Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.8.2
V.8.2 Verschuiving van de bewijslast
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595137:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. EHRM (GK) 8 februari 1996, nr. 18731/91, NJ 1996, 726, m.nt. Knigge, par. 54 (John Murray/Verenigd Koninkrijk); EHRM 20 maart 2001, nr. 33501/96, par. 15 (Telfner/ Oostenrijk); EHRM 13 december 2005, nr. 13102/03, dec. (Narinen/Finland); EHRM 8 juni 2006, nr. 26186/02, dec. (Hesse/Oostenrijk); EHRM 31 maart 2009, nr. 21022/04, par. 53 (Natunen/Finland); EHRM 12 mei 2016, nr. 26711/07, par. 64 (Poletan en Azirovik/Macedonië).
Dat vond ook de Nederlandse regering. Zij verzette zich tegen het categorisch verbod op onweerlegbare vermoedens in het voorstel met het oog op de handhaving van lichte vergrijpen, zoals snelheidsovertredingen. De regering refereerde daartoe aan EHRM 19 oktober 2004, nr. 66273/01, dec. (Falk/Nederland). Zie raadsdocument van 22 september 2014, nr. 13304/14, p. 21, voetnoot 28 en voorts Van Noorloos 2016, p. 164; Nan 2016, voetnoot 60.
Van Noorloos 2016, p. 164.
Mededeling van de EC, d.d. 1 februari 2016, nr. 5561/16.
VN Doc. CCPR/C/79/Add.81, 4 augustus 1997, par. 31.
VN Doc. CCPR/C/SR.1438, 28 juli 1995, par. 18 en 111.
CRM 24 juli 2006, nr. 1421/2005 (Larrañaga/Filipijnen). Onder andere waren meerdere getuigen geweigerd omdat zij niet zouden bewijzen dat het voor de verdachte fysiek onmogelijk was het feit te begaan.
CRM 23 maart 2011, nr. 1620/2007 (Owen/Frankrijk).
CRM 27 juli 2010, nr. 1870/2009, par. 7.3. (Sobhraj/Nepal).
De regel dat de bewijslast op de overheid rust, lijkt onder geen van de onderzochte rechtsbronnen absoluut van karakter. Op het uitgangspunt zijn uitzonderingen toelaatbaar. Dat kan ook moeilijk anders. Ieder strafrechtsstelsel kent situaties waarin van bepaalde strafbaarheidsvoorwaarden geen bewijs buiten redelijke twijfel wordt verlangd. Het meest algemene voorbeeld zijn excepties zoals de Nederlandse strafuitsluitingsgronden. Veelal wordt op zijn minst van de verdachte gevraagd een beroep te doen op een dergelijke negatieve strafbaarheidsvoorwaarde. Ten aanzien van het ontbreken daarvan rust op de vervolgende instantie derhalve op voorhand geen bewijsvoeringslast.
Onder het EVRM is de relativeerbaarheid van de bewijslastverdeling evident. Het Hof oordeelt met enige regelmaat dat “the presumption of innocence will be infringed where the burden of proof is shifted from the prosecution to the defence”.1 Die woorden heeft het EHRM zorgvuldig gekozen, want de infringements (wij zouden zeggen: inbreuken) die bewijslastverschuivingen opleveren, betekenen lang niet altijd ook een schending van artikel 6 lid 2 EVRM. Twee lijnen in de Straatsburgse rechtspraak komen in de navolgende paragrafen afzonderlijk aan bod. Ten eerste de in paragraaf 4 reeds gerefereerde aanvaardbaarheid van het gebruik van rechtsvermoedens. Daarnaast is aan de orde in hoeverre een beroep op het zwijgrecht een rol kan spelen bij de schuldvaststelling. Beide verlichten de bewijslast van de overheid, maar zijn desondanks – onder voorwaarden – geoorloofd.
