NJ 1922, p. 319
Directeur naaml. venn. als getuige. Wraking of onbekwaamheid?
HR 19-01-1922, ECLI:NL:HR:1922:210
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19 januari 1922
- Magistraten
Voorzitter: Mr. S. Gratama. Raden: Mrs. J. A. A. Bosch, A. Fentener van Vlissingen, C. O. Segers en J. Kosters.
- Zaaknummer
[192219/NJ_1922,_p._319]
- Conclusie
Mr. Noyon
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1922:210, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑01‑1922
- Wetingang
(BW art. 1947, 1950 lid 3.)
Essentie
Directeur naaml. venn. als getuige. Wraking of onbekwaamheid?
Samenvatting
De directeur, die voor een naaml. venn. als eischer of verweerder optreedt, is partij in het geding en kan bij gevolg daarin niet als getuige worden gehoord. Nu de rechter heeft beslist, dat de voorgestelde wraking wordt verworpen, is hier een uitspraak over een wrakingsincident, ook al zou, bij juister formuleering van het verzoek om den betrokken persoon niet als getuige te hooren, rechters beslissing buiten de wraking om zijn gegaan. Het cassatieberoep is dus ontvankelijk. (Aangevoerd was, dat hier de uitzonderingsbepaling van art. 10S Bv. — uitsluiting hooger beroep ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.