvan zonder onderscheid een unieke regeling vast voor de vergoeding na de beëindiging van de overeenkomst. Aldus vloeit uit de algemene opzet van richtlijn 86/653 voort dat deze regeling geldt ongeacht de procedure die tot de beëindiging van de overeenkomst heeft geleid.
45.
Bovendien komt de proefperiode niet voor onder de in artikel 18 van richtlijn 86/653 limitatief opgesomde gevallen van uitzonderingen op de toepasselijkheid van de vergoedingsregeling. Volgens die bepaling is de in artikel 17 bedoelde vergoeding niet verschuldigd in drie gevallen, namelijk ten eerste wanneer er sprake is van een aan de handelsagent te wijten omstandigheid die krachtens het nationale recht aanleiding is tot beëindiging van de overeenkomst zonder opzeggingstermijn, ten tweede wanneer de handelsagent de overeenkomst heeft beëindigd en ten derde wanneer de handelsagent, overeenkomstig een afspraak met de principaal, zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van de agentuurovereenkomst aan een derde overdraagt. De beëindiging van de overeenkomst tijdens een proefperiode valt niet onder een van deze categorieën. Bovendien heeft het Hof er al op gewezen dat de in artikel 18 van richtlijn 86/653 vermelde uitzonderingen op de regel van artikel 17 daarvan strikt moeten worden uitgelegd25., en dus niet kunnen worden uitgebreid tot een nieuwe categorie zoals de beëindiging van de overeenkomst tijdens de proefperiode.
Doelstelling van richtlijn 86/653
46.
Gelet op de doelstelling van de richtlijn, zoals in punt 33 van deze conclusie in herinnering is gebracht, vloeit uit de betrokken vergoedingsregeling voort dat zij elke uitlegging van artikel 17 van deze richtlijn uitsluit, die ten nadele van de handelsagent kan blijken uit te werken.26. Wat betreft de toepassing van artikel 17 van richtlijn 86/653 door de verwijzende rechterlijke instantie ingeval van beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst tijdens de overeengekomen proefperiode, kan het feit dat wordt aanvaardt dat een dergelijke periode wordt bedongen, niet ertoe leiden dat aan de handelsagent de rechten worden ontnomen die hij aan de toepassing van artikel 17 van richtlijn 86/653 ontleent. Daaruit volgt dat het recht van de handelsagent op een vergoeding op grond van de door artikel 17 van richtlijn 86/653 ingevoerde regeling, niet principieel mag worden uitgesloten wanneer de handelsagentuurovereenkomst wordt beëindigd tijdens de daarin bepaalde proefperiode.
47.
De dwingende aard van de regeling ter bescherming van de rechten van de handelsagent wordt bevestigd door artikel 19 van richtlijn 86/653, dat de partijen verbiedt ten nadele van de handelsagent af te wijken van de artikelen 17 en 18 van deze richtlijn.27. Het feit dat in de overeenkomst een proefperiode wordt opgenomen tijdens welke de door de artikelen 17 en 18 van richtlijn 86/653 ingevoerde regeling niet van toepassing is, staat duidelijk gelijk aan een dergelijke afwijking.
48.
Zoals de Duitse regering en de Commissie terecht hebben opgemerkt, zet het feit dat de toepassing van de in de artikelen 17 en 18 van richtlijn 86/653 vermelde vergoedingsregeling wordt uitgesloten gewoon door een proefperiode te bepalen, bovendien de deur open voor misbruik. Dat kan de omzeiling van de beschermingsregels voor de handelsagent door principalen in de hand werken, die lange proefperiodes zouden kunnen bepalen na afloop waarvan geen enkele vergoeding verschuldigd is voor zaken die de handelsagent zijn principaal heeft aangebracht.
49.
Dat resultaat zou een tweeledige schending inhouden van de dwingende bepalingen van richtlijn 86/653: de weigering van een vergoeding in geval van de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst tijdens de proefperiode, zou ertoe leiden dat de uitzonderingen op het genot van de toegekende rechten — die limitatief zijn opgesomd in artikel 18 van richtlijn 86/653 — worden uitgebreid, waardoor het door die richtlijn beoogde beschermingsniveau tegelijkertijd wordt verlaagd.
