Procestaal: Frans.
HvJ EU, 20-03-2025, nr. C-763/22
ECLI:EU:C:2025:199
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
20-03-2025
- Magistraten
K. Jürimäe, K. Lenaerts, N. Jääskinen, M. Gavalec, N. Piçarra
- Zaaknummer
C-763/22
- Conclusie
N. Emiliou
- Roepnaam
Procureur de la République () en d’une demande d’extradition)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:199, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 20‑03‑2025
ECLI:EU:C:2024:707, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 05‑09‑2024
Uitspraak 20‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Justitiële samenwerking in strafzaken — Europees aanhoudingsbevel — Kaderbesluit 2002/584/JBZ — Samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek van een derde land — Artikel 16, lid 3 — Begrip ‘bevoegde autoriteit’ — Nationale regeling waarbij een orgaan van de uitvoerende macht de bevoegdheid wordt verleend om in geval van samenloop te beslissen of voorrang moet worden gegeven aan het Europees aanhoudingsbevel dan wel aan het uitleveringsverzoek — Recht op beroep
K. Jürimäe, K. Lenaerts, N. Jääskinen, M. Gavalec, N. Piçarra
Partij(en)
In zaak C-763/22,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de tribunal judiciaire de Marseille (rechter in eerste aanleg Marseille, Frankrijk) bij beslissing van 14 december 2022, ingekomen bij het Hof op 16 december 2022, in de strafprocedure tegen
OP
in tegenwoordigheid van:
Procureur de la République,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Derde kamer, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Derde kamer, N. Jääskinen, M. Gavalec en N. Piçarra, rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: M. Krausenböck, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 28 november 2023,
gelet op de opmerkingen van:
- —
OP, vertegenwoordigd door P. Ohayon, avocat,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Bénard, B. Dourthe, B. Fodda en E. Timmermans als gemachtigden,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis als gemachtigde,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. M. Hoogveld als gemachtigde,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en J. Sawicka als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid en J. Hottiaux als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 september 2024,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: ‘kaderbesluit 2002/584’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak die in Frankrijk is ingesteld tegen OP, een Frans onderdaan, die ervan wordt beschuldigd tussen 2010 en 2012 materiaal voor het namaken van betaalkaarten te hebben verworven en in bezit te hebben, en te hebben deelgenomen aan een criminele organisatie met het oog op het namaken van betaalkaarten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 5, 7 en 8 van kaderbesluit 2002/584 vermelden:
- ‘(5)
De opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te worden, brengt mee dat uitlevering tussen de lidstaten moet worden afgeschaft en vervangen door een regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten. Met de invoering van een nieuwe en vereenvoudigde regeling van overlevering van veroordeelde of verdachte personen ter fine van tenuitvoerlegging van strafrechterlijke beslissingen en vervolging kan tevens een oplossing worden gevonden voor de complexiteit en het tijdverlies die inherent zijn aan de huidige uitleveringsprocedures. De klassieke samenwerking die tot dusverre in de betrekkingen tussen de lidstaten overheerste, moet worden vervangen door een vrij verkeer van beslissingen in strafzaken, zowel in de onderzoeks- als in de berechtingsfase, in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.
[…]
- (7)
Daar de beoogde vervanging van het multilaterale uitleveringsstelsel, gebaseerd op het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 niet voldoende door de lidstaten op unilaterale wijze kan worden verwezenlijkt en derhalve wegens de dimensie en effecten ervan beter op het niveau van de Unie haar beslag kan krijgen, kan de Raad overeenkomstig het in artikel 2 [VEU] en in artikel 5 [EG] neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, zoals in laatstgenoemd artikel neergelegd, gaat dit kaderbesluit niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.
- (8)
Beslissingen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel mogen pas worden genomen na een toereikende controle, hetgeen betekent dat een rechterlijke autoriteit van de lidstaat waar de gezochte persoon is aangehouden, dient te beslissen of deze al dan niet wordt overgeleverd.’
4
Artikel 1 van dat kaderbesluit heeft als opschrift ‘Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel’ en luidt als volgt:
- ‘1.
Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.
- 2.
De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.
- 3.
Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 [VEU], wordt aangetast.’
5
Artikel 16 van dit kaderbesluit heeft als opschrift ‘Beslissing in geval van samenloop van verzoeken’ en bepaalt:
- ‘1.
Indien twee of meer lidstaten ten aanzien van eenzelfde persoon een Europees aanhoudingsbevel hebben uitgevaardigd, houdt de uitvoerende rechterlijke autoriteit bij het nemen van haar beslissing over welk van deze aanhoudingsbevelen ten uitvoer zal worden gelegd, rekening met alle omstandigheden en met name met de ernst van de strafbare feiten en de plaats waar ze zijn gepleegd, met de data van de onderscheiden Europese aanhoudingsbevelen alsmede met het feit dat het bevel is uitgevaardigd ter fine van een strafvervolging of voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.
[…]
- 3.
In geval van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek van een derde land, houdt de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat bij het nemen van haar beslissing of aan het Europees aanhoudingsbevel dan wel aan het verzoek om uitlevering voorrang wordt gegeven, rekening met alle omstandigheden, met name die bedoeld in lid 1 alsmede die bedoeld in het toepasselijke verdrag.
[…]’
6
Artikel 28 van dat kaderbesluit heeft als opschrift ‘Verdere overlevering of uitlevering’ en luidt als volgt:
- ‘1.
Elke lidstaat kan het secretariaat-generaal van de Raad ervan in kennis stellen dat in zijn betrekkingen met andere lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben verricht de toestemming voor de overlevering aan een andere lidstaat dan de uitvoerende lidstaat op grond van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd wegens enig vóór de overlevering begaan feit geacht wordt te zijn gegeven, tenzij de uitvoerende rechterlijke autoriteit in een specifiek geval in haar beslissing tot overlevering anders beschikt.
- 2.
Een persoon die op grond van een Europees aanhoudingsbevel aan de uitvaardigende lidstaat is overgeleverd kan hoe dan ook, zonder toestemming van de uitvoerende lidstaat, in de volgende gevallen aan een andere lidstaat dan de uitvoerende staat worden overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd wegens enig vóór de overlevering gepleegd feit:
- a)
indien de gezochte persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de lidstaat waaraan hij was overgeleverd, heeft verlaten, of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarnaar is teruggekeerd;
- b)
indien de gezochte persoon instemt met overlevering aan een andere lidstaat dan de uitvoerende lidstaat krachtens een Europees aanhoudingsbevel. De toestemming wordt door betrokkene gegeven ten overstaan van de bevoegde rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat en opgetekend in een proces-verbaal overeenkomstig het nationale recht van die staat. De toestemming wordt verkregen onder omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkene uit vrije wil handelt en zich volledig bewust is van de gevolgen. De gezochte persoon heeft te dien einde het recht zich door een raadsman te doen bijstaan;
- c)
indien de gezochte persoon, overeenkomstig artikel 27, lid 3, onder a), e), f) en g), niet de bescherming van het specialiteitsbeginsel geniet.
- 3.
De uitvoerende rechterlijke autoriteit stemt overeenkomstig de volgende regels toe in de overlevering aan een andere lidstaat:
- a)
het verzoek tot toestemming wordt ingediend overeenkomstig artikel 9, vergezeld van de gegevens bedoeld in artikel 8, lid 1, en van een vertaling als bedoeld in artikel 8, lid 2;
- b)
de toestemming wordt gegeven indien het strafbaar feit waarvoor zij verzocht wordt op zichzelf de verplichting tot overlevering overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit meebrengt;
- c)
de beslissing wordt uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek genomen;
- d)
de toestemming wordt geweigerd op de in artikel 3 genoemde gronden en kan in de overige gevallen alleen op de in artikel 4 genoemde gronden worden geweigerd.
Voor de in artikel 5 bedoelde situaties dient de uitvaardigende lidstaat de daarin bedoelde garanties te geven.
- 4.
Onverminderd lid 1 wordt een persoon die op grond van een Europees aanhoudingsbevel is overgeleverd, niet aan een derde staat uitgeleverd zonder toestemming van de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de gezochte persoon heeft overgeleverd. De toestemming wordt gegeven overeenkomstig de verdragen waardoor de lidstaat die de gezochte persoon heeft overgeleverd gebonden is, en overeenkomstig zijn interne wetgeving.’
Spaans recht
7
Artikel 57, lid 2, van Ley 23/2014 de reconocimiento mutuo de resoluciones penales en la Unión Europea (wet 23/2014 betreffende de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken in de Europese Unie) van 20 november 2014 (BOE nr. 282 van 21 november 2014, blz. 1) bepaalt dat bij samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek van een derde staat, de Spaanse rechterlijke autoriteit de procedure schorst en alle documenten toezendt aan het ministerie van Justitie, dat op zijn beurt bij de ministerraad een voorstel indient voor een beslissing of voorrang moet worden gegeven aan het Europees aanhoudingsbevel dan wel aan het uitleveringsverzoek.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
8
OP, een Frans staatsburger, wordt vervolgd omdat hij in Frankrijk, Roemenië en Thailand tussen mei 2010 en januari 2012 betrokken was bij een criminele organisatie met als doel strafbare feiten te plegen in verband met namaak of vervalsing van betaalkaarten, materiaal voor het namaken of vervalsen van betaalkaarten, alsmede valse administratieve documenten heeft verworven en in bezit heeft gehad. Het gaat om feiten die strafbare feiten vormen waarop een gevangenisstraf van vijf jaar of meer staat.
9
Voor deze feiten is OP opgeroepen voor de strafkamer van de tribunal judiciaire de Marseille (rechter in eerste aanleg Marseille, Frankrijk), de verwijzende rechter in de onderhavige zaak. Toen hij in september 2021 zou worden berecht, heeft zijn advocaat deze rechter meegedeeld dat OP in Spanje was aangehouden en in bewaring was geplaatst in het kader van de uitvoering van een uitleveringsverzoek van de Zwitserse autoriteiten.
10
Naar aanleiding van het verzoek van OP om op zijn proces in Frankrijk te mogen verschijnen en van zijn verzet tegen uitlevering naar Zwitserland, heeft de verwijzende rechter op 3 juni 2022 besloten jegens hem een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen.
11
Bij beschikking van de Juzgado Central de Instrucción no 3 de Madrid (onderzoeksrechtbank nr. 3 Madrid, Spanje) van 2 september 2022 is de verwijzende rechter niettemin ervan in kennis gesteld dat de Spaanse ministerraad had besloten voorrang te geven aan het uitleveringsverzoek van de Zwitserse autoriteiten en dus geen gevolg te geven aan het Europees aanhoudingsbevel.
12
Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat artikel 57 van Spaanse wet 23/2014 bepaalt dat bij samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek van een derde staat, de Spaanse rechterlijke autoriteit de procedure moet schorsen en alle documenten aan het ministerie van Justitie moet toezenden. De beslissing aan welke van deze handelingen voorrang moet worden gegeven, komt toe aan de ministerraad, zonder dat daartegen beroep kan worden ingesteld.
13
Ter terechtzitting van 2 december 2022 voor de verwijzende rechter heeft de advocaat van OP deze rechter verzocht het Hof een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid van het Spaanse recht met de bepalingen van kaderbesluit 2002/584. Het openbaar ministerie was van mening dat een dergelijke vraag niet kon worden gesteld, aangezien de verwijzende rechter in het kader van het hoofdgeding geen rechtmatig belang had om een dergelijke vraag te stellen.
