Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.8.3.3
10.8.3.3 Proceskostenveroordeling
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS589493:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Losbladige Burgerlijke Rechtsvordering 2003 (E.J. Numann), art. 237, aant. 14; T&C Burgerlijke Rechtsvordering 2002 (Van Maanen), art. 254, aant. 3a; Asser 1999, nr. 5.15 en nr. 6.1; E. Groot in haar noot (sub 18) onder HR 28 januari 2005, JBPr 2005/32. Zie voor testamentair bewind: de rechthebbende is, onverminderd art. 6:172 BW, aansprakelijk voor alle schulden die voortspruiten uit rechtshandelingen die de bewindvoerder in zijn hoedanigheid in naam van de rechthebbende verricht (art. 4:174 lid 1 BW). Zie voor een last tot inning in eigen naam, Vermeulen 2005, p. 169, r.k., die verdedigt dat de proceskostenveroordeling (ook) op de lastgever kan worden verhaald. Zijn stand punt wijkt in zoverre van de heersende leer af, dat Vermeulen van mening is dat de proceskostenveroordeling ook op de lasthebber zelf kan worden verhaald. Dat de materiële procespartij aansprakelijk is, volgt ook uit de uitzonderingen (zie hieronder).
Zie Asser/Perrick 4* 2009, nr. 516. Vgl. voor de executeur, Luijten & Meijer 2009, p. 52.
Zie daarover hierna nr. 715.
Vgl. ten aanzien van de pandhouder, M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 770. Zie hierna nr. 716.
Vgl. M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 672. Zie ook hierna nr. 715.
Zie Asser/Perrick 4* 2009, nr. 516. Vergelijk art. 58 Rv (oud), dat bepaalde dat ' ... alle diegenen, welke de belangen van het beheer dat hun is toevertrouwd verwaarlozen, zuilen persoonlijk en uit hunne eigene beurs geheel of gedeeltelijk in de kosten verwezen mogen worden, [ ... ]zonder die op hunne principalen te kunnen verhalen.' Zie over art. 58 Rv, Haardt 1945, p. 72 e.v. en p. 78 voor rechtspraakvoorbeelden. In de oudere literatuur is verdedigd dat de wederpartij in dergelijke gevallen alleen de formele procespartij kan aanspreken, niet (ook) de materiële procespartij. Zie Haardt 1945, p. 75; Van Rossem/Cleveringa 1972, art. 58, aant. 1.
Zie Haardt 1945, p. 75.
Zie o.a. Kamerstukken II 1999-2000, 26 855, nr. 3, p. 138; HR 12 december 1975, NJ 1976, 569; HR 27 februari 2004, NJ 2004, 285; T&C Burgerlijke Rechtsvordering 2002 (Van Maanen), art. 254, aant. 3a; Losbladige Burgerlijke Rechtsvordering 2003 (E.J. Numann), art. 237, aant. 14 en 17. Zie voor het oude recht art. 58 Rv (oud); Haardt 1945, p. 72 e.v. Voor de onmiddellijk vertegenwoordiger volgt hetzelfde resultaat uit art. 3:70 (jo 3:78) BW. De procesonbevoegde derde wordt bovendien niet-ontvankelijk verklaard, zie hiervoor nr. 126 e.v. Vgl. over 'spookpartijen', Cleveringa 1967, p. 65 e.v.
Zie HR 29 januari 1943, NJ 1943, 198; en Kamerstukken II 1999-2000, 26 855, nr. 3, p. 138.
651. Een proceskostenveroordeling komt in beginsel voor rekening van de materiële procespartij.1 De formele procespartij die in hoedanigheid procedeert, wordt in beginsel in hoedanigheid in de proceskosten veroordeeld.2 Uit de proceskostenveroordeling kan uiteraard anders voortvloeien. De proceskostenveroordeling staat los van de vraag wie in de interne verhouding tussen de materiële procespartij en de formele procespartij de proceskosten draagt.3 Dat zal in de regel eveneens de materiële procespartij (de schuldeiser) zijn, maar uitzonderingen zijn denkbaar. Bijvoorbeeld, als de inningsbevoegde derde als formele procespartij als gebrekkig procedeert, daardoor de procedure verliest en de schuldeiser als materiële procespartij in de proceskosten worden veroordeeld, kan de schuldeiser (onder meer) de proceskosten op de procesbevoegde derde verhalen op grond van wanprestatie. De proceskostenveroordeling staat ook los van de vraag door wie de proceskosten aan de schuldenaar worden betaald. Is de formele procespartij uit hoofde van zijn taakstelling gehouden om de verplichtingen van de materiële procespartij af te wikkelen, zoals een curator ten aanzien van de gefailleerde, dan zal híj degene zijn die voor rekening van de faillissementsboedel voor de daadwerkelijke betaling van de proceskosten zorg draagt. Ook is het mogelijk dat de formele procespartij de proceskosten zelf vergoedt, en zich vervolgens op de materiële procespartij verhaalt (al dan niet door verrekening).4 Procederen de vruchtgebruiker en de hoofdgerechtigde gezamenlijk in een procedure ex art. 3:218 BW, of de pandhouder en de pandgever in een procedure ex art. 3:245 BW, dan worden zij, omdat zij allebei materiële procespartij zijn, gezamenlijk in de proceskosten veroordeeld.5
De formele procespartij die niet tevens materiële procespartij is, wordt alleen in uitzonderingsgevallen pro se in de kosten veroordeeld. Daarvan is onder meer sprake als de procesbevoegde derde, zoals een executeur, bewindvoerder of curator, verwaarlozing van de hem toevertrouwde belangen kan worden verweten.6 Een dergelijke proceskostenveroordeling pro se is ook mogelijk als de desbetreffende persoon met machtiging van de rechter heeft geprocedeerd (vgl. o.a. art. 1:443, 4:173 BW, art. 68 lid 2 Fw).7 Voorts wordt degene die onbevoegd ten aanzien van andermans vordering procedeert, pro se in de proceskosten veroordeeld (art. 245 lid1 Rv).8 Dat geldt ook voor bestuurders die onbevoegd namens een rechtspersoon procederen.9 Bij derdenbeslag volgt uit art. 477a lid 2 Rv dat de beslaglegger aansprakelijk is voor de proceskosten. De rechter kan op verlangen van de derde-beslagene bepalen dat de beslaglegger, op straffe van niet-ontvankelijkheid, zekerheid moet stellen voor de proceskosten, waarin hij jegens de derde-beslagene kan worden veroordeeld. Het impliceert dat niet de geëxecuteerde, maar de beslaglegger aansprakelijk is voor de proceskosten.
652. De proceskostenveroordeling wijkt bij de stille cessie van het voorgaande af. De schuldenaar kan niet alleen de stille cessionaris als materiële procespartij aansprakelijk stellen, maar op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW ook de stille cedent. De schuldenaar kan zich verhalen op de stille cessionaris, omdat deze als materiële procespartij aansprakelijk is voor de proceskostenveroordeling. De schuldenaar kan zich daarnaast ook op de stille cedent verhalen, omdat hij hem op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW voor zijn schuldeiser kan houden en daarmee ook aansprakelijk kan houden voor de proceskosten.