Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/14.3.3
14.3.3 Overgang van afhankelijke rechten bij overgang van het hoofdrecht
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS296790:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Steneker 2012, p. 13 voor enkele voorbeelden ten aanzien van afhankelijke zekerheidsrechten.
Zie Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 313, waarin het voorbeeld genoemd wordt van het onteigenen van een perceel, terwijl ten gunste van het eigendomsrecht op dit perceel een recht van erfdienstbaarheid was gevestigd.
Zie Faber & Vermunt 2010, p. 155 ten aanzien van afhankelijke zekerheidsrechten.
Zie voor een opsomming van wijzen waarop een hoofdrecht onder bijzondere titel kan overgaan Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 200 en specifiek ten aanzien van vorderingen Faber 2005, p. 247, 261.
Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 561 e.v.
Zoals onder meer gebeurt bij Blomkwist 2012, para. 10, p. 29.
Huizingh 2016, p. 306-307.
Zie meer uitgebreid Huizingh 2018.
Hetzelfde geldt ten aanzien van de in art. 6:157 lid 3 en 4 BW genoemde nevenrechten.
596. Wanneer het hoofdrecht van een afhankelijk recht overgaat naar een ander vermogen, volgt het afhankelijke recht automatisch (art. 3:82 BW). De wijze waarop het hoofdrecht overgaat is daarbij in beginsel onbelangrijk.1 Zo gaan afhankelijke rechten ook automatisch mee over indien het hoofdrecht op grond van een publiekrechtelijke bevoegdheid overgaat.2 Ook indien hoofdrechten onder algemene titel naar een ander vermogen overgaan, volgen de afhankelijke rechten die aan deze hoofdrechten verbonden zijn.3 Bij overgang onder bijzondere titel maakt de wijze waarop dat gebeurt in beginsel geen verschil.4 Daarom gebruik ik in dit onderzoek de meest voorkomende vorm van overgang onder bijzondere titel – de overgang als gevolg van een overdracht – als voorbeeld om alle vormen van overgang onder bijzondere titel te bespreken (zie randnummer 48).
597. Er is één geval waarin de wijze van overgang onder bijzondere titel wel van belang is. Dit speelt indien afhankelijke zekerheidsrechten worden verstrekt door een ander dan de schuldenaar, in de vorm van een borgtocht of een beperkt zekerheidsrecht op een goed dat niet aan de schuldenaar toebehoort (zogenaamde ‘derdenzekerheid’). Normaal gesproken gaan zulke afhankelijke derdenzekerheidsrechten automatisch over op degene die de gesecureerde vordering verkrijgt. In het geval de vordering wordt verkregen door subrogatie maakt art. 6:151 lid 2 BW hierop een uitzondering: zolang de derdenzekerheidgever niet intern draagplichtig is jegens de schuldenaar, gaat het door hem verstrekte zekerheidsrecht teniet. De reden daarvoor is dat anders een carrousel van partijen kan ontstaan die steeds verhaal nemen en vervolgens weer worden uitgewonnen voor een schuld die hen zelf niet aangaat.5
598. In de literatuur wordt ook de regeling van art. 6:157 lid 2 en 6:159 lid 3 BW – die sterk lijkt op die van art. 6:151 lid 2 BW – als een uitzondering op het afhankelijke karakter van door derden verschafte zekerheidsrechten gezien.6 Bij het geven van derdenzekerheid zal de zekerheidsgever vaak vertrouwen op (zijn persoonlijke relatie met) de schuldenaar. Wordt voor deze schuldenaar door schuldoverneming of contractsoverneming een andere partij in de plaats gesteld, dan zou het niet redelijk zijn de zekerheidsrechten ook automatisch ten gunste van deze partij te laten strekken.7 In beginsel vervalt dan het derdenzekerheidsrecht.8 Dat is echter geen uitzondering op het automatisch mee overgaan van het derdenzekerheidsrecht met de vordering die erdoor gesecureerd wordt, omdat deze vordering nog steeds toebehoort aan dezelfde schuldeiser.9