14
De verwijzende rechter deelt dit standpunt niet en merkt op dat de Spaanse regeling niet aan een rechterlijke autoriteit, maar aan een regeringsinstantie, in casu de ministerraad, de bevoegdheid heeft toegekend te beslissen of voorrang moet worden gegeven aan een Europees aanhoudingsbevel dan wel aan een uitleveringsverzoek van de autoriteiten van een derde land, in geval van samenloop van deze twee handelingen. Een dergelijke toekenning van bevoegdheid zou in strijd zijn met de artikelen 6 en 7 van kaderbesluit 2002/584, die uitsluitend verwijzen naar de rechterlijke autoriteiten.
15
De bevoegdheid van de verwijzende rechter om OP te laten verschijnen en de rechtsgang voort te zetten hangt evenwel rechtstreeks af van de beslissing die de Spaanse autoriteiten in casu hebben genomen. Deze rechter heeft er dus een rechtmatig belang bij dat het Hof een prejudiciële vraag beantwoordt over de verenigbaarheid van het Spaanse recht met kaderbesluit 2002/584.
16
In deze omstandigheden heeft de tribunal judiciaire de Marseille de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
‘Staat [kaderbesluit 2002/584] eraan in de weg dat de bevoegdheid om te beslissen over de vraag of een Europees aanhoudingsbevel dan wel een daarmee samenlopend uitleveringsverzoek van een derde land ten uitvoer moet worden gelegd, door de wetgeving van een lidstaat wordt toegekend aan een regeringsorgaan, zonder dat in een beroepsmogelijkheid is voorzien?’
Ontvankelijkheid
17
De Spaanse regering voert aan dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is. Deze regering is van mening dat de verwijzende rechter, in strijd met de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, niet aangeeft op welke Spaanse rechterlijke beslissingen en regeringsbeslissingen een antwoord op de prejudiciële vraag van invloed kan zijn en ook niet aangeeft over welke bepalingen van kaderbesluit 2002/584 hij vragen stelt. Voorts is de prejudiciële vraag volgens die regering hypothetisch. Een antwoord op deze vraag kan namelijk niet bijdragen tot de beslechting van het hoofdgeding, aangezien die vraag betrekking heeft op de verenigbaarheid van een Spaans procedureel mechanisme met dat kaderbesluit.
18
Wat in de eerste plaats de stelling betreft dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet voldoet aan de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering, blijkt duidelijk uit dit verzoek dat de verwijzende rechter in wezen twijfels uit over de verenigbaarheid van artikel 57, lid 2, van Spaanse wet 23/2014 met artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584. Ook verwijst deze rechter naar een beslissing van de Spaanse ministerraad waarbij voorrang is gegeven aan het door de Zwitserse autoriteiten jegens OP uitgevaardigde uitleveringsverzoek, welke beslissing is vermeld in de beschikking die de Juzgado Central de Instrucción no 3 de Madrid aan de verwijzende rechter heeft toegezonden naar aanleiding van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel tegen OP.
19
Hieruit volgt dat de verwijzende rechter het juridische en feitelijke kader van zijn verzoek om uitlegging voldoende heeft omschreven om het Hof in staat te stellen de strekking van de gestelde vraag te begrijpen en hem een nuttig antwoord te geven, terwijl hij de regeringen van de lidstaten en de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden in staat heeft gesteld hun recht uit te oefenen om schriftelijke opmerkingen in te dienen, welk recht het Hof dient te waarborgen (zie in die zin arrest van 28 november 2023, Gemeente Ans, C-148/22, EU:C:2023:924, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20
Wat in de tweede plaats de stelling betreft dat de aan het Hof voorgelegde vraag hypothetisch is, moet in herinnering worden gebracht dat het volgens vaste rechtspraak, in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, uitsluitend een zaak is van de nationale rechter bij wie het hoofdgeding aanhangig is en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C-158/21, EU:C:2023:57, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21
Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C-158/21, EU:C:2023:57, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22
Zoals de advocaat-generaal in de punten 25 en 26 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan de rechterlijke instantie van de uitvaardigende lidstaat in het kader van het bij kaderbesluit 2002/584 ingevoerde samenwerkingsstelsel behoefte hebben aan verduidelijking over de verenigbaarheid met het Unierecht van de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel in de uitvoerende lidstaat. Dit is met name het geval wanneer de gevraagde uitlegging van dit kaderbesluit de betrokken verwijzende rechter in staat stelt de juiste handelwijze te bepalen bij het uitvaardigen of intrekken van een bepaald Europees aanhoudingsbevel of het uitvaardigen van een nieuw Europees aanhoudingsbevel indien de tenuitvoerlegging van een eerder Europees aanhoudingsbevel was geweigerd (arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C-158/21, EU:C:2023:57, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23
In casu moet een antwoord van het Hof op de prejudiciële vraag de verwijzende rechter in staat stellen met kennis van zaken te handelen en, in voorkomend geval, het aan de Spaanse rechterlijke instanties toegezonden Europees aanhoudingsbevel in te trekken.
24
In die omstandigheden kan de prejudiciële vraag niet als hypothetisch worden beschouwd. Het verzoek om een prejudiciële beslissing moet dus ontvankelijk worden verklaard.
Afdoening zonder beslissing
25
Ter terechtzitting voor het Hof heeft de advocaat van OP verklaard dat OP door het Koninkrijk Spanje aan Zwitserland was uitgeleverd en zich dus niet meer op het Spaanse grondgebied bevond. Volgens de Europese Commissie is het verzoek om een prejudiciële beslissing dus zonder voorwerp geraakt en moet de zaak zonder beslissing worden afgedaan.
26
Evenwel heeft de Spaanse regering de informatie over de uitlevering van OP niet bevestigd, hoewel zij ter terechtzitting voor het Hof specifiek op dit punt is ondervraagd. Voorts heeft de verwijzende rechter het Hof overeenkomstig punt 26 van de aanbevelingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB 2019, C 380, blz. 1) niet in kennis gesteld van een wijziging van omstandigheden die een weerslag kan hebben op de aanhangigheid van de zaak bij deze nationale instantie, en heeft hij ook niet zijn verzoek om een prejudiciële beslissing ingetrokken. In die omstandigheden dient het geding niet zonder beslissing te worden afgedaan.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
27
Met zijn enige vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat een orgaan van de uitvoerende macht in geval van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek kan beslissen over de aan een van deze handelingen te geven voorrang, en dat tegen een dergelijke beslissing in voorkomend geval beroep in rechte moet kunnen worden ingesteld.
28
Volgens artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 houdt, in geval van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek van een derde land, de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat bij het nemen van haar beslissing of aan het Europees aanhoudingsbevel dan wel aan het verzoek om uitlevering voorrang wordt gegeven, rekening met alle omstandigheden, met name die bedoeld in lid 1 alsmede die bedoeld in het toepasselijke verdrag.
29
In de eerste plaats moet worden bepaald of een orgaan van de uitvoerende macht onder het begrip ‘bevoegde autoriteit’ in de zin van die bepaling kan vallen.
30
Om te beginnen blijkt uit de bewoordingen van die bepaling dat in geval van samenloop de beslissing of voorrang moet worden gegeven aan het Europees aanhoudingsbevel dan wel aan het uitleveringsverzoek, wordt genomen door de ‘bevoegde autoriteit’ van de uitvoerende lidstaat. Dit begrip kan in beginsel elke nationale autoriteit omvatten, met inbegrip van een orgaan van de uitvoerende macht.
31
Wat vervolgens de context van artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 betreft, moet worden opgemerkt dat in geval van samenloop van Europese aanhoudingsbevelen die door verschillende lidstaten tegen dezelfde persoon zijn uitgevaardigd, lid 1 van dat artikel 16 de ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ de bevoegdheid verleent om te beslissen welke van deze bevelen ten uitvoer moet worden gelegd. Daarentegen bepaalt artikel 16, lid 3, dat het aan de ‘bevoegde autoriteit’ en niet aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit staat om, in geval van samenloop, te beslissen of voorrang moet worden gegeven aan het Europees aanhoudingsbevel dan wel aan het uitleveringsverzoek. Hieruit volgt dat de begrippen ‘rechterlijke autoriteit’ en ‘bevoegde autoriteit’ in het kader van dit artikel niet kunnen worden gelijkgesteld.
32
Tevens moet worden opgemerkt dat met dit onderscheid dezelfde logica wordt gevolgd als in artikel 28 van kaderbesluit 2002/584, dat betrekking heeft op gevallen van verdere overlevering of uitlevering, na de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. De leden 1 tot en met 3 van dit artikel bepalen immers onder welke voorwaarden de persoon die op grond van een dergelijk bevel aan de uitvaardigende lidstaat is overgeleverd, aan een andere lidstaat dan de uitvoerende lidstaat kan worden overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd wegens een vóór de initiële overlevering begaan feit. In dat kader wordt de verdere overlevering in artikel 28, lid 3, in beginsel afhankelijk gesteld van de toestemming van de rechterlijke autoriteit die het eerste Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer legt.
33
Artikel 28, lid 4, van kaderbesluit 2002/584, dat meer specifiek betrekking heeft op het geval van een verdere uitlevering, bepaalt daarentegen dat een persoon die op grond van een Europees aanhoudingsbevel is overgeleverd, niet aan een derde staat kan worden uitgeleverd zonder toestemming van de ‘bevoegde autoriteit’ van de uitvoerende lidstaat.
34
Net als artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 verleent artikel 28, lid 4, van dit kaderbesluit een beslissingsbevoegdheid aan een ‘bevoegde autoriteit’ wanneer de beslissing in kwestie betrekking heeft op een uitleveringsverzoek, en niet aan de betrokken rechterlijke autoriteit, zoals in situaties waarin het louter gaat over een of meer Europese aanhoudingsbevelen. Dit begrip ‘bevoegde autoriteit’ is de uitdrukking van de aan de lidstaten gelaten handelingsmarge om aan te geven welke autoriteit beslissingen over een uitleveringsverzoek moet nemen.
35
Ten slotte vindt een dergelijke uitlegging van artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 steun in de doelstellingen van dit kaderbesluit.
36
Het onderscheid dat in kaderbesluit 2002/584 wordt gemaakt tussen het begrip ‘rechterlijke autoriteit’ en het begrip ‘bevoegde autoriteit’ wordt verklaard door het feit dat dit kaderbesluit, zoals blijkt uit de overwegingen 5 en 8 ervan, met name beoogt een vereenvoudigde procedure in te voeren voor situaties die uitsluitend betrekking hebben op de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd in het kader van de bij dat kaderbesluit ingestelde justitiële samenwerking binnen de Unie, en niet om uitleveringsprocedures te harmoniseren.
37
Kaderbesluit 2002/584 vereist weliswaar dat de procedure van overlevering tussen de lidstaten door de rechterlijke autoriteiten van deze staten wordt uitgevoerd, maar uitleveringsverzoeken kunnen binnen de lidstaten onder de bevoegdheid vallen van andere autoriteiten, met name organen van de uitvoerende macht.
38
Door dit begrip te hanteren, heeft de Uniewetgever dus rekening willen houden met de specifieke kenmerken van uitleveringsprocedures, die fundamenteel verschillen van de bij kaderbesluit 2002/584 ingevoerde regeling van overlevering. Uitleveringsprocedures, die met name worden geregeld in internationale overeenkomsten, berusten namelijk op het beginsel van wederkerigheid tussen de betrokken staten en houden politieke en diplomatieke overwegingen in. Kaderbesluit 2002/584 heeft daarentegen tot doel, zoals met name blijkt uit artikel 1, leden 1 en 2, en de overwegingen 5 en 7 ervan, het multilaterale uitleveringssysteem tussen de lidstaten te vervangen door een op het beginsel van wederzijdse erkenning gebaseerde regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten van veroordeelde of verdachte personen met het oog op tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen of vervolging [arrest van 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte), C-510/19, EU:C:2020:953, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
39
In geval van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek kan de beslissing over de aan een van beide te geven voorrang, niet noodzakelijkerwijs uitsluitend binnen een stelsel van justitiële samenwerking worden genomen. Kaderbesluit 2002/584 biedt de lidstaten dus de mogelijkheid om aan de op het gebied van uitlevering bevoegde autoriteit de bevoegdheid toe te kennen om te beslissen over de in artikel 16, lid 3, van dit kaderbesluit bedoelde voorrang.
