Procestaal: Bulgaars.
HvJ EU, 13-03-2025, nr. C-337/23
ECLI:EU:C:2025:183
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
13-03-2025
- Magistraten
D. Gratsias, I. Jarukaitis, Z. Csehi
- Zaaknummer
C-337/23
- Conclusie
A. M. Collins
- Roepnaam
APS Beta Bulgaria en Agentsia za kontrol na prosrocheni zadalzhenia
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:183, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 13‑03‑2025
ECLI:EU:C:2024:753, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 12‑09‑2024
Uitspraak 13‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Bescherming van de consument — Richtlijn 93/13/EEG — Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten — Artikel 4, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1 — Punt 1, onder i), j) en m), in de bijlage bij richtlijn 93/13 — Consumentenkredietovereenkomsten — Beding dat een consument dwingt een borgtocht aan te gaan — Door de kredietgever gekozen borg — Uitsluiting van bedingen betreffende het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst — Nevenovereenkomst bij een kredietovereenkomst — Bevoegdheden van de nationale rechter — Betalingsbevelprocedure — Richtlijn 2005/29/EG — Oneerlijke handelspraktijken — Artikelen 5 en 8 — Bijlage I — Richtlijn 2008/48/EG — Artikel 3, onder g), i) en n), artikel 10, lid 2, artikel 15, lid 2, en artikel 23 — Gelieerde kredietovereenkomst — Begrip — Totale kosten van het krediet voor de consument — Jaarlijks kostenpercentage — Geen vermelding van de relevante kosten — Sanctie
D. Gratsias, I. Jarukaitis, Z. Csehi
Partij(en)
In zaak C-337/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sofiyski rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 29 mei 2023, ingekomen bij het Hof op 29 mei 2023, in de procedure
APS Beta Bulgaria EOOD,
Agentsia za kontrol na prosrocheni zadalzhenia AD
wijst
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias, kamerpresident, I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, en Z. Csehi (rapporteur), rechter,
advocaat-generaal: A. M. Collins,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Agentsia za kontrol na prosrocheni zadalzhenia AD, vertegenwoordigd door E. A. Damyanova, advokat, en Y. B. Yanakiev,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door L. Březinová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Ondrůšek, E. Rousseva, N. Ruiz García, H. Tserepa-Lacombe en P. Vanden Heede als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 september 2024,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, leden 1 en 2, artikel 5, artikel 6, lid 1, en artikel 7 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29, met rectificatie in PB 2023, L 17, blz. 100), en van punt 1, onder b), c), i), j) en m), in de bijlage bij richtlijn 93/13, artikel 8 van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2005, L 149, blz. 22), artikel 3, onder g), artikel 10, lid 2, onder g), artikel 15, lid 2, en artikel 23, tweede volzin, van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66), en van artikel 2, lid 2, en artikel 14, lid 1, van richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB 2009, L 335, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van procedures die ertoe strekken dat, ten gunste van APS Beta Bulgaria EOOD en Agentsia za kontrol na prosrocheni zadalzhenia AD, bevelen tot betaling van geldschulden ingevolge consumentenkredietovereenkomsten en borgtochten worden uitgevaardigd.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 93/13
3
Volgens artikel 1, lid 1, van richtlijn 93/13 ‘strekt [deze richtlijn] tot de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument’.
4
Overeenkomstig artikel 2, onder b), van deze richtlijn wordt daarin onder ‘consument’ verstaan ‘iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen’.
5
Artikel 3 van richtlijn 93/13 bepaalt:
- ‘1.
Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
[…]
- 3.
De bijlage bevat een indicatieve en niet-uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt.’
6
Artikel 4 van deze richtlijn bepaalt:
- ‘1.
Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.
- 2.
De beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de toereikendheid van enerzijds de prijs en vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.’
7
Artikel 5 van die richtlijn luidt als volgt:
‘In het geval van overeenkomsten waarvan alle of bepaalde aan de consument voorgestelde bedingen schriftelijk zijn opgesteld, moeten deze bedingen steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. In geval van twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie. Deze uitleggingsregel is niet van toepassing in het kader van de in artikel 7, lid 2, bedoelde procedures.’
8
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt:
‘De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.’
9
Artikel 7 van deze richtlijn is aldus verwoord:
- ‘1.
De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.
- 2.
De in lid 1 bedoelde middelen dienen wettelijke bepalingen te omvatten waarbij personen of organisaties die volgens de nationale wetgeving een legitiem belang hebben bij de bescherming van de consument, overeenkomstig het nationale recht een beroep kunnen doen op de rechtbanken of de bevoegde administratieve instanties om te oordelen of contractuele bedingen die zijn opgesteld met het oog op een algemeen gebruik, oneerlijk zijn, en de passende en doeltreffende middelen aan te wenden om een eind te maken aan het gebruik van deze bedingen.
- 3.
Met inachtneming van de nationale wetgeving kunnen de in lid 2 vermelde beroepen, afzonderlijk of gezamenlijk, worden ingesteld tegen verschillende verkopers in dezelfde economische sector of hun verenigingen die gebruikmaken dan wel het gebruik aanbevelen van dezelfde of gelijksoortige algemene contractuele bedingen.’
10
De bijlage bij deze richtlijn, ‘In artikel 3, lid 3, bedoelde bedingen’, bepaalt in punt 1:
‘Bedingen die tot doel of tot gevolg hebben:
[…]
- b)
de wettelijke rechten van de consument ten aanzien van de verkoper of een andere partij in geval van volledige of gedeeltelijke wanprestatie of van gebrekkige uitvoering door de verkoper van een van diens contractuele verplichtingen, met inbegrip van de mogelijkheid om een schuld jegens de verkoper te compenseren met een schuldvordering jegens deze, op ongepaste wijze uit te sluiten of te beperken;
- c)
te voorzien in een onherroepelijke verbintenis van de consument terwijl de uitvoering van de prestaties van de verkoper onderworpen is aan een voorwaarde waarvan de verwezenlijking uitsluitend afhankelijk is van zijn wil;
[…]
- i)
op onweerlegbare wijze de instemming vast te stellen van de consument met bedingen waarvan deze niet daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen vóór het sluiten van de overeenkomst;
- j)
de verkoper te machtigen zonder geldige, in de overeenkomst vermelde reden eenzijdig de voorwaarden van de overeenkomst te wijzigen;
[…]
- m)
de verkoper het recht te geven te bepalen of de geleverde goederen of de dienst aan de bepalingen van de overeenkomst beantwoorden of hem het exclusieve recht te geven om een of ander beding van de overeenkomst te interpreteren;
[…]’
Richtlijn 2005/29
11
Artikel 5, lid 5, van de richtlijn 2005/29, met als opschrift ‘Verbod op oneerlijke handelspraktijken’, bepaalt:
‘Bijlage I bevat de lijst van handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd. Deze lijst is van toepassing in alle lidstaten en mag alleen worden aangepast door wijziging van deze richtlijn.’
12
Artikel 8 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Agressieve handelspraktijken’, bepaalt:
‘Als agressief wordt beschouwd een handelspraktijk die, in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden in aanmerking genomen, door intimidatie, dwang, inclusief het gebruik van lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de gemiddelde consument met betrekking tot het product aanzienlijk beperkt of kan beperken, waardoor hij ertoe wordt gebracht of kan worden gebracht over een transactie een besluit te nemen dat hij anders niet had genomen.’
