Art. 31 Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht 1969. Zie omtrent de schending van de goede trouw die in acht moet worden genomen door Nederland bij de uitleg van een verdrag uw uitspraak van 19 juni 2009, nr. 44050. BNB 2009/264.
HR, 22-04-2016, nr. 15/03689
15/03689
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-04-2016
- Zaaknummer
15/03689
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:704, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑04‑2016; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2015:4789, Bekrachtiging/bevestiging
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑04‑2016
- Vindplaatsen
BNB 2016/132 met annotatie van P. KAVELAARS
Belastingadvies 2016/10.6
NLF 2017/0442
NTFR 2016/1315 met annotatie van T. El Ouardi
FutD 2016-1043
Viditax (FutD) 2016042208
Uitspraak 22‑04‑2016
Inhoudsindicatie
Socialezekerheidsverdrag Nederland-Australië; artikel 2.3, letter b, Regeling Wfsv (tekst 2009); artikel 5.6, letter b, Regeling zorgverzekering (tekst 2009). Premie AWBZ en bijdrage Zvw verschuldigd over in Australië belast pensioen. De heffing van belasting door Australië kan niet worden aangemerkt als premieheffing.
Partij(en)
22 april 2016
nr. 15/03689
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 juni 2015, nrs. 14/00605 en 14/00606, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 13/5001 en AWB 13/5002) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: inkomensafhankelijke bijdrage Zvw). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de klachten
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende woonde gedurende het gehele jaar 2009 in Nederland. Hij heeft zowel de Nederlandse als de Australische nationaliteit.
2.1.2.
Belanghebbende ontving in 2009 uitsluitend een pensioen uit Australië, dat hij heeft opgebouwd in overheidsdienst aldaar. Ter zake daarvan heeft belanghebbende in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2009 een bedrag aangegeven van € 20.002.
2.1.3.
De Sociale Verzekeringsbank heeft belanghebbende op zijn verzoek vrijstelling verleend van de verzekeringsplicht op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet en de Algemene Kinderbijslagwet. Van de verzekeringsplicht op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) is geen vrijstelling verleend.
2.1.4.
Bij het vaststellen van de onderhavige aanslagen heeft de Inspecteur de aangifte gevolgd en het belastbare inkomen uit werk en woning, het premie-inkomen als bedoeld in artikel 8 van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) en het bijdrage-inkomen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet vastgesteld op € 20.002. Voor het gehele bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting is een aftrek verleend ter voorkoming van dubbele belastingheffing. Na aftrek van een gecombineerde heffingskorting van € 869 bedraagt de aanslag IB/PVV € 1.561, welk bedrag geheel bestaat uit verschuldigde premie AWBZ. De opgelegde aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw bedraagt € 960.
2.2.1.
Voor het Hof was in geschil of het door belanghebbende genoten Australische pensioen behoort tot het premie-inkomen respectievelijk het bijdrage-inkomen.
2.2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat het Belastingverdrag Nederland-Australië betrekking heeft op belastingheffing, zodat dat verdrag niet van toepassing is op de heffing in Nederland van premies voor de sociale verzekeringswetten.
2.2.3.
Het Hof heeft voorts geoordeeld dat het Socialezekerheidsverdrag Nederland-Australië niet van toepassing is op de heffing van premie AWBZ en op de heffing van inkomensafhankelijke bijdrage Zvw, omdat in artikel 2, lid 7, van dit verdrag is bepaald dat het niet van toepassing is op regelingen inzake sociale en medische bijstand.
2.2.4.
Belanghebbendes beroep op artikel 2.3, letter b, Regeling Wfsv (tekst 2009) respectievelijk artikel 5.6, letter b, Regeling zorgverzekering (tekst 2009) heeft het Hof verworpen. Voor het buiten aanmerking laten van een gedeelte van het premie-inkomen is als voorwaarde gesteld dat dat gedeelte moet zijn onderworpen aan de premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van een andere mogendheid respectievelijk premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake ziektekosten van een andere mogendheid. De heffing van belasting door Australië kan naar het oordeel van het Hof niet worden aangemerkt als premieheffing in vorenbedoelde zin.
