Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.4.3.4
4.3.4 De verkrijging van een overbedelingsuitkering
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948249:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 2.2 van hoofdstuk 7.
Zie hierover ook paragraaf 4 van hoofdstuk 7.
Zie met name de Toelichting Meijers bij artikel 3:229 BW, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 735. Zie tevens de parlementaire toelichting bij artikel 3:177 lid 1 BW, Parl. Gesch. Boek 3 BW (MvA II), p. 602, waar wordt opgemerkt dat wanneer een goed bij de verdeling op grond van artikel 3:177 lid 1 BW wordt bevrijd van een vruchtgebruik of een beperkt zekerheidsrecht, dat daarvóór op een aandeel in dat goed rustte, de beperkt gerechtigde bovendien bescherming vindt in artikel 3.8.11 (artikel 3:213 BW) en artikel 3.8.1.3 (artikel 3:229 BW), aan welke bepalingen de beperkt gerechtigde de bevoegdheid ontleent zijn recht uit te oefenen op de overbedelingsuitkering van de deelgenoot die minder dan zijn aandeel heeft ontvangen. Zie tevens paragraaf 4.4 van hoofdstuk 7.
472. In de vorige twee (sub)paragrafen is er telkens van uitgegaan dat een echtgenoot uit de verdeling één of meer goederen van de gemeenschap ontvangt. Een verdeling zal echter vaak aldus plaatsvinden dat één of meer deelgenoten één of meer goederen uit de verdeling verkrijgen, waarbij de ander(en) een overbedelingsvordering op die deelgeno(o)t(en) verkrijgen (zie artikel 3:185 lid 2 sub b BW). Bij een gemeenschap die krachtens erfrechtelijke titel of gift is ontstaan komt dan de vraag op of een dergelijke overbedelingsvordering tot de huwelijksgemeenschap gaat behoren waarin de betreffende echtgenoot is gehuwd. Het antwoord op die vraag is dat de overbedelingsuitkering in beginsel onder de werking van boedelmenging valt. Daarbij maakt het niet uit of men aan de verdeling een translatieve werking of een declaratieve werking toekent. De overbedelingsuitkering ontstaat immers als een nieuw goed uit de verdeling. Een overbedelingsuitkering kwalificeert als een vorderingsrecht, welk vorderingsrecht uit de wijze van verdeling voortvloeit. Vóór de verdeling bestond dat vorderingsrecht nog niet. Deze vordering kan dus nimmer ‘uit handen van de gemeenschappelijke rechtsvoorganger van de deelgenoten’ zijn verkregen. Dat geldt dus ook als men in artikel 3:186 lid 2 BW de declaratieve werking van de verdeling leest. De overbedelingsuitkering werd vóór de verdeling niet gezamenlijk door de deelgenoten gehouden. Van een situatie waarin een deelgenoot een overbedelingsuitkering verkrijgt ‘die hij gaat houden onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten deze tezamen voor de verdeling hielden’ kan dus geen sprake zijn. Ook als men aan de verdeling declaratieve werking toekent, zal de verkrijging van de overbedelingsvordering dus als een verkrijging krachtens een zelfstandige titel kwalificeren, ontstaan uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten zelf. Dat betekent dat de overbedelingsuitkering niet ‘krachtens erfrechtelijke titel’ of ‘krachtens schenking’ is verkregen, en dus onder de reikwijdte van boedelmenging valt, óók wanneer sprake is van een beperkte huwelijksgemeenschap en/of wanneer aan de gemeenschappelijke verkrijging een uitsluitingsclausule was verbonden.
473. Dat een overbedelingsuitkering in alle gevallen onder de werking van boedelmenging valt, wil evenwel nietzeggen dat deze niet alsnog van de huwelijksgemeenschap kan zijn uitgezonderd. Een overbedelingsuitkering zal alsnog van de huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd wanneer de gemeenschappelijke goederen vóór de verdeling van de huwelijksgemeenschap uitgezonderd waren. In dat geval ontstaat door de verdeling een situatie waarin de gemeenschappelijke goederen die vóór de verdeling tot het privévermogen van de betreffende echtgenoot behoorden, en dus zijn enig eigendom waren, door die verdeling worden vervangen door een goed (de overbedelingsuitkering) dat op grond van boedelmenging tot de huwelijksgemeenschap dreigt te gaan behoren, en dus gemeenschappelijk eigendom dreigt te worden. Aldus dreigt op grond van ‘de gebruikelijke regels van het goederenrecht’ (i.e. boedelmenging) een ongerechtvaardigde vermogensverschuiving op te treden, en wel buiten toedoen van de betreffende echtgenoot om. Dat is grond voor ingrijpen via zaaksvervanging.1 Artikel 1:94 lid 6 BW en artikel 1:94 lid 4 oud BW voorzien daarin. Deze artikelen bepalen dat buiten de gemeenschap valt hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt, alsmede een vordering tot vergoeding die in de plaats van een eigen goed van een echtgenoot treedt, waaronder begrepen een vordering ter zake van waardevermindering van zulk een goed.2 Alhoewel dit niet uit de letterlijke tekst van artikel 1:94 lid 6 BW en artikel 1:94 lid 4 oud BW volgt, valt onder een ‘vordering tot vergoeding’ óók een overbedelingsuitkering.3 Dat betekent dat de overbedelingsuitkering die een echtgenoot in het kader van een verdeling ontvangt buiten de huwelijksgemeenschap zal vallen wanneer (zijn ‘aandeel in’) de gemeenschappelijke goederen vóór de verdeling ook tot zijn privévermogen behoorde. Is dat niet het geval, dan zal de overbedelingsuitkering op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW/artikel 1:94 lid 2 oud BW ‘gewoon’ tot de (beperkte of algehele) wettelijke huwelijksgemeenschap gaan behoren.