Richtlijn 2008/48
13
Overweging 22 van richtlijn 2008/48 luidt als volgt:
‘Het moet de lidstaten vrijstaan om nationale bepalingen te handhaven of in te voeren die de kredietgever verbieden van de consument te verlangen dat hij in samenhang met de kredietovereenkomst een bankrekening opent of een overeenkomst sluit voor een andere nevendienst of de kosten of vergoedingen voor zulke bankrekeningen of nevendiensten betaalt. In de lidstaten waar zulke gecombineerde aanbiedingen zijn toegestaan, moeten de consumenten vóór het sluiten van de kredietovereenkomst geïnformeerd worden over nevendiensten, die ter verkrijging van het krediet verplicht zijn, of over de geadverteerde voorwaarden. De kosten voor deze nevendiensten moeten worden opgenomen in de totale kosten van het krediet; als het bedrag van deze kosten niet van tevoren kan worden bepaald, moet de consument in de precontractuele fase adequaat over het bestaan van de kosten worden geïnformeerd. De kredietgever wordt verondersteld kennis te hebben van de kosten van de nevendiensten, die hij zelf of namens een derde aan de consument aanbiedt, tenzij de prijs daarvan afhangt van de specifieke kenmerken of situatie van de consument.’
14
Artikel 3 van richtlijn 2008/48, met als opschrift ‘Definities’, bepaalt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- g)
‘totale kosten van het krediet voor de consument’: alle kosten, met inbegrip van rente, commissielonen, belastingen en vergoedingen van welke aard ook, die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn, met uitzondering van notariskosten; dit omvat ook de kosten in verband met nevendiensten met betrekking tot de kredietovereenkomst, met name verzekeringspremies, indien, daarenboven, het sluiten van een dienstencontract verplicht is om het krediet, in voorkomend geval op de geadverteerde voorwaarden, te verkrijgen;
[…]
- i)
‘jaarlijks kostenpercentage’ [(JKP)]: de totale kosten van het krediet voor de consument, uitgedrukt in een percentage op jaarbasis van het totale kredietbedrag, indien toepasselijk te vermeerderen met de kosten bedoeld in artikel 19, lid 2;
[…]
- n)
‘gelieerde kredietovereenkomst’: een kredietovereenkomst waarbij geldt dat:
- i)
het betreffende krediet uitsluitend dient ter financiering van een overeenkomst voor de levering van een bepaald goed of de verrichting van een bepaalde dienst, en
- ii)
die twee overeenkomsten objectief gezien een commerciële eenheid vormen; een commerciële eenheid wordt geacht te bestaan indien de leverancier of de dienstenaanbieder zelf het krediet van de consument financiert of, in het geval van financiering door een derde, indien de kredietgever bij het voorbereiden of sluiten van de kredietovereenkomst gebruikmaakt van de diensten van de leverancier of dienstenaanbieder, dan wel indien de bepaalde goederen of de levering van een bepaalde dienst uitdrukkelijk worden vermeld in de kredietovereenkomst.’
15
Artikel 10, lid 2, van deze richtlijn bepaalt:
‘In de kredietovereenkomst worden op duidelijke en beknopte wijze vermeld:
[…]
- g)
het [JKP] en het totale door de consument te betalen bedrag, berekend bij het sluiten van de kredietovereenkomst; alle bij de berekening van dit percentage gebruikte hypothesen worden vermeld;
[…]’
16
Artikel 15, lid 2, van deze richtlijn bepaalt:
‘Indien de onder de gelieerde kredietovereenkomst vallende goederen of diensten niet of slechts gedeeltelijk geleverd, respectievelijk verricht worden of niet met de voorwaarden van het contract voor de levering van een goed of het verrichten van een dienst in overeenstemming zijn, kan de consument zijn rechten doen gelden jegens de leverancier, respectievelijk de dienstverrichter, indien hij niet de genoegdoening heeft gekregen waarop hij overeenkomstig de wet of het contract voor de levering van een goed of het verrichten van een dienst recht heeft, na zijn rechten te hebben doen gelden jegens de kredietgever. De lidstaten bepalen in welke mate en onder welke voorwaarden die rechten worden uitgeoefend.’
17
Artikel 22, leden 1 tot en met 3, van dezelfde richtlijn bepaalt:
- ‘1.
In zoverre deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen bevat, mogen de lidstaten geen bepalingen handhaven of invoeren in hun nationale wetgeving die afwijken van die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld.
- 2.
De lidstaten dragen er zorg voor dat de consument geen afstand kan doen van de rechten die hem worden toegekend krachtens de bepalingen van het nationale recht die uitvoering geven aan of overeenstemmen met deze richtlijn.
- 3.
De lidstaten dragen er tevens zorg voor dat de bepalingen die zij ter uitvoering van deze richtlijn vaststellen, niet kunnen worden omzeild door overeenkomsten een bijzondere vorm te geven, met name door kredietopnemingen of kredietovereenkomsten die onder deze richtlijn vallen op te nemen in kredietovereenkomsten die, door de aard of het doel ervan, buiten de werkingssfeer ervan zouden kunnen vallen.’
18
Artikel 23 van richtlijn 2008/48 bepaalt:
‘De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die gelden voor inbreuken op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.’
Bulgaars recht
ZZD
19
Artikel 138 van de Zakon za zadalzheniyata i dogovorite (wet betreffende verbintenissen en overeenkomsten) (DV nr. 275 van 22 november 1950), in de op het hoofdgeding toepasselijk versie (hierna: ‘ZZD’), bepaalt:
‘Middels de borgtocht verbindt de borg zich jegens de schuldeiser van een andere persoon tot de nakoming van diens verplichting. Deze overeenkomst wordt schriftelijk gesloten.
Borgstelling is slechts mogelijk voor een werkelijke verbintenis. Zij kan ook een toekomstige of potentiële verbintenis betreffen.’
20
Artikel 147 ZZD luidt:
‘De borg blijft gebonden, zelfs nadat de hoofdverbintenis opeisbaar is geworden, indien de kredietgever binnen zes maanden een rechtsvordering heeft ingesteld tegen de schuldenaar. Deze bepaling is ook van toepassing wanneer de borg zijn borgstelling uitdrukkelijk heeft beperkt tot de duur van de hoofdverbintenis.
Wanneer de kredietgever verlenging van de termijn toestaat aan de schuldenaar, heeft deze verlenging geen werking ten aanzien van de borg indien deze daarmee niet heeft ingestemd.’
Wet op het consumentenkrediet
21
Artikel 19, leden 3 en 4, van de Zakon za potrebitelskiya kredit (wet inzake consumentenkredietovereenkomsten) (DV nr. 18 van 5 maart 2010) bepaalt in de op het hoofdgeding toepasselijke versie:
- ‘(3)
De volgende kosten worden niet opgenomen in de berekening van het [JKP] van het krediet:
- [1.]
de kosten die de consument moet betalen ingeval hij zijn verplichtingen krachtens de consumentenkredietovereenkomst niet nakomt;
- [2.]
andere kosten dan de aankoopprijs voor het goed of de dienst die de consument bij aankoop van een goed of een dienst betaalt, ongeacht of de prijs contant of op krediet wordt betaald.
- [3.]
de kosten voor het beheer van een rekening die gelieerd is aan de consumentenkredietovereenkomst, de kosten voor het gebruik van een betaalinstrument waarmee betalingen kunnen worden verricht in verband met het gebruik of de terugbetaling van het krediet, en andere kosten in verband met het verrichten van betalingen, indien de opening van die rekening niet verplicht is en de kosten voor de rekening duidelijk en afzonderlijk in de kredietovereenkomst of een andere met de consument gesloten overeenkomst zijn vermeld.
- (4)
Het [JKP] mag niet meer bedragen dan vijfmaal de in [Bulgaarse lev (BGN)] of vreemde valuta uitgedrukte wettelijke vertragingsrentevoet, die bij besluit van de ministerraad van de Republiek Bulgarije is vastgesteld.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
22
Bij de verwijzende rechter, de Sofiyski rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije), zijn meerdere vorderingen aanhangig die strekken tot afgifte, ten gunste van verzoeksters in het hoofdgeding, van bevelen tot betaling van geldschulden ingevolge consumentenkredietovereenkomsten en borgtochten.