2.3.1.
De klachten richten zich onder meer tegen het hiervoor in 2.2.4 omschreven oordeel van het Hof met het betoog dat het Hof ten onrechte uitgaat van een formeel premiebegrip in plaats van een materieel premiebegrip. Het door belanghebbende genoten Australische pensioen is in feite onderworpen aan premieheffingen door Australië, aangezien aldaar onder de naam belasting bijdragen worden geheven voor de Australische wettelijke gezondheids- en ouderdomszorg, aldus dit betoog.
2.3.2.
De klachten falen in zoverre. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de wetgever met het begrip “premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden” in artikel 2.3, letter b, Regeling Wfsv (tekst 2009) respectievelijk het begrip “premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake ziektekosten” in artikel 5.6, letter b, Regeling zorgverzekering (tekst 2009), tevens het oog had op de heffing van belastingen in een belastingstelsel dat mede strekt tot de financiering van de sociale zekerheid.
2.3.3.
De klachten kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2016.
Beroepschrift 22‑04‑2016
Klacht A (Materieel premiebegrip)
Er is sprake van een schending en/of verkeerde toepassing van het recht, meer in het bijzonder van artikel 2.3 van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën van 2 december 2005, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/F&W/05/96420, ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: ‘Regeling wfsv’) en artikel 43 jo. art. 5.7 (art. 5.6 oud) lid 2, onder b, ten derde, van de Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 september 2005, nr. Z/VV-2611957, houdende regels ter zake van de uitvoering van de Zorgverzekeringswet (hierna: ‘Regeling zorgverzekering’), omdat het Hof in rechtsoverweging 4.10. heeft geoordeeld dat het door mij genoten Australisch inkomen niet is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van een andere mogendheid. Het Hof gaat daarbij uit van een formeel premiebegrip in plaats van een materieel premiebegrip. Mitsdien is 's Hofs uitspraak onjuist althans onbegrijpelijk (gemotiveerd).
Toelichting
Uit rechtsoverweging 4.10 blijkt dat het Hof bij de beantwoording van de vraag of sprake is een andere mogendheid die krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overleden premie heft acht slaat op ‘een formeel premiebegrip’. Deze conclusie is onbegrijpelijk en onjuist daar de wet niets anders vereist dan feitelijk onderworpenheid.
In de procedure staat niet ter discussie dat Australia een ‘all-in’ belasting hanteert. Mijn Australisch pensioen zou niet moeten behoren tot het premie-inkomen voor de berekening van de premies volksverzekeringen/AWBZ en het bijdrage-inkomen voor de Zvw. Onder de naam belasting (tax levied on the CSS pension) wordt immers van de onderdaan een bijdrage geheven voor Australische wettelijke gezondheids- en ouderdomszorg. De mij betaalde belasting wordt door de Australische overheid aan diverse overheidsuitgaven (wettelijke regelingen met betrekking tot ouderdoms- en gezondheidszorg) toegerekend. Voor de facto de evenknie van de voormelde premieheffingen is mijn Australische inkomen materieel dus onderworpen aan een premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van een andere mogendheid.
Ik beroep me met name uitdrukkelijk op het bepaalde in art. 2.3 van de Regeling Wfsv aanhef en sub b, ten derde:
‘Voor de heffing van premie voor de volksverzekeringen behoren niet tot het premieinkomen:
- b.
ten aanzien van degene die verzekerd is en die tevens werkzaamheden verricht of heeft verricht buiten het Europese deel van Nederland;
- 3.
het gedeelte van het premie-inkomen dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van de andere mogendheid;’
IK beroep me — op gelijke voet met hetgeen betoogd wat betreft de Regeling Wfsv — op art. 43 jo. art. 5.7 (art. 5.3 oud) lid 2, onder b, ten derde, van de Regeling zorgverzekering. Artikel 5.7 luidt:
- ‘2.
