Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/1.1
1.1 Remedies in het privaatrecht
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657419:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de Nederlandse literatuur wordt ook wel van ‘sancties’ (Van Nispen 2018) en ‘rechtsvorderingen’ (Deurvorst, in: Groene Serie Onrechtmatige Daad, § II.1.1; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/151) gesproken. In deze dissertatie zal steeds gebruik gemaakt worden van de in zwang geraakte term ‘remedie’ (zie Van der Helm 2019, p. 2; Castermans & Krans 2019, p. 89; Schelhaas 2017, p. 28, 84; Keirse 2012, p. 77; Van Boom 2006, p. 7). Nadere theoretische onderbouwing van die term volgt in Hoofdstuk 2.
Art. 6:265 jo. 267 BW.
Artt. 3:296 (bevel) en 6:103 (schadevergoeding in natura) BW.
Artt. 6:74, 6:162 en 6:172 e.v. jo. 6:95 e.v. (schadevergoeding) en 6:104 (winstafdracht) BW.
Artt. 3:300 en 3:301 BW.
Art. 3:302 BW.
Art. 3:299 BW.
Er zijn wel studies naar de verschillende remedies an sich – zoals de proefschriften over de schadevergoeding (Bloembergen 1965), het rechterlijk bevel (Van Nispen 1978) en de verklaring voor recht (Groeneveld-Tijssens 2015) – maar de aandacht voor het gebied als geheel is beperkt tot een monografie over sancties (Van Nispen 2018).
Windscheid 1856, p. 3; Endemann 1925, p. 81; Maitland 1929, p. 296; Van Nispen 2018, p. 1; Smith 2019, p. 43.
Metzger 1997, p. 208-209. In de Instituten van Justinianus lezen we: Actio autem nihil aliud est, quam ius persequendi iudicio quod sibi debetur (zie Inst. 4, 6 pr.), vrij vertaald: een actie is niets anders dan het recht in rechte op te eisen wat hem toekomt. Daarbij moet worden bedacht dat de Romeinse jurist het ius persequendi iudicio (het recht in rechte op te eisen) niet ziet als het abstracte, subjectieve recht, waarmee wij nu bekend zijn, maar uitsluitend als de juridische mogelijkheid de gedaagde te laten veroordelen of bepaald gedrag door de rechter goed te laten keuren. Zie daarover Bezemer 2015, p. 432.
Daarbij moet worden opgemerkt dat ook in die oude systemen op enig moment wel de idee ontstond dat de procedurele aanspraak slechts een verwezenlijking van een reeds daarbuiten bestaande aanspraak was (zie Bezemer 2015, p. 424; Metzger 1997, p. 215-216; Smith 2019, p. 42), maar vanwege de opzet van die systemen was het zo dat wie sprak over een ‘recht’ daarmee logischerwijs ook sprak over de procedurele verwezenlijking daarvan.
Waar dat punt precies ligt, is niet geheel duidelijk. Schrage constateert reeds in de Middeleeuwen een verschuiving in redeneertrant (Schrage 1977, p. 30) al concludeert hij uiteindelijk dat de Middeleeuwse jurist toch de Digesten bleef interpreteren en bleef denken in termen van actiones (Schrage 1977, p. 70). Bezemer meent dat De Revigny in de dertiende eeuw naast de actio een ius zag, zie Bezemer 2015, p. 432.
Het huidige BW omschrijft het eigendomsrecht in art. 5:1 BW en de daaraan verbonden rechtsvordering in art. 5:2 BW. Zie daarover Van Es 2005, p. 189. Zie evenwel ook Meijers, die art. 5:2 BW nadrukkelijk als een species van het algemene art. 3:296 BW presenteert, zie TM, Parl. Gesch. Boek 5, p. 71.
Schrage stelt terecht de vraag of het uitmaakt dat het denken in acties heeft plaatsgemaakt voor het denken in subjectieve rechten (Schrage 1977, p. 70). Het feit dat in de 20e eeuw verschillende remedies voor onrechtmatige daden tot wasdom zijn gekomen, suggereert van wel.
HR 13 november 1914, ECLI:NL:HR:1914:27, NJ 1915/98, m.nt. E.M.M (Kieft/Otjes); HR 18 maart 1932, ECLI:NL:HR:1932:176, NJ 1932, p. 1329, m.nt. P. Scholten (Van Dijk/Knippen); en de invoering van art. 6:104 BW, VV II Inv., Parl. Gesch. Inv. Boek 6, p. 1266. Bij die laatste verdient opmerking dat art. 634 BW (oud) de eigenaar wel het recht gaf de zakelijke vruchten op te eisen van een bezitter te kwader trouw, maar die remedie was ook weer geformuleerd als materieel recht en – belangrijker – beperkt tot bepaald geval.
Zie nog altijd de formulering van bijvoorbeeld de artt. 5:2 (revindicatie), 6:162 (schadevergoeding wegens onrechtmatige daad), 3:121 (de vordering tot afgifte van vruchten door de bezitter te kwader trouw) en 5:44 (het recht op eigenrichting met betrekking tot overhangende takken en ondergroeiende wortels) BW.
Het bevel (art. 3:296 BW), de schadevergoeding in natura (art. 6:103 BW) en de winstafdracht (art. 6:104 BW) zijn daar het duidelijkste voorbeeld van. De schadevergoeding vindt haar basis nog altijd in materieelrechtelijke artikelen zoals de artt. 6:74, 6:162 en 6:171 e.v. BW, maar zij is dan wel weer nadrukkelijk uitgewerkt in een eigen Afdeling 6.1.10 BW.