23
Deze consumentenkredietovereenkomsten zijn gesloten tussen twee financiële vennootschappen naar Bulgaars recht en natuurlijke personen voor bedragen van 300 tot 1 700 BGN (ongeveer 150 en 870 EUR), terug te betalen in termijnen over perioden van drie tot achttien maanden. Krachtens de genoemde overeenkomsten geldt er een JKP dat varieert van 39,99 % tot 50 %.
24
Krachtens de aldus gesloten kredietovereenkomsten moesten de kredietnemers, om de lening of een snellere vrijgave van de gelden te verkrijgen, een zekerheid stellen die verschillende vormen kon aannemen, waaronder het aangaan van een borgtocht met een in die activiteit gespecialiseerde onderneming, die door de kredietgever was gekozen of goedgekeurd. Volgens de verwijzende rechter zijn voor alle betrokken kredietnemers op dezelfde dag als de dag waarop de kredietovereenkomsten werden gesloten, borgtochten aangegaan, die voorzagen in een vergoeding ten gunste van zakelijke borgen, te weten ondernemingen die zich borg stellen, ter hoogte van een bedrag bovenop de aflossingen van de lening. De kosten van een dergelijke borgtocht, die opliepen tot meer dan 75 % van het totale uit hoofde van de kredietovereenkomsten terug te betalen bedrag, waren niet in het JKP opgenomen.
25
Aangezien de kredietnemers hun verplichtingen niet waren nagekomen, zijn de uit hoofde van de kredietovereenkomsten verschuldigde bedragen aan de kredietinstellingen betaald door deze zakelijke borgen, die in hun rechten werden gesubrogeerd. Deze borgtochtondernemingen hebben vervolgens hun schuldvorderingen, met inbegrip van de vergoeding die de schuldenaren uit hoofde van de borgtochten verschuldigd waren, overgedragen aan verzoeksters in het hoofdgeding, die in wezen incassovennootschappen zijn.
26
De verwijzende rechter verduidelijkt dat, met uitzondering van een van de bij hem aanhangige zaken, de zakelijke borgen hun betalingen hebben verricht nadat de in artikel 147 ZZD gestelde termijn van zes maanden was verstreken, zonder dat tegen de hoofdschuldeisers is aangevoerd dat zij in die periode waren blijven stilzitten ten aanzien van de schuldenaren. Dienaangaande merkt hij op dat sommige nationale rechterlijke instanties deze bepaling aldus uitleggen dat het verval van de verplichting van de borg dat gepaard gaat met dit stilzitten slechts door de borg kan worden ingeroepen, en dat hij, indien dit niet het geval is, het recht heeft om een regresvordering in te stellen tegen de in gebreke blijvende schuldenaar.
27
In deze context vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af of, met het oog op de beoordeling van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen in de zin van richtlijn 93/13, kredietovereenkomsten en borgtochten aldus moeten worden uitgelegd dat zij deel uitmaken van één enkele contractuele verhouding die tot doel had om artikel 19 van de wet op het consumentenkrediet, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, dat voorziet in een maximaal JKP voor een consumentenkredietovereenkomst, te omzeilen. In dit verband merkt hij op dat de borg in zeven van de acht bij hem aanhangige procedures is gesteld door een dochteronderneming van de kredietgever. Hij verduidelijkt bovendien dat de vergoeding van de borg, die op dezelfde data als de aflossingen van de lening moet worden betaald, in alle gevallen is vastgesteld op een bedrag dat hoger is dan 75 % van het totale uit hoofde van het krediet terug te betalen bedrag. Hij voegt daaraan toe dat deze vergoeding niet in aanmerking is genomen bij de berekening van het JKP van de kredietovereenkomst.
28
In de tweede plaats vraagt hij zich af of de keuze van de kredietgever voor de borg, die bindend is voor de kredietnemer, kan worden beschouwd als een oneerlijke handelspraktijk in de zin van richtlijn 2005/29, en zo niet, of hij in het kader van een niet-contradictoire procedure enkel op grond van ernstige twijfel dienaangaande kan vaststellen dat een contractueel beding oneerlijk is.
29
In de derde plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of de nationale rechtspraak betreffende artikel 147 ZZD verenigbaar is met artikel 15, lid 2, van richtlijn 2008/48, gesteld dat dit in casu van toepassing is, en met de artikelen 5 en 7 van richtlijn 93/13.
30
In de vierde plaats vraagt hij zich af of bij de vaststelling van het JKP rekening moet worden gehouden met de vergoeding van de borgtocht, die door een beding in de kredietovereenkomst verplicht is gesteld, en of de onjuiste vermelding daarvan moet worden gelijkgesteld met het ontbreken daarvan in de kredietovereenkomst.
31
In de vijfde plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of de betrokken borgtochten als verzekeringsovereenkomsten in de zin van richtlijn 2009/138 kunnen worden aangemerkt en, zo ja, of een eventuele vergunning van de borg overeenkomstig artikel 14 van deze richtlijn noodzakelijk is.
32
Tegen deze achtergrond heeft de Sofiyski rayonen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moeten artikel 4, lid 2, en artikel 6, lid 1, van [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat indien een kredietovereenkomst de consument verplicht om een overeenkomst van borgtocht te sluiten met een door de kredietgever aangewezen borg, de inhoud van de borgtocht niet het ‘eigenlijke voorwerp’ van de overeenkomst met die derde, maar een deel van de inhoud van de kredietovereenkomst vormt? Is in dit verband relevant of het bij de kredietgever en de borg om verbonden personen gaat?
- 2)
Moet punt 1, onder i), in de bijlage bij richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat indien de consument verplicht is om in het kader van een reeds gesloten kredietovereenkomst een borg te stellen — waarbij een van de mogelijkheden is dat hij daartoe een door de kredietgever aangewezen persoon opdracht geeft —, de inhoud van de verplichting van de consument uit hoofde van de uiterlijk op dezelfde dag als de kredietovereenkomst gesloten overeenkomst van borgtocht als onduidelijk moet worden beschouwd omdat de consument de door de kredietgever als toekomstige borg aan te wijzen persoon niet zelf mocht kiezen of voorstellen?
- 3)
Indien het antwoord op deze vraag luidt dat het voorwerp van de borgtocht duidelijk is: moet punt 1, onder i), j) en m), in de bijlage bij richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat indien de consument zich ertoe heeft verbonden om in het kader van een reeds gesloten kredietovereenkomst een borg te stellen — waarbij een van de mogelijkheden is dat hij daartoe een door de kredietgever aangewezen persoon opdracht geeft —, de inhoud van de verplichting van de consument uit hoofde van de overeenkomst van borgtocht als onduidelijk moet worden beschouwd en dit tot de nietigheid van de kredietovereenkomst of bepaalde bedingen ervan kan leiden?
- 4)
Moet artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 8 van [richtlijn 2005/29], aldus worden uitgelegd dat indien een persoon die een krediet verstrekt, verlangt dat de consument een overeenkomst met een door deze kredietgever aangewezen persoon sluit die als borg voor zijn vordering jegens de consument instaat, altijd sprake is van misbruik van de benadeelde positie van de consument en dus van een agressieve handelspraktijk?
- 5)
Indien de vierde vraag ontkennend wordt beantwoord: moeten artikel 4, lid 1, en artikel 7 van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 8 van richtlijn 2005/29, aldus worden uitgelegd dat de rechter in een eenzijdige gerechtelijke procedure, zoals de betalingsbevelprocedure, waarin de consument geen partij is, twijfels dat een beding oneerlijk is alleen kan baseren op zijn vermoeden dat het beding op grond van een oneerlijke handelspraktijk door de consument is aanvaard, of moet dit laatste met zekerheid worden vastgesteld?