Tot het loon, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, of het bijdrage-inkomen, bedoeld in artikel 43 van die wet, behoren niet:
(…)
- b.
ten aanzien van degene die verzekeringsplichtig is en die tevens werkzaamheden verricht of heeft verricht buiten het Europese deel van Nederland:
(…)
- 3o.
het gedeelte van het loon of het bijdrage-inkomen, dat, bij gebreke van een internationale regeling. Is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake ziektekosten van een andere mogendheid.’
Ik ontvang mijn overheidspensioen vanuit Australië, heb werkzaamheden verricht buiten Nederland en mijn overheidspensioen is in Australië onderwerpen aan belasting dat tevens een verzekeringsbijdrage althans heffing inhoudt voor soortgelijke of vergelijkbare zorgvoorzieningen.
Op grond hiervan ben ik van oordeel dat het Hof heeft verzaakt in zijn uitspraak de redenen duidelijk te maken op grond waarvan hij uitgaat van een formeel premiebegrip. Het hanteren van een formele interpretatie is bovendien onjuist.
Klacht B (Verdragstoepassing — Belastingverdrag)
Er is sprake van een schending en/of verkeerde toepassing van het recht, meer in het bijzonder van artikel 2 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië tot het vermijden van dubbele belasting en voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, gesloten te Canberra 17 maart 1976 (hierna: ‘VVDB’) en artikel 26 jo. artikel 31 Verdrag van Wenen inzake het verdragen recht 1969, omdat het Hof in rechtsoverweging 4.6.4.7 en 4.9 heeft geoordeeld dat de heffing van premies voor de sociale verzekeringswetten en de daarop gebaseerde regelgeving niet als belastingheffing kan worden aangemerkt en evenmin als in wezen daaraan gelijk, zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid VVDB. Dit oordeel is onjuist althans onvoldoende door het Hof gemotiveerd.
Toelichting
Naar doel en strekking dient het VVDB de forse dubbele heffing waarmee ik word geconfronteerd te voorkomen. Ik doe hierbij nogmaals een beroep op de goede verdragstrouw van Nederland. Het kan immers niet de bedoeling zijn geweest om in een geval als de mijne, waarin het gaat om een verdragspartner waarmee een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting én een verdrag inzake sociale zekerheid is gesloten, door een eenzijdige interpretatie van Nederland niet onder de werking van één van deze verdragen te laten vallen.
Ingevolge art. 3 lid 3 VVDB jo. art. 26 jo. art 31 Verdrag van Wenen inzake het verdragen recht 1969 (waar zowel Australië als Nederland partij bij is) dient: ‘een verdrag [moet] te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het Verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het Verdrag’1.. De goede trouw die in acht moet worden genomen bij de uitleg van een (belasting)verdrag brengt mee dat de verdeling van de heffingsbevoegdheden zoals geregeld in een (belasting)verdrag, niet kan worden uitgehold door eenzijdig een regeling in de Nederlandse wetgeving op te nemen die afbreuk doet aan de overeengekomen verdeling conform een (belasting)verdrag.2.
Op grond van de goede verdragstrouw kan Nederland niet volstaan met een zeer restrictieve interpretatie van art. 2 VVDB. Het verdrag is namelijk van toepassing op de belastingen genoemd in art. 2 lid 1 maar dok, op grond van lid 2, ‘op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die door een van de Staten na de datum van ondertekening van deze Overeenkomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven’.
