Einde inhoudsopgave
De overeenkomst in het insolventierecht (R&P nr. InsR3) 2012/7.4.1
7.4.1 Het rapport van de Commissie-Mijnssen
mr. T.T. van Zanten, datum 14-09-2012
- Datum
14-09-2012
- Auteur
mr. T.T. van Zanten
- JCDI
JCDI:ADS383162:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Het rapport is bij brief van 26 oktober 1989 ter kennisneming aan de Tweede Kamer gezonden; zie Kamerstukken II, 1989-1990, 21 362, nr 1. Blijkens de inleiding bij het rapport, p. 23, vormden herhaalde vragen uit de Tweede Kamer in verband met de toenemende kritiek op het disfunctioneren van de surseance van betaling en een verzoek om standpuntbepaling ten aanzien van de in 1984 verschenen voorstellen van de Commissie-Maas aanleiding tot de instelling van de Commissie-Mijnssen. De Commissie-Maas was in 1983 in het leven geroepen door het bestuur van de Vereeniging 'Handelsrecht' ter bestudering van de mogelijkheid om voorstellen of aanbevelingen te formuleren met betrekking tot het onderwerp van de in haar continuïteit bedreigde onderneming. Dit heeft geresulteerd in de aanbieding aan de minister van een geheel uitgewerkte `Schets voor een Wet reorganisatie en herstel ondernemingen' eind 1984, die evenwel niet zozeer was bedoeld om de regering tot wetgevingsactiviteit aan te zetten, als wel om een bijdrage te leveren aan de gedachtevorming op dit terrein. Aan de problematiek van de opschortings- en beëindigingsrechten wordt in het `wetsvoorstel' noch in de toelichting erop aandacht besteed.
Zie het rapport, p. 116-117 en p. 118-119.
Zie het rapport, p. 118.
Zie het rapport, p. 125-136. Zie voorts nader § 7.7.
Zie Kamerstukken II, 1993/94, 23 400 VI, nr. 36.
De eerste keer dat serieuze aandacht werd geschonken aan het belang van de instandhouding van het bestaande netwerk van contracten voor de mogelijkheden om de activiteiten van de schuldenaar te kunnen continueren, was in het in 1989 verschenen rapport van de Commissie-Mijnssen, welke commissie enige jaren daarvoor door de minister van Justitie was ingesteld teneinde te adviseren omtrent een eventuele herziening van de Faillissementswet. In het rapport deed de commissie een groot aantal voorstellen tot wijziging van de regeling van de surseance van betaling en bepleitte zij voorts de invoering van een schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen.1
In de voorstellen die betrekking hadden op de regeling van de surseance was een centrale plaats ingeruimd voor het zogeheten 'moratorium'. Beoogd werd het moratorium tegelijk met de voorlopige verlening van de surseance te doen ingaan voor een periode van maximaal zes maanden, gedurende welke periode tal van bijzondere maatregelen ertoe moesten leiden dat de schuldenaar kon (blijven) beschikken over de voor de bedrijfsvoering benodigde financiële middelen, goederen en diensten. Zo stelde de commissie voor om werking te ontzeggen aan contractuele clausules die de overeenkomst bij de opening van de surseance of een aanvrage daartoe van rechtswege doen eindigen of de wederpartij in een dergelijk geval de bevoegdheid bieden het contract eenzijdig te beëindigen. Ook werd voorgesteld om contractpartijen van de schuldenaar de bevoegdheid te ontnemen hun eigen prestaties op te schorten of de overeenkomst te ontbinden of anderszins te beëindigen in verband met op de datum van de (voorlopige) surseanceverlening reeds bestaande schulden.2 De ná de toepassing van de surseance door de wederpartij te verrichten prestaties dienden bij wege van boedelschuld te worden voldaan, behoudens voor zover de wederpartij reeds daarvóór met betrekking tot die prestaties in gebreke was.3 De hier bedoelde regels dienden naar het oordeel van de commissie tevens te gelden voor kredietovereenkomsten, zij het dat het voorgestelde regime daarvoor zelfs nog iets strenger was, onder meer doordat ook een beëindiging binnen veertien dagen vóór de toepassing van de procedure kon worden doorkruist.4
Een reactie van de wetgever op de voorstellen van de Commissie-Mijnssen die betrekking hadden op wijziging van de surseanceregeling heeft lang op zich laten wachten. Zij kwam uiteindelijk in de vorm van een brief van staatssecretaris van Justitie Kosto aan de Tweede Kamer d.d. 27 april 1994. In deze brief werd medegedeeld dat van regeringszijde was besloten om de voorstellen van de Commissie-Mijnssen niet door te voeren, omdat zij als geheel te ver zouden gaan. Wél bestond volgens de staatssecretaris het voornemen om door middel van wetgeving enige verbeteringen in de surseanceregeling aan te brengen. Eén van de beoogde wijzigingen betrof de introductie van een bepaling op grond waarvan de rechtbank tijdens de beginfase van de voorlopige surseance op verzoek van de schuldenaar en/of de bewindvoerder partijen bij met de schuldenaar gesloten wederkerige overeenkomsten kon verplichten om gedurende een periode van veertien dagen — met de mogelijkheid van verlenging tot één maand in bijzondere gevallen — te blijven presteren, mits voor tijdens die periode te verrichten prestaties zekerheid zou worden gesteld of deze contant zouden worden afgerekend. Ook de financier zou aldus kunnen worden verplicht de ingezette kredietlijnen te handhaven, indien van de zijde van de schuldenaar aannemelijk zou kunnen worden gemaakt dat de zekerhedenpositie van de financier niet al te zeer zou verslechteren. Rechtshandelingen als opzegging en eenzijdige beëindiging door wederpartijen, verricht binnen een korte periode vóór het van kracht worden van de doorleverings- en doorfinancieringsverplichting, zouden als niet verricht worden beschouwd.5 Tot een concreet wetsvoorstel hebben deze plannen van de staatssecretaris het bij mijn weten echter nooit gebracht.
Beter verging het de voorstellen van de Commissie-Mijnssen die betrekking hadden op de invoering van een schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen. Sinds 1 december 1998 is de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP) — opgenomen in Titel III van de Faillissementswet — van kracht, waaraan de voorstellen van de Commissie-Mijnssen mede ten grondslag hebben gelegen. De regeling van de WSNP kent in art. 304 Fw een doorleveringsplicht voor leveranciers van gas, water, elektriciteit of verwarming,6 en in art. 305 lid 2 Fw voor de verhuurder van woonruimte.