- 6)
Moet artikel 15, lid 2, van [richtlijn 2008/48] aldus worden uitgelegd dat deze bepaling dient te worden toegepast wanneer de kredietovereenkomst gepaard gaat met een nevendienst, namelijk dat een derde zich tegen betaling borg stelt, en de consument in staat stelt om niet alleen zijn rechten op grond van de niet-nakoming door de borg, zoals de betaling na het verstrijken van een wettelijke termijn, te doen gelden, maar ook procedurele verweren die de verplichting jegens de borg uitsluiten?
- 7)
Staat artikel 15, lid 2, van richtlijn 2008/48, gelezen in samenhang met het doeltreffendheidsbeginsel, dan wel staan — indien wordt aangenomen dat de kredietovereenkomst en de borgovereenkomst gelieerde overeenkomsten zijn — de artikelen 5 en 7 van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder b) en c), in de bijlage bij die richtlijn, een nationale rechtspraak toe volgens welke de borg van een met een consumentenkredietovereenkomst gelieerde overeenkomst die een vergoeding van de consument voor de borgstelling voor de kredietovereenkomst heeft ontvangen en ondanks het verstrijken van de termijn ingevolge artikel 147 [ZZD] — waardoor volgens de rechtspraak de borgstelling in haar geheel vervalt — op basis van een beding aan de kredietgever heeft betaald, zich er desondanks op kan beroepen dat de rechten van de oorspronkelijke kredietgever op hem zijn overgegaan en, onder verwijzing naar tegenstrijdige rechtspraak over de toepassing van de wet, betaling kan verlangen van de kredietnemer?
- 8)
Moet artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48, gelezen in samenhang met artikel 5 van richtlijn 93/13, aldus worden uitgelegd dat in geval van een in de kredietovereenkomst opgenomen verplichting tot het sluiten van een gelieerde borgtocht, hetgeen tot een verhoging van het totaalbedrag van de kredietschuld leidt, het [JKP] voor het krediet eveneens dient te worden berekend op basis van de met betrekking tot de vergoeding voor de borg verhoogde termijnen? Is het hierbij van belang wie de borg heeft gekozen en of hij een met de kredietgever verbonden persoon is?
- 9)
Moet artikel 10, lid 2, onder g), van richtlijn 2008/48 aldus worden uitgelegd dat de onjuiste vermelding van het [JKP] in een kredietovereenkomst tussen een verkoper en een consument (kredietnemer) moet worden beschouwd als ontbrekende vermelding van het [JKP] in de kredietovereenkomst, en de nationale rechter de rechtsgevolgen moet toepassen die in het nationale recht worden verbonden aan het ontbreken van de vermelding van het [JKP] in een consumentenkredietovereenkomst? Moet ervan worden uitgegaan dat deze gevolgen ook voor de borg die betaald heeft, in de verhouding tot de consument bindend zijn?
- 10)
Moet artikel 23, tweede volzin, van richtlijn 2008/48 aldus worden uitgelegd dat een in het nationale recht vaststelde sanctie in de vorm van de nietigheid van de consumentenkredietovereenkomst, waarbij alleen het verstrekte kapitaalbedrag moet worden terugbetaald, evenredig is wanneer het [JKP] niet nauwkeurig in de consumentenkredietovereenkomst is vermeld voor zover de kosten voor een door de kredietgever gekozen zakelijke borg hierin ontbreken (hoewel het [JKP] in de tekst van de kredietovereenkomst in cijfers is aangegeven)?
- 11)
Moet artikel 2, lid 2, van [richtlijn 2009/138], gelezen in samenhang met deel A, punt 14, in bijlage I bij die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat de beroepsmatige uitoefening van een activiteit als borg onder bezwarende titel, waarbij de onderneming die zich borg stelt in alle gevallen van niet-nakoming het totale bedrag betaalt van het krediet dat een consument als kredietnemer heeft ontvangen, en de vergoeding met elke termijn voor het krediet wordt betaald, ongeacht of de consument in gebreke blijft, een ‘verzekeringsactiviteit’ in de zin van die richtlijn vormt?
- 12)
Indien de elfde vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 14, lid 1, van richtlijn 2009/138 aldus worden uitgelegd dat een persoon die de in de elfde vraag genoemde activiteit uitoefent, verplicht is om een vergunning te verkrijgen bij de nationale regulerende instanties die voor het verlenen van vergunningen aan verzekeringsondernemingen bevoegd zijn?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
33
Volgens vaste rechtspraak rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof staat de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter om een prejudiciële beslissing wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen [arrest van 18 juni 2024, Bundesrepublik Deutschland (Gevolgen van een beslissing tot toekenning van de vluchtelingenstatus), C-753/22, EU:C:2024:524, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
34
Ook blijkt uit vaste rechtspraak dat een verzoek om een prejudiciële beslissing niet tot doel heeft adviezen te formuleren over algemene of hypothetische kwesties, maar ertoe strekt te voorzien in de behoefte aan werkelijke beslechting van een geschil dat verband houdt met het Unierecht (arrest van 31 mei 2018, Confetra e.a., C-259/16 en C-260/16, EU:C:2018:370, punt 63).
35
De ontvankelijkheid van de gestelde vragen moet in het licht van de voorgaande overwegingen worden besproken.
Eerste tot en met tiende vraag
36
Agentsia za kontrol na prosrocheni zadalzhenia betwist de ontvankelijkheid van de eerste tot en met de vierde en de zesde tot en met de tiende vraag en voert in wezen aan dat zij hypothetisch zijn, aangezien zij betrekking hebben op feitelijke omstandigheden die niet die van de zaken in het hoofdgeding zijn, zoals omgeschreven door de verwijzende rechter. Bovendien zijn de zesde tot en met de achtste vraag in tegenspraak met het begrip ‘gelieerde kredietovereenkomst’ in de zin van artikel 3, onder n), van richtlijn 2008/48, terwijl de tiende vraag in strijd is met de bepalingen van Bulgaars recht inzake de gevolgen van een onregelmatigheid in de vermelding van het JKP.
37
Gelet op de omstandigheden die ten grondslag liggen aan de hoofdgedingen, zoals deze uit het verzoek om een prejudiciële beslissing naar voren komen, blijkt niet duidelijk dat de in het kader van de eerste tot en met de vierde en de zesde tot en met de tiende vraag gevraagde uitlegging van het Unierecht geen enkel verband houdt met de hoofdgedingen of dat de door de verwijzende rechter opgeworpen vragen van hypothetische aard zijn. Bovendien valt de vraag of de verwijzende rechter zich bij de formulering van de zesde tot en met de achtste vraag heeft gebaseerd op een onjuiste uitlegging van het begrip ‘gelieerde kredietovereenkomst’ in de zin van artikel 3, onder n), van richtlijn 2008/48, onder het onderzoek ten gronde van deze vragen en kan dus niet de ontvankelijkheid ervan ter discussie stellen. Ten slotte staat het, zoals blijkt uit de in punt 33 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, niet aan het Hof om te onderzoeken of de verwijzende rechter zijn eigen nationale recht juist heeft uitgelegd.
38
Voor zover de eerste tot en met de vierde vraag, evenals de vijfde vraag, verband houden met de uitlegging van richtlijn 93/13, zij er bovendien aan herinnerd dat overeenkomsten tussen een verkoper en een consument in de zin van artikel 2, onder b), van deze richtlijn, blijkens artikel 1, lid 1, ervan, binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen. Hoewel het bij lezing van de verwijzingsbeslissing lijkt dat de natuurlijke personen die de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde kredietovereenkomsten en overeenkomsten van borgtocht hebben gesloten, consument zijn in de zin van laatstgenoemde bepaling, staat het niettemin aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit daadwerkelijk het geval is.
