Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/11.5:11.5 Aanbevelingen en slot
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/11.5
11.5 Aanbevelingen en slot
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS304202:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op basis van het vorenstaande kunnen dan nog de navolgende, algemene aanbevelingen worden geformuleerd:
De feitenrechter dient zijn toe- of afwijzing van een vordering wegens ongelegitimeerd afgebroken onderhandelingen waar mogelijk uitvoeriger te motiveren en daarbij meer concreet aan te geven op grond van welke feiten en omstandigheden rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen al dan niet dient te worden aangenomen.
Het leerstuk van de afgebroken onderhandelingen en meer in het bijzonder het antwoord op de vraag wanneer het bestaan van rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen eraan in de weg staat dat onderhandelingen nog éénzijdig kunnen worden afgebroken, is per definitie in belangrijke mate casuïstisch. Daar komt nu nog bij de door de Hoge Raad verlangde "strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf" die door de feitenrechter dient te worden aangelegd en de verschillende invulling die door de lagere rechtspraak aan de begrippen "streng" en "terughoudend" wordt gegeven. Voor de rechtspraktijk is het van groot belang dat een zo breed mogelijk referentiekader in de rechtspraak ontstaat waaraan een concrete situatie kan worden gespiegeld. Dat kan alleen indien de feitenrechter in voldoende mate inzage verleend in zijn motivering en, meer in het bijzonder, in de weging van de factoren die voor hem aanleiding vormden om al dan niet gerechtvaardigd totstandkomingsvertrouwen aan te nemen.
Het strekt tot aanbeveling indien, in gevallen waarin de onderhandelingen gelegitimeerd worden afgebroken, in de rechtspraak duidelijkheid wordt gecreëerd terzake van a) de vraag onder welke omstandigheden een recht op vergoeding van onderhandelingskosten bestaat, b) welke kosten alsdan voor vergoeding in aanmerking komen en c) wat alsdan heeft te gelden als de juridische grondslag voor die vergoeding.
Noch in de literatuur, noch in de rechtspraak bestaat eenduidigheid over de beantwoording van de hiervoor onder a) tot en met c) genoemde vragen. Dat maakt het procederen over een kostenvergoeding bij gelegitimeerd afgebroken onderhandelingen in zekere zin vergelijkbaar met het spelen van Russische roulette, leidend tot rechtsonzekerheid en (mogelijk zelfs) rechtsongelijkheid bij de beoordeling van vergelijkbare casus.
Het strekt tot aanbeveling, mede gezien het relatief grote aantal juridische procedures op dit vlak en de grote verschillen in rechtsgevolgen, indien de rechtspraktijk bewuster zou omgaan met het gebruik van voorbehouden in de pre-contractuele fase.
Voorbehouden worden regelmatig, zij het met verschillende doelstellingen, toegepast in het onderhandelingstraject. Over de rechtsgevolgen van de toepassing van voorbehouden wordt relatief veel geprocedeerd. De rechtspraktijk lijkt zich onvoldoende bewust van de mogelijke complicaties die bij het gebruik van de verschillende voorbehouden kunnen spelen (zoals bijvoorbeeld op het vlak van leerstukken als de potestatieve voorwaarde, uitleg, misbruik van recht, voorwaardelijke verbintenissen, onrechtmatige daad, etc.).
Tot slot: het leerstuk van de afgebroken onderhandelingen, ook al is de basis daarvan al weer ruim een kwart eeuw geleden gelegd en heeft het sedert dien een aanzienlijke ontwikkeling doorgemaakt, is een boeiend leerstuk dat raakt aan het hart van ons verbintenissenrecht en dat ons ongetwijfeld ook in de toekomst zal blijven boeien met nieuwe ontwikkelingen.