40
Zoals de advocaat-generaal in punt 68 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft de Uniewetgever, door de lidstaten een ruime handelingsmarge te laten bij de aanwijzing van de autoriteit die bij samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek moet beslissen over de aan een van beide te geven voorrang, rekening gehouden met het feit dat een dergelijke beslissing, afhankelijk van de specifieke kenmerken van de nationale stelsels, kan berusten op overwegingen die niet uitsluitend gerechtelijk van aard zijn.
41
In dit verband bepaalt artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 dat de bevoegde autoriteit bij haar beslissing over de voorrang rekening houdt met alle specifieke omstandigheden, met name die bedoeld in lid 1 van deze bepaling, te weten de ernst van de strafbare feiten en de plaats waar zij zijn gepleegd, de respectieve datums van het Europees aanhoudingsbevel en het uitleveringsverzoek, alsmede de omstandigheden die zijn bedoeld in de verdragen die van toepassing zijn op het uitleveringsverzoek in kwestie. Met de verwijzing naar zowel de in lid 1 genoemde criteria voor het geval van samenloop van Europese aanhoudingsbevelen als de criteria van de verdragen die van toepassing zijn op uitleveringsverzoeken, wordt in deze bepaling de keuze van de Uniewetgever bevestigd om rekening te houden met het feit dat de beslissing over de voorrang kan worden genomen door een orgaan van de uitvoerende macht, aangezien dit orgaan zich kan baseren op overwegingen waarvan de logica niet uitsluitend gerechtelijk van aard is.
42
Bijgevolg moet artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 aldus worden uitgelegd dat een orgaan van de uitvoerende macht in geval van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek bevoegd kan zijn om te beslissen over de aan een van beide handelingen te geven voorrang.
43
In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of tegen de in artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde beslissing over de voorrang beroep in rechte moet kunnen worden ingesteld.
44
Benadrukt zij dat deze bepaling niet uitputtend regelt hoe moet worden omgegaan met gevallen van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek. Zij preciseert enkel bepaalde procedurele aspecten van de beslissing over de aan een van deze twee handelingen te geven voorrang, en laat de keuze van de vorm van die beslissing of het tijdstip waarop deze moet worden genomen, aan de lidstaten.
45
In dit verband geeft die bepaling aan dat de bevoegde autoriteit rekening moet houden met alle specifieke omstandigheden, waaronder die welke in punt 41 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht. Hieruit volgt dat deze autoriteit weliswaar over een beoordelingsmarge beschikt wanneer zij beslist over de voorrang, maar dat dit niet wegneemt dat die autoriteit zich niet kan onttrekken aan de verplichting rekening te houden met de belangen van de betrokkene.
46
Gelet op het recht van de persoon op wie de beslissing over de voorrang betrekking heeft om niet te worden onderworpen aan een beslissing die met miskenning van deze beoordelingsmarge is genomen, volgt uit artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) dat de lidstaten deze persoon de mogelijkheid moeten bieden van een doeltreffend beroep in rechte waarmee kan worden gewaarborgd dat de in het vorige punt van dit arrest genoemde vereisten worden nageleefd.
47
Bij gebreke van nadere gegevens over de procedureregels voor, ten eerste, de vaststelling van de beslissing over de voorrang en, ten tweede, een dergelijk beroep in rechte, is het krachtens het beginsel van de procedurele autonomie een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de procedureregels vast te stellen voor dat beroep in rechte en, meer in het algemeen, om de procedureregels vast te stellen die de situaties van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek moeten regelen.
48
Op grond van dit beginsel behouden de lidstaten weliswaar de mogelijkheid om in dat verband regels vast te stellen die per lidstaat kunnen verschillen, maar zij moeten er wel op letten dat deze regels de vereisten van kaderbesluit 2002/584 niet doorkruisen [zie in die zin arrest van 26 oktober 2021, Openbaar Ministerie (Recht om te worden gehoord door de uitvoerende rechterlijke autoriteit), C-428/21 PPU en C-429/21 PPU, EU:C:2021:876, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
49
In dit verband zij eraan herinnerd dat dit kaderbesluit volgens artikel 1, lid 3, ervan niet tot gevolg kan hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 VEU, wordt aangetast.
50
In het bijzonder impliceert het door artikel 47, eerste alinea, van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffend beroep in rechte noodzakelijkerwijs dat deze toetsing plaatsvindt vóór de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel of het uitleveringsverzoek, en dat de rechterlijke autoriteit die bevoegd is om kennis te nemen van dat beroep, kan toetsen of bij de beslissing over de voorrang rekening is gehouden met alle relevante criteria waarnaar artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 verwijst.
51
Voorts moet het beroep in rechte dat betrekking heeft op de beslissing over de voorrang als bedoeld in artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, de betrokkene in staat stellen een eventuele schending van zijn in het Handvest verankerde fundamentele rechten en vrijheden aan te vechten.
52
Zoals de advocaat-generaal in punt 91 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan een dergelijke beslissing over de voorrang immers aanzienlijke invloed hebben op de rechtspositie van de betrokkene. Indien bijvoorbeeld voorrang zou worden gegeven aan het uitleveringsverzoek zonder dat tegen de beslissing over de voorrang beroep kan worden ingesteld, zou dit ertoe leiden dat wordt voorbijgegaan aan een mogelijk risico van schending van de in het Handvest verankerde fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, aangezien de uitleveringsprocedure in de overgrote meerderheid van de situaties niet onder het Unierecht valt.
53
In casu zij opgemerkt dat de Spaanse regering ter terechtzitting voor het Hof heeft uiteengezet dat tegen de door de ministerraad genomen beslissingen over de voorrang wel degelijk beroep kon worden ingesteld binnen de grenzen van de aan de ministerraad toegekende discretionaire bevoegdheid, en daarmee de door de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing uiteengezette premissen heeft weersproken.
54
Wat dit laatste betreft, beschikt de in artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde bevoegde autoriteit, zoals blijkt uit punt 45 van het onderhavige arrest, weliswaar over een beoordelingsmarge wanneer zij haar beslissing over de voorrang neemt, maar deze beoordelingsmarge wordt begrensd door de verplichting om rekening te houden met alle in die bepaling genoemde omstandigheden, zodat de bevoegde autoriteit de genomen beslissing moet motiveren om de betrokkene in staat te stellen zijn recht op beroep uit te oefenen. Uit vaste rechtspraak volgt immers dat de doeltreffendheid van het door artikel 47, eerste alinea, van het Handvest gewaarborgde beroep in rechte vereist dat de belanghebbende kennis kan nemen van de gronden waarop een jegens hem genomen besluit is gebaseerd [zie in die zin arrest van 25 april 2024, NW en PQ (Gerubriceerde informatie), C-420/22 en C-528/22, EU:C:2024:344, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
55
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat een orgaan van de uitvoerende macht in geval van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek kan beslissen over de aan een van deze handelingen te geven voorrang. Tegen een dergelijke beslissing moet een doeltreffend beroep in rechte openstaan onder de procedurele voorwaarden die de lidstaten moeten bepalen.
Kosten
56
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009,
moet aldus worden uitgelegd dat
een orgaan van de uitvoerende macht in geval van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek kan beslissen over de aan een van deze handelingen te geven voorrang. Tegen een dergelijke beslissing moet een doeltreffend beroep in rechte openstaan onder de procedurele voorwaarden die de lidstaten moeten bepalen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑03‑2025
Conclusie 05‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in strafzaken — Kaderbesluit 2002/584/JBZ — Europees aanhoudingsbevel en uitleveringsverzoek betreffende dezelfde persoon — Autoriteit die bevoegd is te beslissen welke van de twee voorrang heeft — Rechterlijke toetsing van die beslissing
N. Emiliou
Partij(en)
Zaak C-763/221.
Procureur de la République
tegen
OP
[verzoek van de tribunal judiciaire de Marseille (rechter in eerste aanleg Marseille, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Tegen OP — een Frans staatsburger — is strafrechtelijke vervolging ingesteld bij de tribunal judiciaire de Marseille (rechter in eerste aanleg Marseille, Frankrijk; hierna: ‘rechter te Marseille’ of ‘verwijzende rechter’). Hij zou bij die rechter terechtstaan voor verschillende misdrijven. Nadat de Zwitserse autoriteiten een verzoek tot zijn uitlevering hadden gedaan, is hij echter in Spanje gedetineerd.2.
2.
Teneinde zijn aanwezigheid in de Franse procedure te waarborgen heeft de Procureur de la République (Franse officier van justitie) een Europees aanhoudingsbevel (hierna: ‘EAB’) uitgevaardigd, dat aan de Spaanse autoriteiten was gericht. Geconfronteerd met die twee conflicterende verzoeken, heeft de Consejo de Ministros (raad van ministers, Spanje; hierna: ‘ministerraad’) besloten om voorrang te geven aan het Zwitserse uitleveringsverzoek (terwijl OP in Spanje in detentie bleef).
3.
In dat kader wenst de rechter te Marseille opheldering te verkrijgen over de voorwaarden waaronder de autoriteit van de uitvoerende lidstaat (in casu Spanje) kan beslissen of voorrang wordt gegeven aan een EAB dan wel aan een uitleveringsverzoek, en meer bepaald of een dergelijke beslissing door een regeringsorgaan kan worden genomen wanneer de beslissing van dat orgaan volgens de verwijzende rechter niet door een rechter kan worden getoetst.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
4.
Artikel 16 van kaderbesluit 2002/584/JBZ3. met als opschrift ‘Beslissing in geval van samenloop van verzoeken’ bepaalt het volgende:
- ‘1.
Indien twee of meer lidstaten ten aanzien van eenzelfde persoon een Europees aanhoudingsbevel hebben uitgevaardigd, houdt de uitvoerende rechterlijke autoriteit bij het nemen van haar beslissing over welk van deze aanhoudingsbevelen ten uitvoer zal worden gelegd, rekening met alle omstandigheden en met name met de ernst van de strafbare feiten en de plaats waar ze zijn gepleegd, met de data van de onderscheiden Europese aanhoudingsbevelen alsmede met het feit dat het bevel is uitgevaardigd ter fine van een strafvervolging of voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.
[…]
- 3.
In geval van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek van een derde land, houdt de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat bij het nemen van haar beslissing of aan het Europees aanhoudingsbevel dan wel aan het verzoek om uitlevering voorrang wordt gegeven, rekening met alle omstandigheden, met name die bedoeld in lid 1 alsmede die bedoeld in het toepasselijke verdrag.
[…]’
B. Spaans recht
5.
Artikel 57, lid 2, van Ley 23/2014 de reconocimiento mutuo de resoluciones penales en la Unión Europea (wet 23/2014 betreffende de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken in de Europese Unie; hierna: ‘wet 23/2014’) bepaalt in wezen, zoals in de verwijzingsbeslissing is beschreven en door de Spaanse regering nader is verduidelijkt, dat in geval van samenloop van een EAB en een uitleveringsverzoek van een derde land de Spaanse rechterlijke autoriteit de behandeling van de zaak moet schorsen en alle relevante documenten aan het ministerie van Justitie moet zenden. Het voorstel van de minister van Justitie voor een beslissing of voorrang moet worden gegeven aan het EAB dan wel aan het uitleveringsverzoek, rekening houdend met alle omstandigheden, met name die bedoeld in lid 14. en die bedoeld in het toepasselijke verdrag, moet bij de ministerraad worden ingediend.