50.
Ten slotte leidt de toepasselijkheid van de in artikel 17 van richtlijn 86/653 bepaalde vergoedingsregeling vanaf het begin van de proefperiode niet ertoe dat de betrekking van de handelsagent nooit kan worden opgezegd zonder de betaling van een vergoeding, en dat dus nooit voldoende rekening zal worden gehouden met de belangen van de principaal. Artikel 17, lid 2, onder a), van richtlijn 86/653 voorziet immers op dwingende wijze en zonder voorafgaande uitzondering in een financiële vergoeding, maar enkel ‘indien en voor zover’ de activiteit van de handelsagent ertoe heeft geleid dat de commerciële betrekkingen van de principaal aanzienlijk zijn uitgebreid en gevolgen hebben die voortduren na afloop van de agentuurovereenkomst. Bovendien moet de betaling van deze vergoeding billijk zijn, gelet op alle omstandigheden.28. In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat in punt 26 van deze conclusie is vastgesteld dat de compensatieregeling een vergoedend karakter heeft dat verband houdt met de prestaties van de handelsagent. Als volgens die criteria een vergoeding moet worden toegekend, volstaat het feit dat de overeenkomst is beëindigd tijdens de proefperiode dus niet om de betaling van een vergoeding uit te sluiten. Ten slotte kan de beëindiging van de overeenkomst tijdens de proefperiode hetzelfde gevolg hebben als een beëindiging van een overeenkomst die voor onbepaalde tijd is gesloten, te weten een economisch nadeel. Daar staat tegenover dat als de in artikel 17, leden 2 en 3, van richtlijn 86/653 vermelde voorwaarden niet zijn vervuld, aan de handelsagent geen vergoeding moet worden toegekend, ongeacht of de overeenkomst tijdens de proefperiode is beëindigd. Dat volgt ook uit het feit dat de vergoedingsregeling niet als doel heeft de beëindiging van de overeenkomst te bestraffen, maar wel de agent te vergoeden voor prestaties die hij in het verleden heeft geleverd en die nog gevolgen hebben voor de toekomstige transacties van de principaal.
Conclusie
51.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Cour de cassation te beantwoorden als volgt:
‘Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten moet aldus worden uitgelegd dat artikel 17 ervan van toepassing is wanneer de agentuurovereenkomst wordt beëindigd tijdens de daarin bedongen proefperiode.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑10‑2017
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 1986, L 382, blz. 17.
Zie in dit verband arrest van 13 juli 2000, Centrosteel (C-456/98, EU:C:2000:402, punt 13), waarin het Hof voor recht heeft verklaard dat richtlijn 86/653 ‘ertoe strekt het recht van de lidstaten inzake de rechtsbetrekkingen tussen de partijen bij een agentuurovereenkomst te harmoniseren, los van enig grensoverschrijdend aspect. Zij heeft dus een ruimere werkingssfeer dan de in het Verdrag geformuleerde fundamentele vrijheden’.
Zie met name arrest van 23 maart 2006, Honyvem Informazioni Commerciali (C-465/04, EU:C:2006:199, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie ook mijn conclusie in de zaak Agro Foreign Trade & Agency (C-507/15, EU:C:2016:809, punt 56).
Zie arrest van 17 oktober 2013, Unamar (C-184/12, EU:C:2013:663, punten 39 en 40).
Arrest van 23 maart 2006 (C-465/04, EU:C:2006:1999).
Arrest van 7 april 2016 (C-315/14, EU:C:2016:211).