39
Derhalve moeten de eerste tot en met de tiende vraag ontvankelijk worden verklaard.
Elfde en twaalfde vraag
40
Met zijn elfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 2, van richtlijn 2009/138, gelezen in het licht van bijlage I, deel A, punt 14, bij deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het beroepsmatig uitoefenen van een activiteit van borgtocht tegen vergoeding waarbij, ten eerste, de onderneming die zich borg stelt de kredietgever in alle gevallen waarin de kredietnemer in gebreke blijft het volledige uit hoofde van een door hem aangegane lening verschuldigde bedrag terugbetaalt en, ten tweede, de vergoeding los van een dergelijke niet-nakoming moet worden betaald bij elke vervaldatum van de lening, een ‘verzekeringsactiviteit’ in de zin van die richtlijn vormt. Bij een bevestigend antwoord wenst de verwijzende rechter met zijn twaalfde vraag te vernemen of artikel 14, lid 1, van richtlijn 2009/138 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die deze activiteit uitoefent, verplicht is een vergunning te verkrijgen van de nationale autoriteiten die bevoegd zijn voor de verlening van vergunningen aan verzekeraars.
41
Er zij aan herinnerd dat de hoofdgedingen betrekking hebben op verzoeken om uitvaardiging van bevelen tot betaling van geldschulden die door kredietnemers zijn aangegaan en zijn overgenomen door ondernemingen die zich borg stellen, die hun schuldvorderingen aan verzoeksters in de hoofdgedingen hebben overgedragen, en dat in het kader van die zaken de vraag rijst of bepaalde contractuele bedingen oneerlijk of misleidend zijn en welke gevolgen in voorkomend geval aan een dergelijke kwalificatie moeten worden verbonden.
42
Zonder dat zelfs maar hoeft te worden onderzocht of richtlijn 2009/138 eventueel op de hoofdgedingen van toepassing is, volstaat het om op te merken dat deze richtlijn niet voorziet in civielrechtelijke sancties voor verzekeringsovereenkomsten die zijn gesloten in strijd met de bepalingen ervan betreffende de voorafgaande vergunning van verzekeringsondernemingen.
43
Gelet op het voorwerp van de zaken in het hoofdgeding, zijn de elfde en de twaalfde vraag derhalve in ieder geval hypothetisch van aard.
44
Derhalve moet, gelet op de in punt 34 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, worden vastgesteld dat de elfde en de twaalfde vraag niet-ontvankelijk zijn.
Ten gronde
Eerste vraag
45
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren (arrest van 20 juni 2024, Greislzel, C-35/23, EU:C:2024:532, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46
In casu moet rekening worden gehouden met de context van de eerste vraag, zoals die blijkt uit de in punt 27 van het onderhavige arrest samengevatte toelichtingen van de verwijzende rechter. Daarenboven is, voor zover deze vraag betrekking heeft op de mogelijkheid om te beoordelen of de bedingen van een borgtocht oneerlijk zijn, artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, dat betrekking heeft op de gevolgen van de vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst, niet relevant voor het antwoord op deze vraag.
47
Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de beoordeling van het oneerlijke karakter van de bedingen van een overeenkomst van borgtocht die de verplichtingen van de borg en de schuldenaar van de hoofdsom bepalen, in een situatie waarin laatstgenoemde de overeenkomst van borgtocht op hetzelfde moment als de kredietovereenkomst en ter nakoming van een door deze laatste overeenkomst opgelegde verplichting heeft gesloten, waarin de borg een dochteronderneming van de kredietgever of een door hem gekozen persoon is en de borgkosten gelijktijdig met de termijnen van de lening verschuldigd zijn.
48
Volgens artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 heeft de beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de toereikendheid van enerzijds de prijs en vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.
49
Krachtens vaste rechtspraak vereisen de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel dat de bewoordingen van een bepaling van het Unierecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Europese Unie autonoom en uniform worden uitgelegd, rekening houdend met de context van deze bepaling en het doel van de betrokken regeling (arrest van 30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai, C-26/13, EU:C:2014:282, punt 37).
50
Dit geldt voor de bewoordingen van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13, aangezien die bepaling voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst.
51
Het Hof heeft geoordeeld dat de categorie contractuele bedingen die onder het begrip ‘eigenlijk voorwerp van de overeenkomst’ in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 vallen, die bedingen omvat welke de kern van de prestaties van de overeenkomst bepalen en als dusdanig de overeenkomst kenmerken. Bedingen die een aanvulling zijn op de bedingen die de kern van de contractuele verhouding bepalen, kunnen daarentegen niet onder het begrip ‘eigenlijk voorwerp van de overeenkomst’ in de zin van die bepaling vallen (arrest van 20 september 2017, Andriciuc e.a., C-186/16, EU:C:2017:703, punten 35 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52
Blijkens deze rechtspraak moet, teneinde te bepalen of een beding valt onder het ‘eigenlijke voorwerp’ van de overeenkomst waarin het is vervat, worden gekeken naar de kern van de prestaties van die overeenkomst. Het feit dat die overeenkomst door de consument is gesloten om te voldoen aan een verplichting die is opgelegd door een andere overeenkomst die hij gelijktijdig heeft gesloten, is in dit verband irrelevant.
53
Niettemin moet rekening worden gehouden met het feit dat het door de richtlijn 93/13 uitgewerkte beschermingsstelsel berust op de gedachte dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan deze beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de tevoren door de verkoper geformuleerde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen (arrest van 3 juni 2010, Caja de Ahorros y Monte de Piedad de Madrid, C-484/08, EU:C:2010:309, punt 27).
54
Gelet op een dergelijke zwakke positie verplicht richtlijn 93/13 de lidstaten ervoor te zorgen dat contractuele bedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, kunnen worden getoetst teneinde het eventuele oneerlijke karakter ervan te beoordelen. In dat verband staat het aan de nationale rechter om, rekening houdend met de criteria van artikel 3, lid 1, en artikel 5 van richtlijn 93/13, in het licht van de omstandigheden van het betrokken geval te bepalen of een dergelijk beding voldoet aan de in deze richtlijn gestelde eisen van goede trouw, evenwicht en transparantie (arrest van 30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai, C-26/13, EU:C:2014:282, punt 40).
55
Aan de doeltreffendheid van dit mechanisme zou afbreuk worden gedaan indien een verkoper bedingen die niet tot het eigenlijke voorwerp van een door hem met een consument gesloten overeenkomst behoren, zou kunnen onttrekken aan de beoordeling van het eventuele oneerlijke karakter ervan door die bedingen op te nemen in een afzonderlijke aanvullende overeenkomst waarvan zij het eigenlijke voorwerp vormen, die de consument op verzoek van die verkoper zou sluiten met een dochteronderneming van die verkoper of met een door die verkoper gekozen persoon.
56
In een dergelijke situatie moeten de twee overeenkomsten als een geheel worden geanalyseerd en moeten bijgevolg de bedingen in de afzonderlijke overeenkomst op eventuele oneerlijkheid worden getoetst, voor zover zij niet behoren tot het eigenlijke voorwerp van de tot stand gebrachte contractuele verhouding tussen de verkoper en de consument.