III. Feiten, nationale procedure en prejudiciële vraag
6.
Aan OP zijn in Frankrijk meerdere misdrijven (zoals bezit van apparatuur voor het namaken van betaalkaarten en betrokkenheid bij een criminele organisatie in verband met het namaken van betaalkaarten) ten laste gelegd die in verschillende landen (Frankrijk, Roemenië en Thailand) zijn gepleegd.
7.
In september 2021 zou OP voor die misdrijven terechtstaan bij de rechter te Marseille. Zijn raadsman heeft die rechter echter medegedeeld dat OP in Spanje was aangehouden en gedetineerd nadat de Zwitserse autoriteiten zowel een bevel tot zijn aanhouding als een verzoek tot zijn uitlevering hadden uitgevaardigd.
8.
In juni 2022 heeft de raadsman van OP diezelfde rechter gemeld dat OP in Spanje in detentie bleef en niet aan Zwitserland wenste te worden uitgeleverd. In plaats daarvan wilde hij naar Frankrijk worden gerepatrieerd om in persoon te verschijnen en zich te verdedigen tegen hetgeen hem ten laste was gelegd.
9.
In die omstandigheden heeft de verwijzende rechter een bevel tot zijn aanhouding uitgevaardigd om hem te dwingen in Frankrijk terecht te staan. Op basis daarvan heeft de Franse officier van justitie een EAB uitgevaardigd met het oog op zijn overlevering door Spanje.
10.
Vervolgens heeft de verwijzende rechter er echter kennis van genomen dat de ministerraad had besloten om voorrang te geven aan het Zwitserse uitleveringsverzoek, terwijl OP in Spanje in detentie bleef.
11.
In december 2022 heeft de raadsman van OP verzocht dat de rechter te Marseille het Hof van Justitie een prejudiciële vraag zou stellen over de verenigbaarheid met kaderbesluit 2002/584 van een nationale regeling waarbij aan een regeringsorgaan de bevoegdheid wordt toegekend om in geval van samenloop van verzoeken tot overlevering/uitlevering te beslissen aan welk ervan voorrang moet worden gegeven.
12.
In dat verband merkt de verwijzende rechter op dat op grond van de nationale regeling in kwestie een regeringsorgaan — de ministerraad — in plaats van een rechterlijke autoriteit kan beslissen of voorrang wordt gegeven aan een EAB dan wel aan een uitleveringsverzoek van een derde land. Voor zover hij kan nagaan, lijkt er voorts geen rechtsmiddel open te staan om op te komen tegen de beslissing van de ministerraad. De verwijzende rechter twijfelt eraan of een dergelijke nationale regeling verenigbaar is met kaderbesluit 2002/584.
13.
De Franse officier van justitie was echter van mening dat de rechter te Marseille met het oog op de bij hem aanhangige zaak geen gerechtvaardigd belang had om het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid van de Spaanse wet met dat kaderbesluit.
14.
De verwijzende rechter deelt deze mening niet. Hij stelt in wezen dat hij er wel degelijk belang bij heeft om van het Hof opheldering te verkrijgen over de verenigbaarheid van de betrokken nationale regeling met kaderbesluit 2002/584 omdat het Hof zal bepalen onder welke voorwaarden hij de gerechtelijke procedure tegen OP kan voortzetten.
15.
In deze omstandigheden heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Staat [kaderbesluit 2002/584] eraan in de weg dat de bevoegdheid om te beslissen over de vraag of een [EAB] dan wel een daarmee samenlopend uitleveringsverzoek van een derde land ten uitvoer moet worden gelegd, door de wetgeving van een lidstaat wordt toegekend aan een regeringsorgaan, zonder dat in een beroepsmogelijkheid is voorzien?’
16.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de Franse, de Spaanse en de Poolse regering en door de Europese Commissie. OP, de Franse, de Spaanse, de Nederlandse en de Poolse regering alsook de Commissie hebben pleidooi gehouden op de terechtzitting op 28 november 2023.
IV. Analyse
17.
Alvorens inhoudelijk in te gaan op de vraag van de verwijzende rechter (B), zal ik mij eerst buigen over de vraag of het onderhavige verzoek ontvankelijk is (en of een beslissing nog noodzakelijk is) (A).
A. Ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag (is een beslissing nog noodzakelijk?)
18.
De Spaanse regering voert aan dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is. De Commissie betoogt het tegendeel. Ter terechtzitting heeft zij echter uiteengezet dat een antwoord van het Hof op de prejudiciële vraag niet langer noodzakelijk is.
19.
Wat ten eerste de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek betreft, moet eraan worden herinnerd dat het uitsluitend de taak is van de nationale rechter aan wie een geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt om, rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden.5.
20.
Bijgevolg geldt voor prejudiciële vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie en kan het Hof slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen.6.
21.
In het licht van die rechtspraak voert de Spaanse regering om te beginnen aan dat het onderhavige verzoek niet-ontvankelijk is omdat de verwijzende rechter noch een Spaanse rechterlijke of overheidsbeslissing noch een bepaling van kaderbesluit 2002/584 aanhaalt die voor de prejudiciële vraag van belang zou zijn.
22.
Ik ben daarentegen van mening dat het vrij duidelijk is dat de verwijzende rechter ten eerste bezwaar maakt tegen artikel 57, lid 2, van wet 23/2014 waarin is bepaald dat in geval van samenloop van verzoeken tot uitlevering en tot tenuitvoerlegging van een EAB — zoals aan de orde in het hoofdgeding — de ministerraad moet beslissen aan welk verzoek voorrang moet worden gegeven. Ten tweede verwijst hij naar een beslissing waarbij de ministerraad voorrang heeft gegeven aan het Zwitserse uitleveringsverzoek en niet aan het EAB, die beide ten aanzien van OP zijn uitgevaardigd. Hoewel over die beslissing geen nadere bijzonderheden zijn gegeven (zoals de datum of de gronden voor die beslissing, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt), volgt uit de verwijzingsbeslissing dat bij brief van de Juzgado Central no 5 de Madrid (onderzoeksgerecht nr. 5 Madrid, Spanje) van 2 september 2022 aan de verwijzende rechter informatie over het bestaan van die beslissing is verstrekt.7.Ten derde is het wel duidelijk dat de verwijzende rechter verzoekt om uitlegging van met name artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, dat betrekking heeft op gevallen van samenloop van een EAB en een uitleveringsverzoek.
23.
Derhalve ben ik van mening dat de verwijzende rechter de relevante elementen van nationaal recht en van Unierecht genoegzaam heeft vermeld opdat het Hof kan opmaken welke Unierechtelijke kwestie moet worden opgehelderd.
24.
Daarnaast betoogt de Spaanse regering dat de prejudiciële vraag van hypothetische aard is omdat zij in wezen betrekking heeft op de wetgeving van een andere lidstaat en dat het door het Hof te geven antwoord irrelevant is voor het hoofdgeding.
25.
Ik ben het daarmee niet eens. In dat verband merk ik ten eerste op dat het specifieke stelsel van justitiële samenwerking in strafzaken tussen de lidstaten heel gemakkelijk tot situaties kan leiden waarin de nationale rechterlijke instantie van de uitvaardigende staat (in casu Frankrijk) behoefte heeft aan verduidelijking over de verenigbaarheid met het Unierecht van de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van een EAB in de uitvoerende staat (in casu Spanje). Zoals de Spaanse regering erkent, heeft het Hof dergelijke verzoeken om een prejudiciële beslissing eerder ontvankelijk verklaard wanneer de verwijzende rechter in kwestie op grond van de gevraagde uitlegging van kaderbesluit 2002/584 in staat zou worden gesteld de juiste handelwijze te bepalen bij het uitvaardigen of intrekken van een bepaald EAB of het uitvaardigen van een nieuw EAB indien de tenuitvoerlegging van een eerder EAB was geweigerd.8.
26.
Ten tweede heb ik begrepen, en de Commissie heeft dit in wezen ook opgemerkt, dat mocht het Hof tot het oordeel komen dat de procedurele kenmerken van de betrokken Spaanse regeling onverenigbaar zijn met kaderbesluit 2002/584, dit in beginsel de mogelijkheid open zou laten dat het EAB betreffende OP alsnog ten uitvoer kan worden gelegd zolang OP op Spaans grondgebied blijft. Mocht het Hof daarentegen oordelen dat de nationale regeling in kwestie wel verenigbaar met het kaderbesluit is, dan is die vaststelling van belang voor de bij de verwijzende rechter aanhangige procedure, omdat hij op grond daarvan stappen kan nemen om met inachtneming van de toepasselijke regels van internationaal recht te zorgen voor de verdere uitlevering van OP vanuit Zwitserland, indien en wanneer hij aan dat land is uitgeleverd.
27.
In dergelijk omstandigheden lijkt de vraag van de verwijzende rechter mij niet hypothetisch van aard.
28.
Wat nu de vraag betreft of een beslissing nog steeds noodzakelijk is, merk ik op dat de raadsman van OP ter terechtzitting heeft verklaard dat OP na het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing aan Zwitserland is uitgeleverd. Bijgevolg heeft de Commissie aangevoerd dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing zonder voorwerp is geraakt. Volgens haar hoeft de vraag of kaderbesluit 2002/584 in de weg staat aan de betrokken Spaanse nationale regeling niet langer door het Hof te worden beantwoord om te bepalen welke handelwijze in het hoofdgeding moet worden gevolgd.
29.
De Commissie heeft zich in dat verband gebaseerd op de beschikking van het Hof in de zaak Ministerio Fiscal9., waarin het Hof tot het oordeel kwam dat niet langer hoefde te worden beslist op het verzoek van de Audiencia Nacional (centrale rechterlijke instantie, Spanje) over de verenigbaarheid van de dreigende uitlevering van een Britse onderdaan door Spanje aan de Verenigde Staten van Amerika, nadat het had vernomen van de raadsman van de gezochte persoon, zoals de verwijzende rechter in die zaak had bevestigd, dat de uitlevering reeds had plaatsgevonden.
30.
Ik ben het met de Commissie eens dat mocht worden bevestigd dat OP daadwerkelijk aan Zwitserland is uitgeleverd, het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing moet worden geacht zonder voorwerp te zijn geraakt. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt niet duidelijk waarom het antwoord van het Hof in dergelijke (nieuwe) omstandigheden noodzakelijk zou zijn voor de bij de verwijzende rechter aanhangige procedure.10.
31.
De informatie over de uitlevering van OP kon ter terechtzitting echter niet door de Spaanse regering worden bevestigd (volgens deze regering vanwege de anonimisering van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing). In deze omstandigheden ga ik over tot de behandeling ten gronde van de prejudiciële vraag.
B. Prejudiciële vraag ten gronde
32.
Er zij aan herinnerd dat uit de verwijzingsbeslissing volgt dat de verwijzende rechter met zijn vraag in wezen wenst te vernemen of kaderbesluit 2002/584, en met name artikel 16, lid 3, ervan, onverenigbaar is met een bepaling van nationaal recht op grond waarvan een regeringsorgaan (en niet een rechterlijke autoriteit) bevoegd is om te beslissen of voorrang moet worden gegeven aan een EAB dan wel aan een uitleveringsverzoek van een derde land met betrekking tot dezelfde persoon, wanneer volgens de verwijzende rechter een dergelijke beslissing over voorrang niet door een rechter kan worden getoetst.
