Einde inhoudsopgave
Besluit activiteiten leefomgeving - Nota van toelichting
§ 3.4.5 Minerale producten industrie
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Artikel 3.111 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
Dit artikel geeft aan dat het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van keramische producten door verhitting en het verrichten van een aantal andere handelingen met minerale stoffen milieubelastende activiteiten zijn waarvoor de hoofdstukken 2 tot en met 5 gelden. Via de combinatie van dit artikel met artikel 3.1 is het lozen vanuit deze activiteiten een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk waarvoor deze hoofdstukken gelden.
De rijksoverheid stelt regels aan deze activiteiten ter uitvoering van Europese regelgeving en om een gelijk speelveld en gelijk beschermingsniveau te waarborgen. De regels bestaan vooral uit een nationale uitwerking van passende preventieve maatregelen en beste beschikbare technieken.
De nadelige gevolgen voor het milieu die deze activiteiten kunnen veroorzaken zijn vooral verontreiniging van de bodem, verontreiniging van de lucht, lozingen, geluidshinder en het gebruik van energie. De rijksoverheid stelt in dit besluit weinig algemene regels aan het aspect geluid.
Het gaat in Nederland om circa 400-700 bedrijven. In de minerale producten industrie gaat het om het maken van:
- —
Keramische producten;
- —
Asfalt en asfaltproducten;
- —
Kalkzandsteen;
- —
Betonmortel, cellenbeton en producten van beton.
Ook het winnen van steen, zand en dergelijke en het breken, malen, zeven of drogen van de laatstgenoemde producten valt onder de aangewezen activiteit. Met ‘mineralen’ worden vaste stoffen bedoeld die in gesteenten en sedimenten in de vrije natuur voorkomen. Voorbeelden van mineralen zijn klei, bruinkool, kwarts en ertsen. Met ‘derivaten’ worden stoffen bedoeld die zijn afgeleid uit mineralen door bijvoorbeeld verhitting of een scheidingsmethode. Zo is teer een derivaat van steenkool die door middel van verhitting van het steenkool is ontstaan.
Niet onder deze, maar onder de activiteit complexe minerale industrie valt:
- —
Het maken van cement, cementklinkers, ongebluste kalk, magnesiumoxide;
- —
Het maken van glas of glasvezels;
- —
Het smelten van minerale stoffen;
- —
Het maken van koolstof of elektrografiet door verbranding of grafitisering.
Door de toevoeging van functioneel ondersteunende activiteiten in het tweede lid omvat de aanwijzing het hele bedrijf. Functioneel ondersteunende activiteiten zijn activiteiten die ten dienste staan van de kernactiviteit en dit ook mogelijk maken. Functioneel ondersteunen is breed bedoeld en omvat naast technische ondersteuning van de kernactiviteit ook facilitaire voorzieningen zoals een centrale persluchtvoorziening of een laboratorium, facilitaire diensten zoals onderhoud, administratie of beveiliging, en faciliteiten voor personeel en bezoekers zoals een kantine, showroom of parkeerterrein.
Artikel 3.112 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikel 5.1, tweede lid, van de wet]
Op grond van de richtlijn industriële emissies is voor deze activiteit onder meer een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit vereist als er sprake is van een ippc-installatie voor het maken van keramische producten door verhitting, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein met een productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag of met een ovencapaciteit van meer dan 4 m3 en met een plaatsingsdichtheid per oven van meer dan 300 kg/m3.
Daarnaast is een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam vereist als er sprake is van het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater dat afkomstig is van de ippc-installatie.
Artikel 3.113 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikel 5.1, tweede lid, van de wet]
Dit artikel wijst het maken van asfalt, asfaltproducten, kalkzandsteen of cellenbeton aan als gevallen waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Voor deze processen is een BBT-toets nodig aanvullend op de regels die uit dit besluit volgen.
Artikel 3.114 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling) [artikel 5.1, tweede lid, van de wet]
Dit artikel wijst het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van keramische producten aan als geval waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Dit is een activiteit genoemd in bijlage II bij de mer-richtlijn waarvoor een mer-beoordeling nodig is. Het gaat hier om de activiteit onder de drempel die de richtlijn industriële emissies hanteert voor dit proces. Boven die drempel is artikel 3.112 van toepassing.
Artikel 3.115 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen vanwege geluidemissie) [artikel 5.1, tweede lid, van de wet]
Dit artikel wijst onder a enkele specifieke processen met een bijzondere geluidbeoordeling en onder b en c de zogenoemde ‘grote lawaaimakers’ in de minerale productenindustrie aan als geval waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Dit zijn bedrijven die zich alleen op een geluidgezoneerd industrieterrein mogen vestigen en waarvoor bijzondere beoordelingsregels voor geluid gelden.
Artikel 3.116 (algemene regels)
Dit artikel geeft aan welke paragrafen met regels gelden voor een bedrijf dat valt binnen de minerale producten industrie. De paragrafen over het eindonderzoek bodem en het PRTR-verslag implementeren Europese regels. De regels voor het eindonderzoek bodem (paragraaf 5.2.1) gelden voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie. De verplichting geldt dus niet voor het hele bedrijf met functioneel ondersteunende activiteiten, maar alleen voor de ippc-installatie. Voor een nadere toelichting op de consequenties van het PRTR-verslag wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij paragraaf 5.3.1. Paragraaf 5.4.4 geeft algemene eisen voor emissies in de lucht, maar geldt niet voor de activiteiten in het eerste lid, omdat de daar aangewezen paragrafen al specifieke eisen aan emissies stellen.
Artikel 3.117 (gegevens en bescheiden)
Artikel 3.117 regelt dat degene die de milieubelastende activiteit verricht vier weken van tevoren gegevens en bescheiden moet verstrekken aan het bevoegd gezag. Dit geldt ook als deze gegevens en bescheiden wijzigen. Deze informatieverplichting is iets anders dan een melding in de zin van artikel 4.4 van de wet; het daaruit voortvloeiende verbod om te starten met de activiteit is dan ook niet van toepassing.
Uit artikel 2.18 volgt welke algemene gegevens verstrekt moeten worden. Naast die algemene gegevens gaat het om:
- —
De begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht. Dit gaat om de volledige in artikel 3.111 aangewezen activiteit, dus de gehele minerale productenindustrie, met inbegrip van de ondersteunende activiteiten, bedoeld in het tweede lid. De bedoelde begrenzing is waar de locatie van het geheel aan activiteiten begint en ophoudt. Deze begrenzing kan bijvoorbeeld op een kaartje worden ingetekend.
- —
De verwachte datum van het begin van de activiteit. Degene die de activiteit gaat verrichten moet laten weten wanneer de kernactiviteit daadwerkelijk verricht zal worden. Het gaat hier om de verwachte datum van het begin van de activiteit; een dag vertraging in de planning leidt dus niet tot een overtreding van deze bepaling.
Het verstrekken van gegevens en bescheiden kan zowel elektronisch als per post; zie daarvoor afdeling 14.1 van het Omgevingsbesluit en de toelichting daarop.