57
Deze overweging vindt in de eerste plaats steun in artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13, volgens hetwelk voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding met name alle omstandigheden rond de sluiting van die overeenkomst en alle bedingen van een andere overeenkomst waarvan die overeenkomst afhankelijk is, in aanmerking worden genomen. Ook vindt deze overweging steun in het feit dat artikel 4, lid 2, van die richtlijn strikt moet worden uitgelegd, aangezien het een uitzondering vormt op de inhoudelijke toetsing van oneerlijke bedingen waarin de door die richtlijn ingevoerde consumentenbeschermingsregeling voorziet (arrest van 20 september 2017 Andriciuc e.a., C-186/16, EU:C:2017:703, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
Wanneer de consument dus, in zaken zoals die in het hoofdgeding, tegelijk met een kredietovereenkomst een overeenkomst van borgtocht heeft gesloten met een dochteronderneming van de kredietgever of met een door de kredietgever gekozen persoon, waarbij het sluiten van deze tweede overeenkomst een voorwaarde is voor het verkrijgen van het krediet of voor een snellere vrijgave van de geleende gelden en de borgkosten tegelijk met de vervaldata van de lening verschuldigd zijn, kan het feit dat de verplichtingen van de borg en de hoofdschuldenaar zijn opgenomen in een van de kredietovereenkomst onderscheiden overeenkomst van borgtocht, de bedingen van de overeenkomst van borgtocht niet binnen de werkingssfeer van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 brengen, omdat anders de bescherming wordt uitgehold die de consument die zich tegenover de verkoper in een zwakke positie bevindt, moet genieten.
59
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de beoordeling van het mogelijk oneerlijke karakter van de bedingen van een overeenkomst van borgtocht die de verplichtingen van de borg en de schuldenaar van de hoofdsom bepalen, in een situatie waarin laatstgenoemde deze overeenkomst op hetzelfde moment als de kredietovereenkomst en ter nakoming van een door deze laatste overeenkomst opgelegde verplichting heeft gesloten, waarin de borg een dochteronderneming van de kredietgever of een door hem gekozen persoon is en de borgkosten gelijktijdig met de termijnen van de lening verschuldigd zijn.
Tweede en derde vraag
60
Met zijn tweede en derde vraag, die samen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of punt 1, onder i), j) en m), in de bijlage bij richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een beding waarbij een consument zich in het kader van een kredietovereenkomst ertoe verbindt om met een door de kredietgever gekozen borg een overeenkomst van borgtocht te sluiten zonder op het moment van sluiting van de kredietovereenkomst kennis te hebben genomen van de identiteit van de borg en van de inhoud van de bedingen van die overeenkomst van borgtocht, onder een van die bepalingen valt.
61
Zoals in artikel 3, lid 3, van richtlijn 93/13 wordt vermeld, bevat de bijlage bij deze richtlijn een indicatieve en niet-uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. Zoals blijkt uit punt 1, respectievelijk onder i), j) en m), van die bijlage, vallen daaronder bedingen die ten eerste tot gevolg hebben dat op onweerlegbare wijze wordt vastgesteld dat de consument instemt met bedingen waarvan hij niet daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen vóór de sluiting van de overeenkomst, ten tweede dat de verkoper wordt gemachtigd om zonder geldige, in de overeenkomst gespecificeerde reden eenzijdig de voorwaarden van de overeenkomst te wijzigen en, ten derde dat de verkoper het recht wordt verleend om te bepalen of het geleverde goed of de verrichte dienst in overeenstemming is met de bepalingen van de overeenkomst of om hem het exclusieve recht te verlenen om enig beding in de overeenkomst uit te leggen.
62
Vastgesteld moet worden dat een beding waarbij een consument zich in het kader van een kredietovereenkomst ertoe verbindt om met een door de kredietgever gekozen borg een overeenkomst van borgtocht te sluiten zonder op het moment van sluiting van de kredietovereenkomst op de hoogte te zijn van de identiteit van de borg en van de inhoud van de bedingen van die overeenkomst van borgtocht, met geen van de in punt 1, onder i), j) en m), in de bijlage bij richtlijn 93/13 bedoelde situaties overeenkomt. Wat in het bijzonder punt 1, onder i), in deze bijlage betreft, moet worden opgemerkt dat een loutere verbintenis van de consument om bij het sluiten van een kredietovereenkomst een overeenkomst van borgtocht te sluiten met een door de kredietgever gekozen borg, niet gelijkstaat met de instemming van de consument met de bedingen van een overeenkomst van borgtocht waarvan hij geen kennis heeft kunnen nemen, aangezien de consument, om aan die verbintenis te voldoen, later de overeenkomst van borgtocht moet sluiten.
63
Nu dit is verduidelijkt, zij eraan herinnerd dat de in de bijlage bij richtlijn 93/13 opgenomen lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt, slechts indicatief is. Het staat derhalve aan de verwijzende rechter om na te gaan of een beding in een kredietovereenkomst waarbij de consument zich ertoe verbindt om met een door de kredietgever gekozen borg een overeenkomst van borgtocht te sluiten zonder dat hij op het moment waarop hij deze verbintenis aangaat op de hoogte is van de identiteit van de borg en van de inhoud van de bedingen van de borgtocht, in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk verstoort ten nadele van de consument, in de zin van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn. Indien dit het geval is, moet dit beding als ‘oneerlijk’ worden aangemerkt en moeten de consequenties worden getrokken die uit die kwalificatie voortvloeien voor de geldigheid van dat beding en, in voorkomend geval, van de overeenkomst waarvan het deel uitmaakt.
64
Gelet op een en ander moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord dat punt 1, onder i), j) en m), in de bijlage bij richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een beding waarbij een consument zich in het kader van een kredietovereenkomst ertoe verbindt om met een door de kredietgever gekozen borg een overeenkomst van borgtocht te sluiten zonder op het moment van sluiting van de kredietovereenkomst kennis te hebben genomen van de identiteit van de borg en van de inhoud van de bedingen van die overeenkomst van borgtocht, niet onder die bepalingen valt.
Vierde vraag
65
Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, wordt de vierde vraag ten eerste gesteld in het licht van de rechtspraak volgens welke de kwalificatie van een handelspraktijk als oneerlijk als zodanig niet volstaat om vast te stellen dat een beding in een overeenkomst oneerlijk is, maar een van de elementen is die de bevoegde rechter kan betrekken in zijn beoordeling van het oneerlijke karakter van de bedingen in een overeenkomst, welke beoordeling overeenkomstig artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13 alle omstandigheden van het betrokken geval in aanmerking moet nemen (arrest van 19 september 2018, Bankia, C-109/17, EU:C:2018:735, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ten tweede blijkt uit de bewoordingen ervan dat de verwijzende rechter daarmee wenst te vernemen of de situatie waarop deze vraag betrekking heeft, altijd als een agressieve handelspraktijk kan worden beschouwd. Bijgevolg zijn artikel 5, lid 5, van en bijlage I bij richtlijn 2005/29 relevant voor het antwoord op deze vraag.
66
Derhalve moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met deze genoemde vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 8 van richtlijn 2005/29, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 5, van en bijlage I bij deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat de opname in kredietovereenkomsten van een beding waarbij de consument een overeenkomst van borgtocht moet sluiten met een door de kredietgever gekozen persoon, in alle omstandigheden een agressieve handelspraktijk vormt.
67
In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat hoofdstuk 2, van richtlijn 2005/29, met als opschrift ‘Oneerlijke handelspraktijken’, twee delen bevat, te weten deel 1, betreffende misleidende handelspraktijken, en deel 2, betreffende agressieve handelspraktijken.
68
Artikel 5 van die richtlijn, dat in hoofdstuk 2 staat, verbiedt in lid 1 oneerlijke handelspraktijken en stelt in lid 2 de criteria vast om te bepalen of een handelspraktijk oneerlijk is. Lid 4 van dat artikel 5 verduidelijkt dat meer in het bijzonder handelspraktijken die ‘misleidend’ zijn in de zin van de artikelen 6 en 7 van richtlijn 2005/29 of ‘agressief’ in de zin van de artikelen 8 en 9 van die richtlijn, oneerlijk zijn. Voorts is in artikel 5, lid 5, bepaald dat bijlage I bij richtlijn 2005/29 de lijst van handelspraktijken bevat die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd en dat deze lijst, die van toepassing is in alle lidstaten, alleen mag worden aangepast door wijziging van die richtlijn. In de punten 1 tot en met 23 van die lijst worden de handelspraktijken opgesomd die onder alle omstandigheden misleidend zijn, en in de punten 24 tot en met 31 ervan de handelspraktijken die onder alle omstandigheden agressief zijn.