33.
Eerst zal ik in mijn analyse toelichten waarom de situatie in casu niet strijdig lijkt met het Petruhhin-mechanisme waaruit een voorrangsregel volgt die onder bepaalde voorwaarden van toepassing is wanneer ten aanzien van dezelfde persoon en dezelfde strafbare feiten een uitleveringsverzoek en een EAB zijn uitgevaardigd (1).
34.
Daarna zal ik mij buigen over de kern van de prejudiciële vraag, die blijkens de verwijzingsbeslissing feitelijk twee aspecten omvat. Het eerste aspect betreft de mogelijkheid voor een lidstaat om een regeringsorgaan ermee te belasten om te beslissen of voorrang wordt gegeven aan een uitleveringsverzoek dan wel aan een EAB (een oplossing waartegen kaderbesluit 2002/584 zich volgens de verwijzende rechter verzet). Het tweede aspect heeft betrekking op de noodzaak dat een beslissing van een dergelijk orgaan kan worden getoetst door de rechter.
35.
Ik zal beide aspecten achtereenvolgens behandelen om duidelijk te maken dat kaderbesluit 2002/584 niet in de weg staat aan een nationale bepaling op grond waarvan aan een regeringsorgaan de bevoegdheid wordt toegekend om te beslissen of voorrang wordt gegeven aan een EAB dan wel aan een uitleveringsverzoek (2), maar wel vereist dat een dergelijke beslissing kan worden getoetst door de rechter (3).
1. Petruhhin-mechanisme
36.
Vooraf wil ik opmerken dat wanneer een lidstaat ten aanzien van dezelfde persoon een EAB (uit een andere lidstaat) en een uitleveringsverzoek (uit een derde land) ontvangt, er geen algemene verplichting bestaat dat een dergelijke situatie in het voordeel van het EAB wordt beslecht. Hoewel in het oorspronkelijke voorstel dat heeft geleid tot de vaststelling van kaderbesluit 2002/584 een dergelijke regel was opgenomen voor het geval een EAB zou worden ‘overvleugeld’ door een uitleveringsverzoek uit een derde land dat geen partij is bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 1957, is uiteindelijk in kaderbesluit 2002/584 geen automatische voorrangsregel ten gunste van het EAB vastgesteld.11.Derhalve moet elke situatie waarin een EAB en een uitleveringsverzoek samenvallen, in de regel ad hoc worden beslecht volgens algemene criteria die ik hierna in deze conclusie uiteen zal zetten.
37.
Bij wijze van uitzondering op die regel moet slechts voorrang worden gegeven aan een EAB in de situatie die kan voortvloeien uit de toepassing van het Petruhhin-mechanisme.
38.
In dat verband heeft het Hof in het arrest Petruhhin duidelijk gemaakt dat wanneer een lidstaat uit een derde land een verzoek ontvangt tot uitlevering van een burger van een andere lidstaat en indien die burger zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend en de aangezochte lidstaat zijn eigen burgers niet uitlevert, die omstandigheden ertoe leiden dat die lidstaat verplicht is om de lidstaat waarvan de gezochte persoon de nationaliteit heeft, de mogelijkheid te bieden de gezochte persoon te vervolgen door uitvaardiging van een EAB (indien vervolging van buiten het nationale grondgebied gepleegde strafbare feiten mogelijk is op grond van de nationale wetgeving van de lidstaat waarvan de gezochte persoon de nationaliteit heeft). Die verplichting vloeit voort uit de artikelen 18 en 21 VWEU die ten eerste discriminatie op grond van nationaliteit verbieden en ten tweede bepalen dat burgers van de Unie het recht hebben vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven.12.
39.
Indien de feiten in het uitleveringsverzoek en in het EAB in deze zaak identiek waren geweest, dan zou de door de ministerraad genomen beslissing over voorrang dus onverenigbaar lijken met de logica van het Petruhhin-mechanisme13., waardoor het onderzoek naar de aspecten van de procedure die tot die beslissing hebben geleid, zoals in het onderhavige prejudiciële verzoek aan de orde gesteld, in zekere mate een bijkomstige kwestie zou zijn.
40.
Niettemin bevat de verwijzingsbeslissing geen informatie over de strekking van het Zwitserse uitleveringsverzoek. Bijgevolg wijst louter het ontbreken van enige discussie over de mogelijke overlapping tussen beide verzoeken (en over de gevolgen van het Petruhhin-mechanisme) erop dat beide verzoeken betrekking lijken te hebben op verschillende feiten. Dat uitgangspunt is uitdrukkelijk aanvaard door enkele interveniënten en vindt steun in hetgeen de Spaanse regering heeft betoogd in haar schriftelijke opmerkingen, waaruit blijkt dat de Spaanse autoriteiten na ontvangst van het Zwitserse uitleveringsverzoek in overleg zijn getreden met de Franse autoriteiten, in overeenstemming met het Petruhhin-mechanisme, en dat de Franse autoriteiten geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om een EAB uit te vaardigen om OP te vervolgen voor de feiten die tot het Zwitserse uitleveringsverzoek hebben geleid. De Franse regering heeft dat feit ter terechtzitting echter niet kunnen bevestigen.14.
41.
Derhalve ga ik uit van de premisse dat de enige juridische kwesties die in deze zaak moeten worden behandeld, inderdaad verband houden met de door de verwijzende rechter genoemde aspecten aangezien uit het dossier geenszins blijkt dat het Petruhhin-mechanisme en de daaruit te trekken gevolgen buiten toepassing zijn gelaten.
2. Orgaan dat bevoegd is te beslissen of voorrang wordt gegeven aan een EAB dan wel aan een uitleveringsverzoek
42.
Wat het eerste aspect van de prejudiciële vraag betreft, te weten of kaderbesluit 2002/584 in de weg staat aan een nationale bepaling op grond waarvan een regeringsorgaan, en niet een rechterlijke autoriteit, ermee wordt belast om te beslissen of voorrang wordt gegeven aan een EAB dan wel aan een uitleveringsverzoek, ben ik van mening dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. In dat verband ben ik het eens met alle interveniërende regeringen die een standpunt over die kwestie hebben ingenomen en met de Commissie.
43.
Deze gevolgtrekking volgt allereerst uit de bewoordingen van artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584.
44.
Ik wijs erop dat daarin is bepaald dat ‘de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat bij het nemen van haar beslissing of aan het Europees aanhoudingsbevel dan wel aan het verzoek om uitlevering voorrang wordt gegeven’.15.
45.
Het open karakter van dat begrip wijst erop dat niet kan worden aangenomen dat het uitsluitend naar een rechterlijke autoriteit verwijst.
46.
Integendeel, het open karakter ervan in combinatie met het ontbreken van een definitie van of toelichting op dat begrip in kaderbesluit 2002/584 wijst erop dat de Uniewetgever ervoor heeft gekozen om het aan de lidstaten zelf over te laten om te bepalen welk orgaan bevoegd is om te beslissen of voorrang wordt gegeven aan een EAB dan wel aan een uitleveringsverzoek.
47.
De gevolgtrekking dat het begrip ‘bevoegde autoriteit’ niet per se alleen verwijst naar een rechterlijke autoriteit wordt ten tweede bevestigd door een vergelijkende lezing van de verschillende bepalingen van kaderbesluit 2002/584.
48.
In dat verband merk ik op dat de keuze voor het begrip ‘bevoegde autoriteit’ in artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 in contrast staat met het gebruik van het begrip ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’16. in artikel 16, lid 1, van dat kaderbesluit ter aanduiding van het nationale orgaan dat bevoegd is een beslissing te nemen in geval van twee of meer samenlopende EAB's die door verschillende lidstaten zijn uitgevaardigd ten aanzien van dezelfde persoon.
49.
Met andere woorden, uit de gecombineerde lezing van artikel 16, leden 1 en 3, van kaderbesluit 2002/584 volgt dat de Uniewetgever duidelijk heeft bepaald dat de lidstaten een rechterlijk orgaan (‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’) moeten belasten met het nemen van een beslissing over voorrang in het geval van meerdere EAB's, maar dat hij de lidstaten een ruimere keuze laat (‘bevoegde autoriteit’) in geval van samenloop van een EAB en een uitleveringsverzoek.
50.
Aan het voorgaande standpunt wordt niet afgedaan door artikel 28, lid 4, van kaderbesluit 2002/584, waarover ter terechtzitting vrij uitgebreid is gesproken.
51.
Artikel 28 van dat kaderbesluit heeft in het bijzonder betrekking op ‘verdere overlevering of uitlevering’. In artikel 28, leden 1 en 3, daarvan zijn de voorwaarden gespecificeerd waaronder de persoon die reeds is overgeleverd aan de uitvaardigende lidstaat, aan een andere (dan de uitvoerende) lidstaat kan worden overgeleverd op grond van een EAB dat is uitgevaardigd wegens een vóór de initiële overlevering begaan feit. In dat verband verwijst artikel 28, lid 3, van dat kaderbesluit naar de voorwaarden waaronder de toestemming van de uitvoerende rechterlijke autoriteit vereist is voor de verdere overlevering (aan een andere lidstaat).
52.
In afwijking daarvan bepaalt artikel 28, lid 4, eerste volzin, van kaderbesluit 2002/584 dat ‘een persoon die op grond van een [EAB] is overgeleverd, niet aan een derde staat [wordt] uitgeleverd zonder toestemming van de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de gezochte persoon heeft overgeleverd’.
53.
Gelet op die bewoordingen richtte de discussie ter terechtzitting zich op de vraag of het begrip ‘bevoegde autoriteit’ in artikel 28, lid 4, van kaderbesluit 2002/584 (uitsluitend) kan verwijzen naar een uitvoerende rechterlijke autoriteit, omdat de verdere uitlevering op grond van die bepaling betrekking heeft op een persoon die in eerste instantie op grond van een EAB is overgeleverd en omdat een dergelijke overlevering noodzakelijkerwijs is geschied op grond van een beslissing van een (uitvoerende) rechterlijke autoriteit. Indien dit het geval is, rijst de vraag (zoals ik uit de discussie heb begrepen) of die gevolgtrekking moet worden doorgetrokken naar het begrip ‘bevoegde autoriteit’ dat in artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 voorkomt, hetgeen zou inhouden dat dat begrip ondanks de gebruikte ruimere bewoordingen feitelijk (slechts) verwijst naar een rechterlijke autoriteit.
54.
Mijns inziens is die discussie gebaseerd op een misverstand vanwege een dubbelzinnigheid in de Franse taalversie van artikel 28, lid 4, van kaderbesluit 2002/584, waarvan ook in de Engelse en in enkele andere taalversies sprake is.17.
55.
In sommige taalversies lijkt immers te worden opengelaten of de in artikel 28, lid 4, van kaderbesluit 2002/584 gebruikte bewoordingen ‘bevoegde autoriteit van de lidstaat die de gezochte persoon heeft overgeleverd’ feitelijk verwijzen naar de bevoegde autoriteit die die persoon heeft overgeleverd ofwel naar de lidstaat die de persoon in kwestie heeft overgeleverd. In die taalversies zijn beide opties mogelijk.
56.
Die onzekerheid speelt echter niet in andere taalversies, zoals de Duitse, de Spaanse, de Italiaanse en de Poolse taalversie18., die duidelijk maken dat die bewoordingen verwijzen naar de lidstaat die de gezochte persoon heeft overgeleverd en waarvan de ‘bevoegde autoriteit’ toestemming voor de verdere uitlevering heeft gegeven.
57.
Naar mijn mening moet de tweede lezing worden gevolgd.
58.
