Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/V.6
V.6 Taakverdeling tussen de niet-uitvoerende bestuurders en de vorming van commissies
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242728:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Evenzo Schwarz 2017b, p. 138.
Aldus ook Dumoulin, Ondernemingsrecht 2005/91; De Groot, O&F 2013, afl. 1, p. 7; en Kersten 2018, p. 28. Zie ook expliciet Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 15 (MvA); en best practice bepaling 2.3.2 van de Code.
Zie ook expliciet art. 8.2 van het bestuursreglement van OCI NV d.d. 15 november 2017.
Kersten 2018, p. 28-29.
Zie hierover nader § VI.4.2.
Kersten 2018, p. 28-29.
Idem Dumoulin, Ondernemingsrecht 2005/91; De Groot, O&F 2013, afl. 1, p. 7; en Kersten 2018, p. 28-29.
In de praktijk komen overigens ook andere commissies voor. Denk bijvoorbeeld aan de corporate governance commissie, zie art. 4.1.1 van het bestuursreglement van Unilever NV d.d. 1 februari 2018. Unilever NV kent daarnaast ook nog een corporate responsibility en een disclosure commissie, zie art. 4.1.4 en 4.2 van het bestuursreglement van Unilever NV d.d. 1 februari 2018. OCI NV kent tot slot een health, safety and environment commissie, zie art. 8.1 van het bestuursreglement van OCI NV d.d. 15 november 2017.
Zie art. 2 lid 2 Besluit instelling auditcommissie. Uitzonderingen op deze verplichting zijn te vinden in art. 3 Besluit instelling auditcommissie. Organisaties van openbaar belang hebben bovendien de mogelijkheid een orgaan aan te wijzen dat de taken van de auditcommissie uitoefent. Zie art. 2 lid 4 Besluit instelling auditcommissie.
Ook Salemink, MvO 2017, afl. 1-2, p. 16, lijkt best practice bepaling 2.3.2 van de Code zo te interpreteren.
Zie in deze zin Strik, Ondernemingsrecht 2012/91.
Zie de toelichting op principe 5.1 van de Code.
Zie de verantwoording van het werk van de commissie, de Nederlandse Corporate Governance Code 2003, p. 55.
Uit best practice bepaling 2.3.2 van de Code volgt al dat de niet-uitvoerende bestuurders ‘uit hun midden’ commissies instellen.
In de vorige paragrafen lag de focus op de taakverdeling tussen de uitvoerende bestuurders enerzijds en de niet-uitvoerende bestuurders anderzijds. Dit is niet de enige taakverdeling die voorkomt binnen de one tier board. Ook op het niveau van de uitvoerende bestuurders en de niet-uitvoerende bestuurders worden de taken verdeeld. De taakverdeling tussen de niet-uitvoerende bestuurders onderling uit zich doorgaans in de vorming van commissies. Dit verschijnsel verdient een nadere beschouwing.
Uit art. 2:129a/239a lid 1 BW volgt dat iedere niet-uitvoerende bestuurder is belast met het houden van toezicht op de taakuitoefening door de bestuurders. De toezichthoudende taak kan dus niet bij één niet-uitvoerend bestuurder of een deel van de niet-uitvoerende bestuurders worden gelegd.1 Wel kan de taak worden verdeeld over de niet-uitvoerende bestuurders.2 De verdeling van de toezichtstaak laat de collectieve verantwoordelijkheid uiteraard onverlet.3
In de praktijk is een taakverdeling tussen de niet-uitvoerende bestuurders onderling een must om effectief toezicht te kunnen houden. Volgens art. 2:129a/239a lid 1 BW houden de niet-uitvoerende bestuurders toezicht op ‘de taakuitoefening door de bestuurders’. Dat is een breed aandachtsveld. Het toezicht ziet niet alleen op de dagelijkse gang van zaken, maar bijvoorbeeld ook op de financiële verslaggeving. Kersten wijst er terecht op dat voor dit laatste specialistische kennis nodig is.4 Bij de samenstelling van de groep niet-uitvoerende bestuurders moet er rekening mee worden gehouden dat deze kennis bij ten minste een van hen aanwezig is.5 Het verbaast dan ook niet dat niet-uitvoerende bestuurders tegenwoordig steeds vaker vanwege hun specialistische kennis en expertise worden benoemd.6