69
In dat verband verduidelijkt overweging 17 van richtlijn 2005/29 dat met het oog op een grotere rechtszekerheid alleen de in deze bijlage I opgesomde praktijken worden verondersteld onder alle omstandigheden oneerlijk te zijn zonder dat zij individueel aan het bepaalde in de artikelen 5 tot en met 9 van die richtlijn hoeven te worden getoetst (arrest van 14 november 2024, Compass Banca, C-646/22, EU:C:2024:957, punt 66).
70
Aangezien bijlage I bij richtlijn 2005/29 een uitputtende en limitatieve lijst van handelspraktijken bevat die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd, kan een handelspraktijk zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is slechts worden aangemerkt als een handelspraktijk die onder alle omstandigheden als oneerlijk wordt beschouwd in de zin van deze richtlijn indien deze praktijk overeenstemt met een van de in de punten 24 tot en met 31 van deze bijlage opgenomen situaties (zie in die zin arrest van 14 november 2024, Compass Banca, C-646/22, EU:C:2024:957, punt 67).
71
Bij lezing van deze punten 24 tot en met 31 kan worden vastgesteld dat er van een dergelijke overeenstemming geen sprake is.
72
Gelet op een en ander moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 8 van richtlijn 2005/29, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 5, van en bijlage I bij deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat de opname in kredietovereenkomsten van een beding waarbij de consument een overeenkomst van borgtocht moet sluiten met een door de kredietgever gekozen persoon, niet in alle omstandigheden een agressieve handelspraktijk vormt.
Vijfde vraag
73
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat, hoewel in de formulering van de vijfde vraag artikel 4, lid 1, en artikel 7 van richtlijn 93/13 worden genoemd, de verplichting van de lidstaten om te bepalen dat oneerlijke bedingen in een door een verkoper met een consument gesloten overeenkomst de consument niet binden, is opgenomen in artikel 6, lid 1, van die richtlijn. Voorts heeft de verwijzende rechter weliswaar verwezen naar artikel 8 van richtlijn 2005/29, dat betrekking heeft op agressieve handelspraktijken, maar de vijfde vraag heeft meer in het algemeen betrekking op oneerlijke handelspraktijken in de zin van artikel 5 van deze richtlijn, waarvan agressieve handelspraktijken slechts een subcategorie zijn.
74
Gelet op deze verduidelijkingen moet worden overwogen dat de verwijzende rechter met zijn vijfde vraag, die is gesteld voor het geval dat de vierde vraag ontkennend wordt beantwoord, in wezen wenst te vernemen of artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter bij wie, in het kader van een procedure waaraan niet wordt deelgenomen door de debiteur-consument, een verzoek om uitvaardiging van een betalingsbevel is ingediend, een beding in de consumentenkredietovereenkomst tussen die consument en de betrokken verkoper ambtshalve buiten toepassing kan laten op de enkele grond dat er twijfel bestaat over het feit dat de consument dit beding heeft kunnen aanvaarden als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 5 van richtlijn 2005/29, dan wel of het bestaan van die praktijk met zekerheid moet worden vastgesteld.
75
In dit verband blijkt uit de in punt 65 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak dat de vaststelling dat een handelspraktijk oneerlijk is, slechts een van de elementen is die de bevoegde rechter kan betrekken in zijn beoordeling van het oneerlijke karakter van de bedingen. Deze rechter moet zich namelijk uitspreken over de toepassing van de algemene criteria van de artikelen 3 en 4 van richtlijn 93/13 op een specifiek beding, dat moet worden onderzocht tegen de achtergrond van alle omstandigheden van het betrokken geval (zie in die zin arrest van 15 maart 2012, Pereničová en Perenič, C-453/10, EU:C:2012:144, punt 44).
76
Hieruit volgt dat, om een beding in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper als oneerlijk aan te merken, geenszins hoeft te worden aangetoond dat er sprake is van een oneerlijke handelspraktijk, maar dat het bestaan van twijfel dienaangaande evenwel een factor is waarmee rekening kan worden gehouden bij het in het vorige punt bedoelde onderzoek. Dit neemt niet weg dat de bevoegde rechter een beding van een dergelijke overeenkomst slechts buiten toepassing kan laten indien hij tot de overtuiging is gekomen dat dit beding oneerlijk is, en dat loutere twijfel dienaangaande niet volstaat.
77
In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat indien de nationale rechter het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de verkoper compenseert door een oneerlijk beding buiten toepassing te laten zodat het geen dwingende gevolgen heeft voor de betrokken consument, daarbij de voorwaarde geldt dat hij over de daartoe noodzakelijke juridische en feitelijke gegevens beschikt. Daaruit volgt dat de nationale rechter in voorkomend geval, indien de betrokken consument zich niet verzet en zo nodig ambtshalve, maatregelen van instructie heeft te nemen teneinde het dossier aan te vullen, door de partijen te verzoeken om hem, met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor, de daartoe benodigde aanvullende inlichtingen te verstrekken. Deze argumenten gelden tevens voor een betalingsbevelprocedure [zie in die zin arrest van 30 juni 2022, Profi Credit Bulgaria (Ambtshalve verrekening bij oneerlijke bedingen), C-170/21, EU:C:2022:518, punten 31–33 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
78
Gelet op een en ander moet op de vijfde vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter bij wie, in het kader van een procedure waaraan niet wordt deelgenomen door de debiteur-consument, een verzoek om uitvaardiging van een betalingsbevel is ingediend, een beding in de consumentenkredietovereenkomst die tussen deze consument en de betrokken verkoper is gesloten niet ambtshalve buiten toepassing kan laten indien hij niet de overtuiging heeft dat dit beding als ‘oneerlijk’ in de zin van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn moet worden aangemerkt. Het bestaan van twijfel of dit beding door de consument kon zijn aanvaard na een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 5 van richtlijn 2005/29, kan evenwel een van de factoren zijn waarmee rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van het eventuele oneerlijke karakter van het desbetreffende beding.
Zesde en zevende vraag
79
Vooraf zij opgemerkt dat de verwijzende rechter zich in de zevende vraag afvraagt of nationale rechtspraak verenigbaar is met, in het bijzonder, de artikelen 5 en 7 alsmede punt 1, onder b) en c), in de bijlage bij richtlijn 93/13. Zoals de advocaat-generaal in punt 23 van zijn conclusie heeft opgemerkt, hebben deze bepalingen betrekking op de uitlegging van bedingen in overeenkomsten tussen een consument en een verkoper, alsook op het eventuele oneerlijke karakter van dergelijke bedingen, en niet op de gevolgen die rechtstreeks voortvloeien uit de toepassing van het nationale recht en de desbetreffende rechtspraak, zonder dat zij hun oorsprong vinden in een beding in een overeenkomst.
80
Bijgevolg dienen de zesde en de zevende vraag uitsluitend op basis van richtlijn 2008/48 te worden beantwoord, waarbij wordt opgemerkt dat deze vragen ertoe strekken vast te stellen of artikel 15, lid 2, van deze richtlijn eventueel van toepassing is op kredietovereenkomsten als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, dat deze bepaling alleen van toepassing is op ‘gelieerde kredietovereenkomsten’ in de zin van die richtlijn en dat het begrip ‘gelieerde kredietovereenkomst’ wordt gedefinieerd in artikel 3, onder n), ervan.