Om te beginnen kan de kwestie in deze zaak niet worden beslecht op basis van de eerste lezing. De tweede lezing daarentegen is zeer duidelijk en laat geen twijfel bestaan over de exacte betekenis van die bewoordingen. Tot slot past de tweede lezing volledig in de algemene logica van kaderbesluit 2002/584 waarbij — nogmaals — de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van een EAB specifiek aan de rechterlijke autoriteiten wordt toegekend, terwijl het ruimere begrip ‘bevoegde autoriteit’ wordt gebruikt wanneer uitlevering aan een derde land aan de orde is (in artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584).
59.
Op basis daarvan lijkt dezelfde redenering te gelden voor het onderscheid tussen ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ en ‘bevoegde autoriteit’ in artikel 16, lid 1 respectievelijk lid 3, van dat kaderbesluit alsmede in artikel 28, lid 3 respectievelijk lid 4, ervan.
60.
Hoewel uit artikel 28, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 duidelijk blijkt dat toestemming voor een verdere overlevering (aan een andere lidstaat) moet worden gegeven door de uitvoerende rechterlijke autoriteit die de gezochte persoon heeft overgeleverd, en dat toestemming voor een verdere uitlevering moet worden gegeven door de bevoegde autoriteit (die eventueel niet de uitvoerende rechterlijke autoriteit is), wordt in artikel 16, leden 1 en 3, van dat kaderbesluit dezelfde logica gevolgd ten aanzien van de beslissing over voorrang in geval van een samenloop van verzoeken, naargelang het bij die verzoeken om twee of meer EAB's gaat (uitvoerende rechterlijke autoriteit) dan wel om een EAB en een uitleveringsverzoek (bevoegde autoriteit).19.
61.
Voorts lijkt de beslissing om de lidstaten een ruimere keuze te laten ten aanzien van het orgaan dat bevoegd is te beslissen of voorrang wordt gegeven aan een EAB dan wel aan een uitleveringsverzoek, ook te worden bevestigd door de wetgevingsprocedure, zoals de Spaanse regering in wezen heeft opgemerkt.
62.
Zoals ik reeds heb opgemerkt, was in het oorspronkelijke voorstel dat tot kaderbesluit 2002/584 heeft geleid, bepaald dat de beslissing over voorrang slechts noodzakelijk was wanneer het samenlopende uitleveringsverzoek moest worden ingediend door een partij bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 1957.20.Voorgesteld werd dat in een dergelijke situatie de beslissing over voorrang door de ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ zou worden genomen. In de (definitief vastgestelde) bewoordingen van artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 is dat begrip echter vervangen door het begrip ‘bevoegde autoriteit’21., waaruit de intentie van de Uniewetgever blijkt om een begrip te gebruiken dat ruimer is dan ‘rechterlijke autoriteit’.
63.
De bovenstaande gevolgtrekking wordt voorts bevestigd wanneer de ruimere context van artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 in de beschouwing wordt betrokken.
64.
Ten eerste wordt het begrip ‘rechterlijke autoriteit’ — of dit nu de ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ of de ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ is) — in het gehele kaderbesluit 2002/584 stelselmatig gebruikt om te verwijzen naar de organen die verantwoordelijk zijn voor het uitvaardigen en uitvoeren van EAB's.22.
65.
De nadruk op de betrokkenheid van rechterlijke (of vergelijkbare) autoriteiten geeft ten tweede weer dat de gehele specifieke overleveringsregeling van kaderbesluit 2002/584 wordt opgevat als een regeling van justitiële samenwerking waarbij rechterlijke organen een rol vervullen aan beide zijden (uitvaardigend en uitvoerend) van die specifieke regeling.23.
66.
Dat weerspiegelt ten derde de doelstelling van kaderbesluit 2002/584, te weten ‘te komen tot een vereenvoudigde regeling waarbij overlevering rechtstreeks plaatsvindt tussen rechterlijke autoriteiten, ter vervanging van de klassieke regeling van samenwerking tussen soevereine staten waarbij sprake is van een rol voor en beoordeling door de politieke autoriteiten, zodat het vrije verkeer van beslissingen in strafzaken wordt verzekerd in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht’24., die berust op de hoge mate van wederzijds vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan.25. Dat dit kaderbesluit berust op samenwerking tussen rechterlijke autoriteiten heeft het Hof ook tot uitdrukking gebracht in zijn oordeel dat dat kaderbesluit beoogt te verzekeren dat bij de overlevering van gezochte personen de uitvoerende macht niet de beslissingsbevoegdheid krijgt26..
67.
Tegen die achtergrond lijkt het mij duidelijk dat de Uniewetgever, toen hij besloot om in artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 te verwijzen naar ‘bevoegde autoriteit’ (in plaats van naar rechterlijke autoriteit) welbewust heeft besloten om af te wijken van de algemene logica van het kaderbesluit, zoals hierboven beschreven (en zoals OP ter terechtzitting in wezen heeft opgemerkt).
68.
De reden voor het gebruik van het begrip ‘bevoegde autoriteit’ in die bepaling ligt in het feit dat terwijl de beslissing over meerdere EAB's volledig en uitsluitend valt onder de vereenvoudigde en rechterlijke overleveringsregeling van kaderbesluit 2002/584, de noodzaak om de tenuitvoerlegging van een EAB en een uitleveringsverzoek van een derde land tegen elkaar af te wegen immers meebrengt dat de situatie is gekoppeld aan de uitleveringsregeling die met het betreffende derde land is overeengekomen. Het is aannemelijk dat een dergelijke regeling berust op de traditionele betrokkenheid van de uitvoerende macht (en politieke overwegingen behelst), zoals de Poolse regering en de Commissie in wezen opmerken en zoals ook volgt uit de hierboven aangehaalde en in punt 66 genoemde vaststellingen in de rechtspraak van het Hof en zoals ook uitdrukkelijk in de desbetreffende uitleveringsovereenkomst kan zijn bevestigd.
69.
In een dergelijke overeenkomst kan voorts een specifieke institutionele oplossing zijn opgenomen ten aanzien van het orgaan dat bevoegd is te beslissen in geval van twee of meer samenlopende verzoeken, zoals bijvoorbeeld het geval is in de EU-VS-uitleveringsovereenkomst. Volgens die overeenkomst moet de ‘uitvoerende autoriteit’ (‘pouvoir executif’ in de Franse versie van die overeenkomst) van de aangezochte lidstaat een beslissing nemen in geval van samenloop van een EAB en een uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten ‘indien krachtens het tussen de lidstaat en de Verenigde Staten van Amerika geldende bilateraal uitleveringsverdrag besluiten over samenlopende verzoeken door die autoriteit worden genomen’.27.
70.
Waar de Uniewetgever niet heeft bepaald dat een beslissing of er voorrang wordt gegeven aan een EAB dan wel aan een uitleveringsverzoek per se door een rechterlijke autoriteit van een lidstaat moet worden genomen, maar ervoor heeft gekozen om de lidstaten in dat verband meer ruimte te laten, beoogde hij mijns inziens dan ook de traditionele betrokkenheid van de uitvoerende macht bij uitleveringskwesties te aanvaarden en de werking van met derde landen overeengekomen bilaterale uitleveringsregelingen niet te belemmeren.
71.
Die overwegingen bevestigen dus de voorgaande beoordeling en op basis daarvan kom ik tot de conclusie dat kaderbesluit 2002/584 niet in de weg staat aan een bepaling van nationaal recht op grond waarvan een regeringsorgaan de bevoegdheid heeft om te beslissen of voorrang wordt gegeven aan een EAB dan wel aan een uitleveringsverzoek.
72.
Uit het voorgaande volgt dat artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 zich bevindt op het snijvlak tussen de uitleveringsregelingen die met derde landen zijn overeengekomen en de vereenvoudigde overleveringsregeling die van toepassing is op betrekkingen tussen de lidstaten. Hoewel ik uiteen heb gezet waarom de overwegingen die eigen zijn aan de uitleveringsregelingen, tot de keuze hebben geleid om de lidstaten voldoende ruimte te bieden bij het bepalen welke autoriteiten mogen beslissen of voorrang wordt gegeven aan een EAB dan wel aan een uitleveringsverzoek, kan er geen twijfel over bestaan dat een dergelijke oplossing, wanneer de beslissing over voorrang door een regeringsorgaan en niet door een rechterlijke autoriteit wordt genomen, een zekere spanning in de regeling van overlevering tussen de lidstaten teweegbrengt.
73.
Hoewel die regeling gebaseerd is op samenwerking tussen rechterlijke autoriteiten, leidt een situatie zoals in casu aan de orde er immers toe dat een orgaan dat geen rechterlijke instantie is uiteindelijk beslist over de positie van de gezochte persoon (ten gevolge van de beslissing over voorrang). Ik ben dan ook van mening dat een dergelijke beslissing, om de redenen die ik in het volgende onderdeel uiteen zal zetten, door de rechter moet kunnen worden getoetst.
3. Rechterlijke toetsing
74.
In verband met de behandeling van de kwestie van de rechterlijke toetsing zal ik eerst inleidende opmerkingen maken over de exacte strekking van het in dat kader te verrichten onderzoek (a) alvorens vanuit dat perspectief kaderbesluit 2002/584 tegen het licht te houden (b).
a) Inleidende opmerkingen
75.
In de eerste plaats moet er, zoals de Nederlandse regering ter terechtzitting heeft opgemerkt, onderscheid worden gemaakt tussen de beslissing of voorrang wordt gegeven aan een EAB dan wel aan een uitleveringsverzoek, in de zin van artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, en de beslissing over de vraag of is voldaan aan de relevante voorwaarden voor de uitvoerbaarheid van die handelingen. Zoals de Commissie in dezelfde lijn heeft opgemerkt, kan slechts aan een van beide voorrang worden gegeven (en is de kwestie van voorrang pas relevant) indien het verzoek in kwestie gelet op de toepasselijke regels ‘uitvoerbaar’ is. Indien bijvoorbeeld niet is voldaan aan de toepasselijke voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van een EAB, maar wel aan die voor het uitleveringsverzoek, wordt logischerwijs voorrang gegeven aan het uitleveringsverzoek.28.
76.
In dat verband benadruk ik dat de vraag of elk van de ‘samenlopende’ verzoeken uitvoerbaar is, niet rechtstreeks van belang is voor de onderhavige zaak die gaat over de vraag of een (andere) beslissing over de in artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 genoemde voorrangscriteria door de rechter moet kunnen worden getoetst wanneer zij door een regeringsorgaan is genomen.
77.
In de tweede plaats stelt de Franse regering dat die bepaling niet vereist dat rechterlijke toetsing van een beslissing over voorrang mogelijk is omdat er in eerste instantie geen sprake is van een verplichting om een afzonderlijke beslissing over voorrang te nemen. De beslissing over voorrang kan volgens haar een wezenlijk onderdeel van de besluitvormingsprocedure vormen op grond waarvan ofwel het EAB ten uitvoer wordt gelegd ofwel het uitleveringsverzoek wordt ingewilligd. Bijgevolg moet de naleving van het vereiste van rechterlijke toetsing (mits een dergelijk vereiste bestaat) worden onderzocht op basis van de nationale procedures in hun geheel beschouwd.
78.
Ik erken beslist de diversiteit aan oplossingen die de lidstaten kunnen kiezen om vorm te geven aan het mechanisme waarbinnen een beslissing over voorrang (in de formele of materiële betekenis) wordt genomen. De vraag die in casu moet worden behandeld, wordt echter afgebakend door de kenmerken van het nationale mechanisme zoals zij in deze procedure zijn beschreven. De hiernavolgende analyse moet derhalve worden geacht primair plaats te vinden binnen die specifieke context van nationaal recht dat de mogelijkheid van een afzonderlijke beslissing over voorrang lijkt te bieden, zonder dat een dergelijke beslissing in verschillende procedurele fasen wordt opgesplitst.
