NJB 2024/950:Interlandelijke adoptie. Een vrouw is in 1992 geboren in Sri Lanka. Kort na haar geboorte hebben Nederlandse adoptieouders haar geadopteerd. Vanaf 2009 is zij op zoek gegaan naar haar biologische ouders, maar zij heeft die niet gevonden. Zij meent dat de stichting die bij haar adoptie heeft bemiddeld en de Staat onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld door de rol die zij hebben gespeeld bij de totstandkoming van de adoptie. Het hof wijst de vorderingen toe. Hoge Raad: 1. Verplichtingen van de bemiddelende stichting. De stichting mocht in beginsel uitgaan van de juistheid van de bevindingen van de plaatselijke autoriteiten in Sri Lanka ten aanzien van de afstandsverklaring en van de juistheid van hun oordeel dat de adoptie in het belang van het kind was. Wel rustte op de Stichting de inspanningsverplichting om na te gaan of de vereiste procedures in Sri Lanka naar behoren waren doorlopen en om zoveel mogelijk achtergrond- en afstammingsgegevens te verzamelen. Het hof is ofwel uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel heeft zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd door omstandigheden die de stichting en de Staat hebben aangevoerd, niet kenbaar in zijn afweging te betrekken. 2. Verplichtingen van de toezichthoudende overheid. Het oordeel van het hof geeft blijk van een miskenning van de te betrachten terughoudendheid waarmee het handelen van de Staat als toezichthouder moet worden onderzocht, of is ontoereikend gemotiveerd.