Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.3.4:8.3.4 Tussenconclusie
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.3.4
8.3.4 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS458906:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat kan nu uit het bovenstaande geconcludeerd worden over de formele of materiële invulling van het budgetrecht? Zoals aan de orde kwam in par. 5.4, is een formele benadering van het budgetrecht gericht op het vaststellen van begrotingen bij wet. Een materiële lezing van het budgetrecht stelt de zeggenschap van het parlement bij overheidsbestedingen centraal. Het parlement moet in het kader van het materiële budgetrecht in meerderheid concrete voorgenomen overheidsuitgaven goed- of afkeuren, waarvoor vereist is dat het geïnformeerd wordt over die voornemens.
Die zeggenschap had het parlement bij de eerste steun aan Griekenland. De Jager vroeg hiervoor toestemming aan het parlement.1 Die toestemming bleek uit het verwerpen van een motie waarin de regering werd opgeroepen om niet akkoord te gaan met de steun.2 De parlementaire behandeling van de eerste Europese noodfondsen die kort daarna tot stand kwamen, biedt mijns inziens echter vooral aanknopingspunten voor een formele lezing van het budgetrecht. Hoewel het debat in de Kamers niet gericht was op de formele instemming met een wijziging van de begroting, gingen de Staten-Generaal tijdens de parlementaire behandeling, vooruitlopend op een dergelijke wijziging, akkoord met de fondsen als geheel en met de gevolgen voor de begroting. Bij het verlenen van steun vanuit die fondsen aan afzonderlijke lidstaten zouden beide Kamers dus, in tegenstelling tot bij de eerste steun die verleend werd aan Griekenland, geen instemmingsrecht meer hebben. De parlementaire behandeling van de eerste Europese noodfondsen was daarom niet gericht op de instemming van het parlement bij concrete overheidsuitgaven. Weliswaar was duidelijk dat de fondsen gebruikt zouden worden voor steun aan Europese lidstaten in moeilijkheden, maar het parlement zou door de instemming met de fondsen geen zeggenschap meer hebben over de landen waaraan hulp zou worden verleend, de bedragen waarmee dat zou gebeuren en de voorwaarden waaronder die steun vorm zou krijgen. Met betrekking tot de parlementaire behandeling van de eerste Europese noodfondsen hebben regering en parlement het budgetrecht mijns inziens dus overwegend formeel geïnterpreteerd.