79.
In de derde plaats gaat de verwijzende rechter weliswaar uit van de premisse dat de door de ministerraad genomen beslissing over voorrang niet door de rechter kan worden getoetst, maar de Spaanse regering heeft uiteengezet dat het tegendeel het geval is.
80.
Zij heeft toegelicht dat de algemene wettelijke bepalingen de mogelijkheid van rechterlijke toetsing van een beslissing van de ministerraad niet uitsluiten (anders dan wat is bepaald ten aanzien van bepaalde categorieën handelingen). Daarnaast heeft zij met name verwezen naar een arrest van de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje)29. waarbij de beslissing van de ministerraad waarin voorrang was gegeven aan een uitleveringsverzoek van de Russische Federatie in plaats van aan een EAB dat door de Litouwse rechterlijke autoriteit was uitgevaardigd, door die rechterlijke instantie is getoetst.
81.
In dat verband wil ik eraan herinneren dat volgens vaste rechtspraak van het Hof ‘het uitsluitend aan de verwijzende rechter staat om het voorwerp te bepalen van de vragen’30. en om een omschrijving te geven van het feitelijke en juridische kader van de zaak.31. In dat kader ben ik van mening dat het Hof zich moet baseren op de premisse van de verwijzende rechter en dat het aan de verwijzende rechter is om de stand van het Spaanse recht te bevestigen.
82.
In de laatste plaats heeft OP ter terechtzitting opgemerkt, nadat hij kennis had genomen van de bovenstaande toelichting door de Spaanse regering, dat de door de ministerraad genomen beslissing over voorrang nooit aan hem is betekend en dat de daaruit voortvloeiende situatie een schending van artikel 5 van richtlijn 2012/13/EU32. en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) vormt.
83.
Ik merk op dat de wezenlijke kwestie van de voorwaarden waaronder OP had kunnen opkomen tegen de beslissing over voorrang noch aan de orde is gekomen in de prejudiciële vraag noch in de verwijzingsbeslissing (die uitgaat van de premisse dat rechterlijke toetsing van de beslissing in kwestie in de eerste plaats niet mogelijk is).
84.
Ik heb er reeds op gewezen dat het uitsluitend aan de verwijzende rechter staat om het voorwerp te bepalen van de door het Hof in het kader van de prejudiciële procedure te beantwoorden vraag. Het is derhalve niet aan het Hof om dat voorwerp te wijzigen.33. De verwijzende rechter heeft het Hof slechts verzocht om kaderbesluit 2002/584 uit te leggen met betrekking tot de twee aspecten die in punt 34 van deze conclusie zijn beschreven. Mijns inziens kan het Hof dan ook geen standpunt innemen over de bovenstaande kwestie die OP ter terechtzitting aan de orde heeft gesteld en die verschilt van de door de verwijzende rechter opgeworpen vraag.
85.
Na deze verduidelijkingen zal ik hieronder de redenen uiteenzetten waarom ik concludeer dat kaderbesluit 2002/584 vereist dat een door een regeringsorgaan genomen beslissing of aan een EAB dan wel aan een uitleveringsverzoek voorrang wordt gegeven, door de rechter kan worden getoetst, zoals met name door de Commissie en de Spaanse regering in wezen is betoogd.
b) Analyse in het licht van kaderbesluit 2002/584
86.
Het is juist dat het kaderbesluit niets zegt over deze kwestie, zoals de Franse regering opmerkt.
87.
Meer in het bijzonder blijkt duidelijk uit artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in samenhang met artikel 16, lid 1, ervan, dat bij de beslissing over voorrang ‘rekening [moet worden gehouden] met alle omstandigheden, met name’ met de ernst van de strafbare feiten en de plaats waar zij zijn gepleegd, met de data van de onderscheiden verzoeken en met de vraag of de verzoeken betrekking hebben op strafvervolging dan wel op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, alsmede met de in het toepasselijke verdrag bedoelde omstandigheden.34. Vanwege het niet-uitputtende karakter van die criteria kan de bevoegde autoriteit ook met andere dan de hierboven genoemde criteria rekening houden, bijvoorbeeld de in de richtsnoeren van Eurojust genoemde factoren, zoals de Franse regering en de Commissie ter terechtzitting hebben opgemerkt35. (zulks met inachtneming van het toepasselijke uitleveringsverdrag).
88.
Gelet op het voorgaande heeft het Hof enerzijds altijd beklemtoond dat beslissingen over EAB's door de rechter moeten kunnen worden getoetst. Zoals het Hof immers heeft geoordeeld, ligt ‘[aan] kaderbesluit 2002/584 […] namelijk het beginsel ten grondslag dat voor beslissingen betreffende [EAB's] alle waarborgen gelden die eigen zijn aan rechterlijke beslissingen, waaronder de waarborgen die voortvloeien uit de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen als bedoeld in artikel 1, lid 3, van dat kaderbesluit’.36.
89.
In dat verband en zoals ik reeds heb opgemerkt, is op grond van de gehele overleveringsregeling van kaderbesluit 2002/584 de tussenkomst van rechterlijke (of vergelijkbare) autoriteiten vereist wanneer een EAB wordt uitgevaardigd en wanneer het ten uitvoer wordt gelegd. Dit vereiste vormt tevens een weerspiegeling van het feit dat de uitvaardiging en daaropvolgende tenuitvoerlegging van een EAB ingrijpende gevolgen voor de positie van de gezochte persoon hebben.
90.
Anderzijds heeft de Uniewetgever weliswaar een uitzondering op het bovengenoemde beginsel van rechterlijke tussenkomst gemaakt in verband met een beslissing over voorrang, welke beslissing om de redenen die ik eerder heb besproken aan een orgaan van de uitvoerende macht van de lidstaat kan worden opgedragen, maar dat betekent niet dat rechterlijke toetsing in dergelijke omstandigheden niet meer nodig is.
91.
In de eerste plaats is het aannemelijk dat een beslissing of er voorrang wordt gegeven aan een EAB dan wel aan een uitleveringsverzoek, aanzienlijke invloed op de rechtspositie van de betrokkene heeft.
92.
Wanneer de beslissing over voorrang ertoe leidt dat het EAB niet ten uitvoer wordt gelegd, betekent dit in het bijzonder dat de gezochte persoon niet aan een van de lidstaten wordt overgeleverd, of eventueel zelfs niet aan de lidstaat van zijn nationaliteit, waarvan die persoon de taal en de leefwereld kent, maar in plaats daarvan aan een derde land kan worden uitgeleverd met eventueel andere normen op het gebied van het strafrecht en op het gebied van grondrechtenbescherming, die wat betreft de door het Unierecht erkende grondrechten wordt geacht te bestaan in alle lidstaten van de Unie (maar niet in derde landen).37.
93.
In dezelfde geest brengt dit mee dat de gezochte persoon, indien voorrang wordt gegeven aan het uitleveringsverzoek, wordt uitgeleverd — naargelang de omstandigheden — aan een derde land dat op grote afstand ligt van het grondgebied van de lidstaat waarmee de gezochte persoon eventueel familiebanden onderhoudt, hetgeen dan ook van invloed kan zijn op de uitoefening van zijn grondrecht op een gezinsleven.
94.
Hoewel die gevolgen doorgaans geen reden zijn om geen voorrang te geven aan een bepaald uitleveringsverzoek, volgt mijns inziens uit het belang van de beslissing waarbij voorrang wordt gegeven aan het uitleveringsverzoek, dat rechterlijke toetsing mogelijk moet zijn teneinde er de noodzakelijke waarborgen voor te bieden — zoals overigens vereist is op grond van kaderbesluit 2002/584 — dat de positie van de gezochte persoon is getoetst aan de toepasselijke bepalingen.
95.
In dat verband zij eraan herinnerd dat een beslissing of er voorrang wordt gegeven aan een EAB dan wel aan een uitleveringsverzoek, deel uitmaakt van de specifieke bij kaderbesluit 2002/584 ingestelde regeling van overlevering en dat in het hierboven in punt 88 van deze conclusie reeds aangehaalde artikel 1, lid 3, ervan is bepaald dat dat kaderbesluit ‘niet tot gevolg [kan] hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast’. De Franse regering en de Commissie hebben in dat kader en bij wijze van voorbeeld ter terechtzitting gewezen op respectievelijk de verplichting tot eerbiediging van het discriminatieverbod en op de noodzaak om rekening te houden met de grondrechten van derden, zoals van kleine kinderen die er eventueel bij betrokken zijn.
96.
In deze context volgt de verplichting om te verzekeren dat door de rechter kan worden getoetst of de respectieve door de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten (voor zover zij relevant kunnen worden naargelang van de omstandigheden en in het Handvest zijn verankerd) naar behoren in acht zijn genomen, uit artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, dat in de rechtsorde van de Unie het algemene beginsel van effectieve rechterlijke bescherming waarborgt.
97.
In de tweede plaats, en los van de inachtneming (volgens het primaire recht) van grondrechten, is het juist dat bij het nemen van een beslissing over voorrang waarschijnlijk uiteenlopende belangen in aanmerking worden genomen, waaronder die van derde landen. In dat verband heeft de Uniewetgever de lidstaten een ruime beoordelingsmarge gelaten, zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 en zoals alle interveniërende regeringen en de Commissie ter terechtzitting hebben opgemerkt.
98.
Uit de bewoordingen van de bovengenoemde bepaling volgt echter ook dat de beoordelingsmarge van de lidstaten niet absoluut is. Blijkens artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 heeft de Uniewetgever immers besloten om het meewegen van de betrokken belangen als verplichting te formuleren en wel zodanig dat bij het nemen van een beslissing over de voorrang ‘rekening [wordt gehouden] met alle omstandigheden’, met name met de in artikel 16, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 genoemde omstandigheden.
99.
In dat licht ben ik van mening dat artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 zijn nuttige werking zou verliezen indien niet door de rechter kan worden getoetst of aan de bovenstaande verplichting is voldaan wanneer de beslissing of er voorrang wordt gegeven aan een EAB dan wel aan een uitleveringsverzoek is genomen door een regeringsorgaan.
100.
Evenwel ben ik het eens met de Commissie en met alle interveniërende regeringen die een standpunt over die kwestie hebben ingenomen, dat de omvang van de vereiste rechterlijke toetsing, meer bepaald met betrekking tot de beoordeling van de in artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 genoemde voorrangscriteria, beperkt is. Gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid die in die bepaling aan de bevoegde autoriteit is toegekend, is die toetsing naar mijn mening beperkt tot de vraag of naar behoren rekening is gehouden met alle relevante omstandigheden. Dat betekent mijns inziens dat moet worden gecontroleerd of de bevoegde autoriteit alle relevante aspecten van de situatie in kwestie zorgvuldig en objectief heeft onderzocht en of zij haar beslissing voldoende heeft onderbouwd, overeenkomstig het in artikel 47 van het Handvest verankerde vereiste van effectieve rechterlijke bescherming38., teneinde de betrokkene in staat te stellen bij de nationale rechterlijke instantie op te komen tegen de uitkomst en die rechterlijke instantie in staat te stellen haar plicht te vervullen.
101.
In de laatste plaats is het uiteraard, zoals de Franse regering ter terechtzitting in wezen heeft opgemerkt, aan de lidstaten om op grond van hun procedurele autonomie te bepalen onder welke specifieke voorwaarden en tijdens welke fase in de procedure die rechterlijke toetsing moet geschieden.
102.
Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat indien op grond van de nationale regeling van een lidstaat een regeringsorgaan ermee wordt belast om een beslissing te nemen in de zin van artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, die bepaling, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 3, ervan en artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat een dergelijke beslissing door de rechter moet kunnen worden getoetst onder procedurele voorwaarden die de lidstaten zelf moeten bepalen.
V. Conclusie
103.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Tribunal judiciaire de Marseille te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten
moet aldus worden uitgelegd dat
het niet in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan een regeringsorgaan ermee wordt belast om te beslissen of voorrang wordt gegeven aan een Europees aanhoudingsbevel dan wel aan een uitleveringsverzoek ten aanzien van dezelfde persoon. Op grond van die bepaling, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 3, van dat kaderbesluit en met artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet een dergelijke beslissing door de rechter kunnen worden getoetst onder procedurele voorwaarden die de lidstaten zelf moeten bepalen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑09‑2024
Oorspronkelijke taal: Engels.
Het is niet helemaal duidelijk of het Zwitserse uitleveringsverzoek betrekking heeft op andere strafbare feiten dan die welke aan de orde zijn in de bij de verwijzende rechter aanhangige strafprocedure. Zoals ik verderop in deze conclusie zal toelichten, lijkt dit echter op basis van de informatie in het procesdossier het geval te zijn.
Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1).
Blijkens de informatie van de Spaanse regering stemt artikel 57, lid 1, van wet 23/2014 in wezen overeen met artikel 16, lid 1, van het in het vorige punt genoemde kaderbesluit 2002/584.
Zie bijvoorbeeld arrest van 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte) (C-510/19, EU:C:2020:953, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Ibidem, punt 26 en aangehaalde rechtspraak.
In haar schriftelijke opmerkingen verwijst de Spaanse regering naar een brief van de Juzgado Central no 3 (en niet no 5) de Madrid (onderzoeksgerecht nr. 3 Madrid) van 22 september 2022.
Zie bijvoorbeeld arresten van 25 juli 2018, AY (Aanhoudingsbevel — Getuige) (C-268/17, EU:C:2018:602, punten 28 en 29); 28 januari 2021, Spetsializirana prokuratura (Verklaring van rechten) (C-649/19, EU:C:2021:75, punten 38 en 39), en 31 januari 2023, Puig Gordi e.a. (C-158/21, EU:C:2022:57, punten 52–54). Zie ook arrest van 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte), (C-510/19, EU:C:2020:953, met name punten 30–37).
Beschikking van 3 oktober 2023, Ministerio Fiscal (Uitlevering van een Brit aan de Verenigde Staten) (C-235/22, EU:C:2023:730).
Volledigheidshalve wil ik opmerken dat het Hof in het arrest van 6 september 2016, Petruhhin (C-182/15, EU:C:2016:630; hierna: ‘arrest Petruhhin’), heeft besloten om antwoord te geven op de prejudiciële vragen (van een Letse rechterlijke instantie) ondanks het feit dat degene om wiens uitlevering was verzocht het grondgebied van de aangezochte staat (Letland) had verlaten. Hoewel die zaak enige gelijkenis met de onderhavige zaak zou vertonen indien de uitlevering van OP zou worden bevestigd, had de belangrijkste vraag in die zaak betrekking op de verenigbaarheid met het Unierecht van het Letse besluit tot toestemming voor de uitlevering, hetgeen van belang bleef om te bepalen of dat besluit in stand kon worden gehouden (mocht de gezochte persoon later naar Letland terugkeren). In de onderhavige zaak daarentegen is geen sprake van een dergelijke onderliggende vraag over de verenigbaarheid van het EAB in kwestie, waardoor de onderhavige situatie zou verschillen van die in de zaak die heeft geleid tot het arrest Petruhhin.
Die specifieke regel werd verklaard door het feit dat wanneer automatisch voorrang aan een EAB zou worden gegeven, dit in strijd zou zijn met het bovengenoemde verdrag waar de lidstaten partij bij zijn. Daarom is voorgesteld dat de automatische voorrangsregel ten gunste van het EAB alleen moest gelden voor uitleveringsverzoeken van derde landen die geen partij bij dat verdrag zijn. Zie ontwerpartikel 40, derde alinea, en de bijbehorende toelichting in het voorstel voor een kaderbesluit van de Raad betreffende het Europees arrestatiebevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie [COM(2001) 522 def.].
Zie ook arresten van 10 april 2018, Pisciotti (C-191/16, EU:C:2018:222, punten 41–44); 17 december 2020, Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Uitlevering aan Oekraïne) (C-398/19, EU:C:2020:1032, punten 33 en 34), en 2 april 2020, Ruska Federacija (C-897/19 PPU, EU:C:2020:262, punten 75 en 76). Zie voorts de mededeling van de Commissie — Handboek voor het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel (C/2023/1270), punt 9.1, en de mededeling van de Commissie — Richtsnoeren inzake uitlevering aan derde landen, 8 juni 2022 (PB 2022, C 223, blz. 1).
Gelet op het feit dat OP een Frans staatsburger lijkt te zijn die zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend en gelet ook op het feit dat Spanje zijn eigen burgers in beginsel niet lijkt uit te leveren, tenzij dat specifiek is bepaald in het toepasselijke uitleveringsverdrag (zie informatie in bijlage 2 bij de hierboven in voetnoot 12 genoemde mededeling van de Commissie — Handboek voor het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel); deze gegevens moet de verwijzende rechter echter controleren.
Zoals zij heeft toegelicht, was dit het gevolg van de anonimisering van de onderhavige prejudiciële verwijzing.
Cursivering van mij.
Cursivering van mij.
Zie ook de Tsjechische, de Deense, de Estse, de Griekse, de Nederlandse, de Portugese of de Slowaakse taalversie.
Zie ook de Bulgaarse, de Kroatische, de Letse, de Hongaarse, de Maltese, de Sloveense, de Finse of de Zweedse taalversie.
Ik wijs erop dat dezelfde bewoordingen als die van artikel 16, leden 1 en 3, van kaderbesluit 2002/584 zijn gebruikt in artikel 19, leden 1 en 3, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen (PB 2006, L 292, blz. 2).
Omdat was voorgesteld dat in andere gevallen automatisch voorrang aan het EAB zou worden gegeven, zoals reeds is opgemerkt.
Zie ontwerpartikel 40 in het in voetnoot 11 aangehaalde voorstel voor een kaderbesluit van de Raad betreffende het Europees arrestatiebevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie [COM(2001) 522 def.].
Zie met name artikel 6 van kaderbesluit 2002/584 waarin die begrippen zijn gedefinieerd.
In zijn vaste rechtspraak heeft het Hof uiteengezet dat onder de begrippen uitvaardigende en uitvoerende rechterlijke autoriteiten andere organen kunnen vallen die geen rechterlijke instanties zijn, en heeft het erop gewezen dat in bepaalde rechtsorden in bepaalde fasen van strafprocedures traditioneel met name officieren van justitie betrokken zijn (mits dergelijke organen in de uitoefening van de met de uitvaardiging of tenuitvoerlegging van EAB's verbonden taken onafhankelijk van de uitvoerende macht optreden). Dat aspect van kaderbesluit 2002/584 is echter in casu niet aan de orde. Zie voor de uitvaardigende autoriteit bijvoorbeeld arrest van 12 december 2019, Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie (Officier van Justitie van Lyon en van Tours) (C-566/19 PPU en C-626/19 PPU, EU:C:2019:1077, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en punt 74). Zie voor de uitvoerende autoriteit arrest van 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte) (C-510/19, EU:C:2020:953, punten 54 en 55).
Zie bijvoorbeeld arrest van 27 mei 2019, PF (Procureur-generaal van Litouwen) (C-509/18, EU:C:2019:457, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak), of arrest van 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte) (C-510/19, EU:C:2020:953, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Cursivering toegevoegd.
Zie bijvoorbeeld arrest van 29 juli 2024, MA (C-202/24, EU:C:2024:649, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 10 november 2016, Kovalkovas (C-477/16 PPU, EU:C:2016:861, punt 42).
Hieraan is in dezelfde bepaling toegevoegd dat ‘indien het bilateraal uitleveringsverdrag dat niet bepaalt, […] de bevoegde autoriteit door de betrokken lidstaat [wordt] aangewezen krachtens artikel 19’. Zie artikel 10, lid 2, van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika (PB 2003, L 181, blz. 27).
Zie ook Richtsnoeren voor beslissingen in geval van samenloop van overleverings- en uitleveringsverzoeken, Eurojust, herzien, 2019, blz. 7.
Ik begrijp dat de verwijzing betrekking heeft op het arrest van de Tribunal Supremo (kamer voor administratief beroep, sectie 6) van 23 februari 2010, ECLI:ECLI:ES:TS:2010:716.
Zie bijvoorbeeld arrest van 27 oktober 2022, Instituto do Cinema e do Audiovisual (C-411/21, EU:C:2022:836, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 28 november 2023, Commune d'Ans (C-148/22, EU:C:2023:924, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB 2012, L 142, blz. 1).
Zie in die zin arrest van 27 oktober 2022, Instituto do Cinema e do Audiovisual(C-411/21, EU:C:2022:836, punt 21). Ik benadruk nog dat ‘de in een verwijzingsbeslissing verstrekte gegevens niet enkel dienen om het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven, maar ook om de regeringen van de lidstaten en andere belanghebbenden de mogelijkheid te bieden om overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie opmerkingen in te dienen’. Zie bijvoorbeeld arrest van 28 november 2023, Commune d'Ans (C-148/22, EU:C:2023:924, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Gelet op het feit dat Spanje en Zwitserland beide partij zijn bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 1957, merk ik op dat artikel 17 van dat verdrag bepaalt dat ‘[indien] de uitlevering van een persoon door verschillende staten wordt verzocht, hetzij voor hetzelfde feit, hetzij voor verschillende feiten, […] de aangezochte partij bij haar beslissing rekening [houdt] met alle omstandigheden en met name met de ernst van de strafbare feiten, de plaats waar zij begaan zijn, de dagtekening van de onderscheiden verzoeken, de nationaliteit van de opgeëiste persoon en de mogelijkheid van latere uitlevering aan een andere staat’.
Richtsnoeren voor beslissingen in geval van samenloop van overleverings-en uitleveringsverzoeken, Eurojust, herzien, 2019, blz. 13–14. Die andere factoren zijn onder meer de datums waarop de strafbare feiten zijn gepleegd en de nationale regelgeving inzake verjaring, de stand van de procedure en de invloed van de beslissing op de verschillende procedures, de strafvervolging van medeverdachten en/of de strafvervolging van verschillende leden van een criminele organisatie, het aantal gepleegde strafbare feiten, de belangen van slachtoffers, het aantal slachtoffers en bijzondere omstandigheden van de slachtoffers (bijvoorbeeld hun kwetsbaarheid), sterke persoonlijke banden van de gezochte persoon met een land, de mogelijkheid van verdere overlevering of uitlevering tussen de verzoekende staten of de mogelijkheid van inbeslagneming. In de richtsnoeren wordt ook nadruk gelegd op de nationaliteit van de gezochte persoon (in het licht van de verplichting die uit het Petruhhin-mechanisme kan voortvloeien). Ibidem, blz. 14.
Zie arresten van 10 november 2016, Kovalkovas (C-477/16 PPU, EU:C:2016:861, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C-216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 56).
Zie bijvoorbeeld arrest van 29 juli 2024, MA (C-202/24, EU:C:2024:649, punten 57 en 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 25 april 2024, NW en PQ (Gerubriceerde informatie) (C-420/22 en C-528/22, EU:C:2024:344, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).