De relativeerbaarheid van de door het vermoeden van onschuld gestipuleerde bewijslastverdeling is onder de richtlijn minder evident dan onder het EVRM. Artikel 6 lid 2 van de richtlijn lijkt elke verschuiving van in elk geval het bewijsrisico te verbieden. Immers, “any doubt as to the question of guilt is to benefit the suspect or accused person, including where the court assesses whether the person concerned should be acquitted”. Oorspronkelijk bevatte het voorstel van de Commissie een artikel 5 lid 2, waarin de uitgangspositie van de EHRM-rechtspraak werd beleden: rechtsvermoedens die de bewijslast verschuiven zijn toelaatbaar. De EC verbond aan die toelaatbaarheid echter duidelijkere en striktere voorwaarden dan het Straatsburgse Hof. Vermoedens moesten van zodanig belang zijn dat zij de inbreuk op het onschuldvermoeden rechtvaardigen, zij moesten weerlegbaar zijn én voor weerlegging van het vermoeden zou steeds voldoende moeten zijn dat de verdediging over de juistheid van het vermoeden redelijke twijfel zaait. Daarmee was de Commissie strenger dan het EHRM.2 Bewijsrisicoverschuivingen zouden ontoelaatbaar zijn. Het EP ging dat niet ver genoeg. Het verzette zich tegen elk gebruik van bewijsvermoedens.3 Ondanks aandringen van de EC,4 is de bepaling daarom geschrapt. Dat is te betreuren, nu het voorstel van de EC op dit punt een preciezer kader had geboden dan de hierna te bespreken EHRM-rechtspraak thans verschaft. De poging van het EP bewijslastverschuivingen uit het strafrecht te bannen is daarnaast onrealistisch gelet erop dat ook strafuitsluitingsverweren als zo’n verschuiving moeten worden beschouwd. Het in de richtlijn uiteindelijk bereikte compromis is bovendien innerlijk tegenstrijdig. Enerzijds stelt de richtlijn niets over de toelaatbaarheid van vermoedens en kan op basis van de totstandkomingsgeschiedenis niet anders worden geconcludeerd dan dat is bedoeld geen enkel rechtsvermoeden toe te staan. De tekst van artikel 6 lid 2 suggereert bovendien dat voor verschuiving van het bewijsrisico nooit ruimte bestaat. Tegelijkertijd bepaalt aan de richtlijn voorafgaande overweging 22 echter nog steeds dat vermoedens binnen redelijke grenzen moeten blijven en laat de formulering van de daarvoor geldende voorwaarden meer ruimte dan het oorspronkelijk voorgestelde artikel 5 lid 2. Over deze dubbelzinnigheid valt rechtspraak uit Luxemburg te verwachten.
Het VN Mensenrechtencomité heeft zich nog niet vaak over bewijslastverschuivingen uitgesproken. Uit het beperkt aantal zienswijzen en observaties van het Comité kan echter voorzichtig worden opgemaakt dat het Comité strenger is dan de Straatsburgse organen. Niet verrassend was kritiek op artikel 20 van de Indiase Immoral Trafficking Prevention Act, welke bepaling op een vrouw de last legt te bewijzen dat zij géén prostituee is.5 Eveneens is echter de Sri Lankaanse grondwettelijke bepaling bekritiseerd die de onschuldpresumptie voorop stelt maar daaraan toevoegt dat bij wet de bewijslast voor bepaalde feitelijkheden op de verdachte mag worden gelegd. Die uitzonderingen betreffen steeds verschuiving van de bewijsvoeringslast, zo blijkt uit de Sri Lankaanse reactie op die kritiek.6
Een drietal individuele klachten wijst er daarnaast op dat verschuivingen van het bewijsrisico doorgaans schending van artikel 14 lid 2 IVBPR opleveren. De motivering van die oordelen toont tegelijkertijd dat niet iedere bewijslastverschuiving ten nadele van de verdediging met die verdragsbepaling strijdt. In Larrañaga/Filipijnen oordeelde het Comité dat de Filipijnse rechter van een verdachte van verkrachting wel mocht verlangen dat deze een alibi opwierp en stond het toe daaraan een zekere standard of proof te verbinden. De wijze waarop aan die bewijslastverschuiving concreet inhoud was gegeven, ging echter te ver.7 In Owen/Frankrijk was een verschuiving van het bewijsrisico disproportioneel, mede in het licht van de zeer gebrekkige rechtsbijstand die de verdachte had ontvangen.8 De vaststelling dat de bewijslast disproportioneel was verschoven, suggereert dat dat ook op een proportionele wijze kan. Voor verschuivingen van het bewijsrisico liet het oordeel van het Comité in Sobhraj/Nepal daarentegen nauwelijks ruimte. Nu van de verdachte was gevergd dat hij bewees dat hij ten tijde van het delict elders was, was de bewijslast op de verdachte gelegd. Aldus was artikel 14 lid 2 IVBPR geschonden.9