De verdeling van de taken van de niet-uitvoerende bestuurders manifesteert zich doorgaans in de vorming van commissies met ieder een eigen aandachtsgebied.7 Te denken valt aan de auditcommissie, de remuneratiecommissie en de selectie- en benoemingscommissie.8 De instelling van deze commissies is in beginsel niet verplicht. Dit is anders wanneer de statuten de instelling van een auditcommissie, een remuneratiecommissie en/of een selectie- en benoemingscommissie voorschrijven. De instelling van een auditcommissie is bovendien verplicht voor beursvennootschappen en andere organisaties van openbaar belang in de zin van art. in art. 1 lid 1 onderdeel l Wet toezicht accountantsorganisaties.9 Dat beursvennootschappen een auditcommissie moeten instellen, volgt ook uit de Code. De Code schrijft de instelling van een auditcommissie, een remuneratiecommissie en een selectie- en benoemingscommissie voor wanneer de one tier board uit meer dan vier niet-uitvoerende bestuurders bestaat. Althans, zo interpreteer ik best practice bepaling 2.3.2.10 Deze bepaling is echter voor meer dan één uitleg vatbaar.
Verdedigbaar is dat de commissies al moeten worden ingesteld wanneer het bestuur uit meer dan vier uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders bestaat.11 Best practice bepaling 2.3.2 van de Code bepaalt immers dat de raad van commissarissen ‘uit zijn midden’ commissies instelt wanneer hij uit meer dan vier leden bestaat. Wanneer de verwijzing naar ‘raad van commissarissen’ in een one tier board wordt vervangen door ‘bestuur’, zouden niet alleen niet-uitvoerende bestuurders, maar ook uitvoerende bestuurders meetellen.
Ik meen daarentegen dat best practice bepaling 2.3.2 van de Code enkel van toepassing is wanneer het bestuursorgaan uit meer dan vier niet-uitvoerende bestuurders bestaat. Een aanknopingspunt voor mijn opvatting vind ik in de toelichting op de Code. Overal waar ‘commissarissen’ staat, moet ‘niet-uitvoerende bestuurders’ worden gelezen.12 Bovendien is de instelling van commissies mijns inziens weinig zinvol als er minder dan vijf toezichthouders zijn. Voor vennootschappen met een two tier board is de grens bewust op vijf commissarissen gesteld. Het instellen van drie afzonderlijke commissies was volgens de Commissie Tabaksblat voor vennootschappen met een kleine raad van commissarissen niet haalbaar en zou mogelijk tot een onnodige kostenverhoging leiden.13
Bij beurs-NV’s mogen enkel niet-uitvoerende bestuurders zitting nemen in de auditcommissie, de remuneratiecommissie en de selectie- en benoemingscommissie. Mijns inziens volgt dat al uit best practice bepaling 2.3.2, maar de Code schrijft dat nog een keer expliciet voor in best practice bepaling 5.1.4.14 Uit laatstgenoemde bepaling volgt bovendien dat het voorzitterschap van de auditcommissie en de remuneratiecommissie niet kan worden vervuld door de voorzitter of een voormalig uitvoerend bestuurder van de vennootschap. De Code verlangt tot slot dat meer dan de helft van de commissieleden onafhankelijk is in de zin van best practice bepaling 2.1.8.15 Voor de samenstelling van de auditcommissie van beursvennootschappen en andere organisaties van openbaar belang bevat het Besluit instelling auditcommissie nog een aanvullende eis. Ten minste één lid van de auditcommissie moet deskundig zijn op het gebied van financiële verslaggeving of de controle van de jaarrekening.16 Voor niet-beursgenoteerde vennootschappen gelden deze beperkingen niet. Daar kunnen de commissies zelfs worden bemand door uitvoerende bestuurders. Art. 2:129a/239a lid 1 BW mag evenwel niet uit het oog worden verloren. Dit brengt mee dat uitvoerende bestuurders geen zitting mogen hebben in een commissie die belast is met het doen van voordrachten voor de benoeming van een bestuurder of het vaststellen van de bezoldiging van uitvoerende bestuurders.17