Zelfs als over de keuze voor een bepaalde remedie geen discussie bestaat, is deze knip waar te nemen. Het beste voorbeeld daarvan is het onderscheid tussen de vaststellingsfase en de omvangsfase bij de beoordeling van een vordering tot schadevergoeding. Zie voor de uitleg van die knip bijv. Asser/Sieburgh 6-II 2021/50.
De privaatrechtelijke remedie is een instrument dat iemand kan inzetten in reactie op dreigend of reeds voorgevallen onrecht.1 Sommige remedies kunnen door de gerechtigde zelf en zonder tussenkomst van een rechter worden ingezet, zoals de buitengerechtelijke vernietiging,2 de buitengerechtelijke ontbinding van een overeenkomst3 of de eigenmachtige verwijdering van overhangende takken of ondergroeiende wortels.4 Andere remedies eisen rechterlijke tussenkomst. Vaak gaat het dan om een veroordeling van de gedaagde om bepaald gedrag te verrichten, zoals bij het bevel en de schadevergoeding in natura,5 of om een bepaald bedrag af te dragen, zoals bij de schadevergoeding in geld en de winstafdracht.6 In andere gevallen speelt de rechter zelf een rol, door zijn vonnis in de plaats van een rechtshandeling te laten treden7 of simpelweg uit te spreken wat rechtens is.8 In uitzonderlijke gevallen kan de rechter de eiser machtigen zelf zijn recht te halen.9 Zonder vooruit te lopen op de precieze definitie en duiding van de aard van ‘de remedie’ – ik kom daar in hoofdstuk 2 op terug – is in ieder geval duidelijk dat deze diffuse verzameling aan juridische instrumenten in belangrijke mate bepaalt wat partijen in rechte voor elkaar kunnen krijgen.
Ondanks het praktische belang van de remedie, is de aandacht voor het remedierecht als rechtsgebied beperkt.10 Anders dan in het Romeinsrechtelijke actiënstelsel en in de vroege common law staat de remedie in ons huidige juridisch denkkader niet centraal. Waar in die systemen de vraag vooral was of de feiten aanleiding gaven tot een actie van A jegens B, is bij ons de voorvraag of B inbreuk heeft gemaakt op een recht van A of een jegens A verschuldigde plicht heeft geschonden.11 Waar in die systemen ‘recht’ en ‘remedie’ elkaars praktische gelijke waren,12 staan die twee in de moderne benadering steeds vaker los van elkaar.13
Die loskoppeling begon met de verschuiving van de aandacht van de actie naar het subjectieve recht.14 Soms gaat dat vooral om een verschil in benadering. Zowel in het BW van 1838 als in dat van 1992 worden vorderingen als de revindicatie en de vordering tot schadevergoeding weergegeven als onderdeel van een materieelrechtelijk recht (de eigenaar heeft het recht zijn zaak terug te vorderen) of als materieelrechtelijke plicht (degene door wiens schuld schade is ontstaan, is verplicht deze te vergoeden).15 In die benadering staan vordering en recht nog steeds nauw met elkaar in verband. Wel komen recht en rechtsvordering los van elkaar te staan.16 Die verandering van denken is niet te onderschatten. Waar men in een actieënstelsel uitsluitend dacht aan wat men bij de rechter kan verwezenlijken, wordt in de moderne benadering meer aandacht besteed aan wat men in meer algemene zin aan elkaar verschuldigd is en van elkaar mag verwachten. En met die verschuiving van aandacht ontstaat ruimte na te denken over het instellen van verschillende vorderingen op grond van dezelfde grondslag.17 Waarom, immers, zou een rechtsschending zich altijd moeten oplossen in schadevergoeding?
In de loop van de 20e eeuw werd het met de ontwikkeling van remedies als het rechterlijk bevel, de schadevergoeding in natura en de winstafdracht mogelijk om op verschillende manieren op te komen tegen dreigende en reeds gepleegde rechtsschendingen.18 Deze remedies werden niet direct verbonden aan een specifieke normschending en werden vaak gepresenteerd als ‘sanctie.’ Hoewel sommige vorderingen in het BW van 1992 nog altijd worden gepresenteerd als een directe plicht tot handelen, zodat deze remedies nog veel weghebben van de oude acties,19 heeft een aantal aansprakelijkheidsrechtelijke remedies een eigen plek gekregen, nadrukkelijk náást de materieelrechtelijke grondslag.20 Resultaat van deze ontwikkeling is dat in het aansprakelijkheidsrecht een knip is ontstaan tussen de vaststelling van een onregelmatigheid en de procedurele reactie daarop. Eerst wordt in een materieelrechtelijke analyse nagegaan of sprake is van een wanprestatie of onrechtmatige daad (hierna: normschending), pas daarna wordt bekeken of en in hoeverre de ‘remedie’ ook voor toewijzing in aanmerking komt. De normschending zou gezien kunnen worden als niet meer dan een voorwaarde voor het openen van het arsenaal aan remedies: een sluis die men doormoet om vervolgens vrijelijk naar oplossingen te kunnen zoeken. Een reden om te bepalen welke remedie in welke vorm moet worden toegewezen lijkt de normschending echter niet te geven.21
Gevolg van deze ‘losgekoppelde’ of ‘disjunctieve’ benadering is dat vooraf lang niet altijd duidelijk is welke remedie in een bepaald geval en in welke omvang passend is. En, als dan een bepaalde remedie wordt gekozen, is achteraf niet altijd goed uit te leggen waarom juist deze remedie moest worden opgelegd. Ik licht die problemen en de daarbij horende vraagstelling toe (§ 1.2), waarna ik uiteenzet hoe ik die vraag in de rest van deze dissertatie denk te beantwoorden (§ 1.3).