Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/4.4.1
4.4.1 Inleiding
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS462076:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Volgens de leidraad (p. 9) moet onder terugtrekken worden verstaan ‘de informele beslissing van een rechter de zaak niet zelf te behandelen op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.’ (zie www.rechtspraak.nl).
Zie Kamerstukken II, vergaderjaar 1988-1989, 21 481, nrs. 27 en 40, onderdeel 3.9.2 en de brochure ‘Een integere Belastingdienst, Onze basiswaarden en gedragscode’, 3 maart 2015, p. 4 (https://werken.belastingdienst.nl).
In het strafrecht zijn er twee wettelijke regelingen die feitelijk voorzien in het ‘repareren’ van een gebrek ten aanzien van de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van de rechter: wraking en verschoning. Zoals hierna zal blijken, zijn deze reparatiemechanismen tot op zekere hoogte te vergelijken met de bezwaarprocedure bij fiscale bestuurlijke boeten.
Informele terugtrekking
Voordat ik deze wettelijke procedures beschrijf en met elkaar vergelijk, wil ik kort stilstaan bij de mogelijkheid van de zogenaamde informele terugtrekking van rechters en inspecteurs vóórdat de zaak tot een inhoudelijke behandeling komt. Zoals eerder gezegd is het invulling geven aan het onpartijdigheidsbeginsel met name de individuele taak en verantwoordelijkheid van rechters en inspecteurs zelf. Hun gedrag, respectievelijk ter terechtzitting of tijdens een hoorgesprek, bepaalt de eventuele schijn van vooringenomenheid aan de zijde van de verdachte of belanghebbende. Deze indruk kan worden voorkomen door reeds bij de verdeling van zaken, dus vóórdat het tot een inhoudelijke behandeling komt, aandacht te besteden aan de mogelijke schijn van partijdigheid. In bepaalde gevallen kan de rechter of inspecteur in kwestie dan zelf een inschatting maken van het risico van belangenverstrengeling en besluiten zich van de zaak te distantiëren. Volgens de Leidraad ‘Onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak’ kan de (straf)rechter zich vooraf terugtrekken in een hem toebedeelde strafzaak.1 Voor de belastinginspecteur gelden soortgelijke instructies.2 De gedragsvoorschriften voor zowel de strafrechter als de belastinginspecteur vormen echter informele regels – en zijn dus geen recht in de zin van artikel 79 Wet RO – die niet rechtstreeks afgedwongen kunnen worden. Dat neemt niet weg dat deze informele regels wel degelijk invulling geven aan het onafhankelijkheids- en onpartijdigheidsbeginsel.