Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/14.4.3.2
14.4.3.2 Wettelijke grondslag boeteonderzoek is niet duidelijk
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS492300:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Feteris 2007, p. 269. Vgl. de toelichting op § 12 van het (ingetrokken) BBBB 1998, Stcrt. 1997, 248. Daarin lijkt de staatssecretaris van Financiën ervan uit te gaan dat art. 47 e.v. AWR van toepassing zijn op de boeteoplegging en dat art. 67j AWR (oud) daarop een uitzondering vormt. De redactie van de Vakstudie Alg. Deel wijst in aant. 11.6 bij art. 47 AWR erop, dat deze passage niet meer was opgenomen in de per 1 januari 2009 geldende tekst van het BBBB, welk besluit inmiddels ook is ingetrokken. Wel kwam in § 14 van het herziene boetebesluit zijdelings het zwijgrecht van art. 67j AWR (oud) aan de orde.
In art. 1, lid 4 AWR was (tot 1 juli 2009) vastgelegd dat met betrekking tot de heffing van rijksbelastingen de afdelingen 5.2 en 10.2.1 van de Awb buiten toepassing blijven (zie thans art. 1, lid 3, AWR).
Een uitdrukkelijke wettelijke grondslag voor het boeteonderzoek in belastingzaken ontbreekt. Aangenomen moet worden dat het onderzoek in fiscale boetezaken evenals het toezichts- c.q. heffingsonderzoek, steunt op de in afdeling 2, hoofdstuk VIII van de AWR vastgelegde informatieverplichtingen. Zie in dit verband Feteris die erop wijst dat art. 1, lid 1 AWR, dat de werkingssfeer van deze wet aanduidt, onderscheid maakt tussen de heffing van belastingen en het opleggen van bestuurlijke boetes. Dit zou de indruk kunnen wekken dat art. 47 AWR e.v. niet kunnen worden toegepast als de inspecteur onderzoek wil doen ten behoeve van de (mogelijke) vaststelling van een bestuurlijke boete. Die indruk is niet juist, aldus Feteris. De wetgever is uitgegaan van het tegendeel, door in art. 67j AWR (oud) voor het boeterecht een beperkte uitzondering op te nemen op art. 47 e.v. Kennelijk zijn deze artikelen voor het overige van toepassing op het onderzoek ten behoeve van een bestuurlijke boete.1
Twijfel over wettelijke grondslag boeteonderzoek
Enige verwarring of twijfel over de wettelijke grondslag van het fiscaal boeteonderzoek wordt opgeroepen door de uitspraak van de HR van 22 juni 2007, nr. 42 013. Daarin had de belanghebbende enkel bezwaar gemaakt tegen aan hem opgelegde boetebeschikkingen wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangifte.2 Betreffende de verplichting van de belanghebbende om op vragen van de inspecteur in de bezwaarfase te antwoorden, oordeelt de raad dat die vragen werden gesteld met het oog op de beoordeling of de door belanghebbende tegen de boetebeschikking ingediende bezwaren konden leiden tot het herroepen van die beschikkingen. Daarmee was, nu de inspecteur niet in andere zin deed blijken – art. 47 AWR geldt hier volgens de HR niet –, het vrijwillige karakter van de beantwoording van de vragen gegeven en mocht de inspecteur de antwoorden bij zijn beslissing op de bezwaren betrekken.
In zijn noot onder de uitspraak geeft De Bont aan dat hij dit zo begrijpt, dat onder belastingheffing niet de boeteoplegging kan worden verstaan. In dat geval zou art. 67j AWR (oud) volgens de auteur echter een zinloze regel bevatten. Als art. 47 en 53 van de AWR niet van toepassing zijn en de uitzonderingsregel in art. 1, lid 4 AWR3 evenmin opgeld doet, zou de inspecteur bij een zuivere boeteprocedure een beroep kunnen doen op de toezichtsbevoegdheden in afdeling 5.2 Awb. Dat zou betekenen dat er toch een spreekplicht bestaat. Naar zijn overtuiging is dit nimmer de bedoeling van de wetgever geweest. Die is ervan uitgegaan dat art. 47 en 53 AWR gewoon van toepassing zouden zijn in ‘zuivere’ boeteprocedures.