Nederland heeft sinds het sluiten van het VVDB in 1978 de inkomstenbelasting en het premiestelsel grondig herzien. Nederland heeft om (nationaal) politieke redenen gekozen om de staat te laten voorzien in een deel van de kosten van de AWBZ en de Zvw via het premiestelsel en niet uitsluitend via de inkomstenbelasting. In praktijk en in financieel-economische zin is dit onderscheid arbitrair — Nederland sluit voor de heffing van de voorgenoemde premies volledig aan bij de reguliere belastingsystematiek (aansluiting bij het inkomstenbelastingsysteem in de brede zin, hetzelfde aangifteprogramma en de uitvoeringsorganisatie is de belastingdienst. Daarnaast wordt de opbrengst gebruikt voor de financiering van de sociale zekerheid waar de inkomstenbelasting ook — deels — aan ten goede komt). De belastingdienst lijkt zelf geen onderscheid te maken tussen de premieheffing en de inkomstenbelasting, maar ziet belde als een belasting op inkomen3..
Nederland en de inspecteur meten in casu met twee maten en schenden de goede verdragstrouw door een verplichte betaling over inkomen welke volledig aansluit bij de inkomstenbelasting en deels voor hetzelfde doel wordt gebruikt niet te kwalificeren als een ‘in wezen gelijksoortige belasting’. Ook zijn de gebezigde rechtsoverweging(en) in het licht van de processtukken onvoldoende duidelijk waardoor de uitspraak onvoldoende inzicht geeft in 's Hofs gedachtegang. Het Hof oordeelt onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd dat mijn andersluidende opvatting geen steun vindt in het recht.
Op grond art. 2 lid 2 jo. art. 19 VVDB dient Nederland zich te onthouden van de heffing van een in wezen gelijksoortige belasting, namelijk de premieheffing van de AWBZ en de Zvw. Ik acht dit oordeel van het Hof dan ook onjuist en niet goed gemotiveerd.
Klacht C (Verdragstoepassing — Sociale zekerheidsverdrag)
Er is sprake van schending en/of verkeerde toepassing van het recht, meer in het bijzonder van artikel 2, eerste lid jo. het zevende lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake sociale zekerheid, met Administratief Akkoord; 's‑Gravenhage, 2 juli 2001 (hierna: ‘Socialezekerheidverdrag’), omdat het Hof in rechtsoverweging 4.8 en 4.9 heeft geoordeeld dat de Australische regeling voor ziektekosten (Medicare) en de Nederlandse AWBZ en Zvw niet onder de materiële werkingssfeer van dat verdrag kunnen worden gebracht en dat het verdrag niet van toepassing op regelingen inzake sociale en medische bijstand is. Dat is onjuist althans onvoldoende en onbegrijpelijk gemotiveerd.
Toelichting
Naar doei en strekking dient het sociale zekerheidsverdrag dubbele heffing tegen te gaan. Belanghebbende doet een beroep op de goede verdragstrouw van Nederland. Het kan immers niet de bedoeling zijn geweest om in zijn situatie, waarin het gaat om een verdragspartner waarmee een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting en een verdrag inzake sociale zekerheid is gesloten, door een eenzijdige interpretatie van Nederland niet onder de werking van één van deze verdragen te laten ressorteren.
Meer concreet dienen de AWBZ en de Zvw onder de materiele werkingssfeer van artikel 2, eerste lid van het Socialezekerheidsverdrag te worden gebracht.
Daarnaast dient artikel 2, zevende lid, van het Socialezekerheidsverdrag ruim te worden geïnterpreteerd en aldus dienen de AWBZ en de Zvw ook ingevolge dit artikel onder de werkingssfeer van het Socialezekerheidsverdrag te worden gebracht.
Het Socialezekerheidsverdrag is aldus van toepassing op de heffing van premies op grond van de AWBZ en de Zvw. Nederland dient derhalve ook dit verdrag conform de goede verdragstrouw, als uiteengezet in klacht B, te interpreteren.
Ik concludeer dat Nederland zich dient te onthouden van de premieheffing van de AWBZ en de Zvw.
conclusie
Ik meen dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. Ik verzoek u dan ook de uitspraak te vernietigen op de gronden zoals ik die heb aangedragen of zover u dat zelf geraden acht.
Verder verzoek ik u de Staat te veroordelen in de kosten die ik heb gemaakt en tot de betaling van een immateriële schade vergoeding.
[…]
[…]