Naast de functie van artikel 17 van richtlijn 86/653, zijn aan het Hof al vele andere vragen met betrekking tot de uitlegging van dit artikel gesteld: betreffende de toepasselijkheid van deze richtlijn in een situatie waarin een van de partijen in een derde land is gevestigd, zie arresten van 9 november 2000, Ingmar, (C-381/98, EU:C:2000:605), en 16 februari 2017, Agro Foreign Trade & Agency (C-507/15, EU:C:2017:129); de berekeningsmodaliteiten voor de vergoeding en de toelaatbaarheid van de toekenning van een aanvullende schadevergoeding, zie arresten van 26 maart 2009, Semen (C-348/07, EU:C:2009:195), en 3 december 2015, Quenon K. (C-338/14, EU:C:2015:795) of ook het verval van het recht van de handelsagent in situaties van een aan hem toerekenbare tekortkoming of niet-uitvoering van de overeenkomst met de klant-derde, zie arresten van 28 oktober 2010, Volvo Car Germany (C-203/09, EU:C:2010:647), en 17 mei 2017, ERGO Poist'ovňa (C-48/16, EU:C:2017:377).
Zie mijn conclusie van 10 september 2015 in de zaak Marchon Germany (C-315/14, EU:C:2015:5851, punt 27) en het — uiteraard niet-bindende, maar toch leerzame — verslag van de Europese Commissie van 23 juli 1996 over de toepassing van artikel 17 van de richtlijn van de Raad inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (86/653/CEE) [COM(96) 364 definitief].
Zie in deze zin arrest van 7 april 2016, Marchon Germany (C-315/14, EU:C:2016:211, punt 33), en conclusie van advocaat-generaal Poiares Maduro in de zaak Honyvem Informazioni Commerciali (C-465/04, EU:C:2005:641, punt 26).
Arrest van 5 februari 2015 (C-117/14, EU:C:2015:60, punt 36).
Zie ook artikel 1, lid 2, van richtlijn 86/653,
Arrest van 23 maart 2006, Honyvem Informazioni Commerciali (C-465/04, EU:C:2006:199, punt 19).
Arrest van 9 november 2000, Ingmar (C-381/98, EU:C:2000:605, punt 21).
Alle voornoemde bepalingen zijn immers opgenomen in hoofdstuk IV van richtlijn 86/653, met het opschrift ‘Sluiting en beëindiging van de agentuurovereenkomst’.
Zie mijn conclusie van 10 september 2015 in de zaak Marchon Germany (C-315/14, EU:C:2015:585, punt 24).
Arrest van 17 oktober 2013, Unamar (C-184/12, EU:C:2013:663, punt 39).
Overigens kan de vraag worden gesteld wat de noodzaak is van de bepaling van een proefperiode, indien zij de voorwaarden voor de beëindiging van de overeenkomst niet versoepelt — door de opzeggingstermijn te verkorten —, ermee rekening houdend dat de beëindiging niet in alle gevallen moet worden gemotiveerd.
Arrest van 16 april 2015, Angerer (C-477/13, EU:C:2015:239, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest van 3 december 2015, Quenon K. (C-338/14, EU:C:2015:795, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Maar niet versoepeld wat de dwingende bepalingen van richtlijn 86/653 betreft.
Zie in die zin arrest van 16 maart 2006, Poseidon Chartering (C-3/04, EU:C:2006:176, punten 25 en 26), waarin het Hof hoofdzakelijk het aantal transacties dat de agent heeft afgesloten, als relevant criterium heeft beschouwd om het permanente karakter van het mandaat te bepalen. Zie in dezelfde lijn Rott-Pietrzyk, E., ‘Komentarz do Dyrektywy Rady nr 86/653 z 18 grudnia 1986 roku w sprawie harmonizacji praw państw członkowskich dotyczących niezależnych agentów handlowych’, Problemy Prawne Handlu Zagranicznego, Uniwersytet Śląski, deel 19/20, 2000, blz. 245.
Maar niet versoepeld wat de dwingende bepalingen van richtlijn 86/653 betreft.
Arrest van 28 oktober 2010, Volvo Car Germany (C-203/09, EU:C:2010:647, punt 42).
Arrest van 26 maart 2009, Semen (C-348/07, EU:C:2009:195, punt 21).
Zie ook arrest van 9 november 2000, Ingmar (C-381/98, EU:C:2000:605, punt 22).
Arrest van 28 oktober 2010, Volvo Car Germany (C-203/09, EU:C:2010:647, punt 44).