81
Gelet op deze elementen moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn zesde en zevende vraag in wezen wenst te vernemen of het begrip ‘gelieerde kredietovereenkomst’ in de zin van artikel 3, onder n), van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat hieronder een kredietovereenkomst valt waarvan de sluiting uitsluitend is gelieerd aan de sluiting van een overeenkomst van borgtocht met een daarvoor betaalde derde en, zo ja, of artikel 15, lid 2, van deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke, wanneer de borg van een borgtocht, die een vergoeding heeft ontvangen van de hoofdschuldenaar, de uit hoofde van de lening aan de hoofdschuldeiser verschuldigde bedragen heeft terugbetaald na het verstrijken van een wettelijke termijn waardoor de borgtocht volledig vervalt, deze borg zich niettemin op zijn subrogatie in de rechten van die schuldeiser kan beroepen en van de hoofdschuldenaar betaling van de aldus betaalde bedragen kan vorderen.
82
Uit artikel 3, onder n), van richtlijn 2008/48 blijkt dat het begrip ‘gelieerde kredietovereenkomst’ betrekking heeft op een kredietovereenkomst op grond waarvan, ten eerste, het betrokken krediet uitsluitend dient ter financiering van een overeenkomst voor de levering van bepaalde goederen of de verrichting van een bepaalde dienst en, ten tweede, die twee overeenkomsten objectief gezien een commerciële eenheid vormen. Deze twee voorwaarden zijn cumulatief.
83
Een kredietovereenkomst waarvan de sluiting verband houdt met de enkele sluiting van een overeenkomst van borgtocht kan echter duidelijk niet worden geacht te dienen als financiering van die laatste overeenkomst.
84
Derhalve moet worden vastgesteld dat dergelijke kredietovereenkomsten niet voldoen aan de eerste van de cumulatieve voorwaarden die gezamenlijk het begrip ‘gelieerde kredietovereenkomst’ in de zin van artikel 3, onder n), van richtlijn 2008/48 kenmerken. Bijgevolg volstaat de omstandigheid dat dergelijke overeenkomsten een commerciële eenheid vormen met een overeenkomst van borgtocht die is gesloten met een daarvoor betaalde derde, zelfs verondersteld dat die omstandigheid vaststaat, niet om deze overeenkomsten onder dit begrip en dus binnen de werkingssfeer van artikel 15, lid 2, van deze richtlijn te laten vallen.
85
Gelet op een en ander moet op de zesde en de zevende vraag worden geantwoord dat het begrip ‘gelieerde kredietovereenkomst’ in de zin van artikel 3, onder n), van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat een kredietovereenkomst waarvan de sluiting uitsluitend is gelieerd aan de sluiting van een overeenkomst van borgtocht met een daarvoor betaalde derde, hier niet onder valt.
Achtste vraag
86
Vooraf zij opgemerkt dat artikel 5 van richtlijn 93/13, dat in de formulering van de achtste vraag wordt genoemd, niet relevant is voor het probleem waarop deze vraag betrekking heeft.
87
Derhalve moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn achtste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 3, onder g) en i), van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat de kosten in verband met een overeenkomst van borgtocht die de consument verplicht moet sluiten op grond van een beding in een door hem gesloten kredietovereenkomst, die leiden tot een verhoging van het totale bedrag van de schuld, onder het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ en dus onder het begrip ‘JKP’ vallen.
88
Volgens artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48 omvat het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ alle kosten, met inbegrip van rente, commissielonen, belastingen en vergoedingen van welke aard ook, die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn, met uitzondering van notariskosten. Overeenkomstig deze bepaling omvat dit begrip ook de kosten in verband met nevendiensten met betrekking tot de kredietovereenkomst indien, daarenboven, het sluiten van een dienstencontract verplicht is om het krediet, in voorkomend geval op de geadverteerde voorwaarden, te verkrijgen.
89
Krachtens artikel 3, onder i), van richtlijn 2008/48 komt het JKP overeen met de totale kosten van het krediet voor de consument, uitgedrukt in een percentage op jaarbasis van het totale kredietbedrag, indien toepasselijk te vermeerderen met de kosten bedoeld in artikel 19, lid 2, van die richtlijn.
90
Teneinde een uitgebreide bescherming van de consumenten te waarborgen geeft de Uniewetgever een ruime definitie aan het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’, waarmee wordt verwezen naar alle kosten die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn [arrest van 21 maart 2024, Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst), C-714/22, EU:C:2024:263, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
91
Er zij aan herinnerd dat in overweging 22 van richtlijn 2008/48 staat te lezen dat de kredietgever wordt verondersteld kennis te hebben van de kosten van de nevendiensten, die hij zelf of namens een derde aan de consument aanbiedt, tenzij de prijs daarvan afhangt van de specifieke kenmerken of situatie van de consument, en dat, zelfs als het bedrag van de kosten van deze nevendiensten niet van tevoren kan worden bepaald, de consument in de precontractuele fase adequaat over het bestaan van de kosten moet worden geïnformeerd.
92
De achtste vraag betreft het geval van een kredietovereenkomst die de kredietnemer verplicht een overeenkomst van borgtocht te sluiten teneinde het krediet te verkrijgen. De borgstelling op grond van deze laatste overeenkomst vormt dus een dienst met betrekking tot de kredietovereenkomst in de zin van artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48 en de kosten van deze overeenkomst maken, voor zover het sluiten van de borgtochtovereenkomst verplicht is om het krediet te verkrijgen, overeenkomstig deze bepaling deel uit van de ‘totale kosten van het krediet voor de consument’. Bijgevolg moeten zij krachtens hetzelfde artikel, onder i), bij de berekening van het JKP in aanmerking worden genomen.
93
Gelet op een en ander moet op de achtste vraag worden geantwoord dat artikel 3, onder g) en i), van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat de kosten in verband met een overeenkomst van borgtocht die de consument verplicht moet sluiten op grond van een beding in een door hem gesloten kredietovereenkomst, die leiden tot een verhoging van het totale bedrag van de schuld, onder het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ en dus onder het begrip ‘JKP’ vallen.
Negende en tiende vraag
94
Met zijn negende en tiende vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10, lid 2, onder g), en artikel 23 van richtlijn 2008/48 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een consumentenkredietovereenkomst, wanneer hierin geen JKP staat vermeld waarin alle in artikel 3, onder g), van deze richtlijn bedoelde kosten zijn opgenomen, wordt geacht rente- en kostenvrij te zijn, zodat de betrokken consument in geval van nietigverklaring van die overeenkomst alleen het geleende kapitaal hoeft terug te betalen.
95
Er moet aan worden herinnerd dat artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 in een volledige harmonisatie voorziet voor de gegevens die verplicht in de kredietovereenkomst moeten worden opgenomen. Daartoe bepaalt artikel 10, lid 2, onder g), van deze richtlijn dat het JKP en het totale door de consument te betalen bedrag, berekend bij het sluiten van de kredietovereenkomst, op duidelijke en beknopte wijze in de kredietovereenkomst worden vermeld [arrest van 21 maart 2024, Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst), C-714/22, EU:C:2024:263, punt 50].
96
Uit de rechtspraak blijkt dat de vermelding van het JKP in de kredietovereenkomst van essentieel belang is, onder meer omdat de consument aan de hand daarvan kan beoordelen waartoe hij zich verbindt [arrest van 21 maart 2024, Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst), C-714/22, EU:C:2024:263, punt 51].
97
Daarnaast blijkt uit artikel 23 van richtlijn 2008/48, gelezen in het licht van overweging 47 ervan, dat de keuze van de sancties die gelden voor inbreuken op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen weliswaar aan de lidstaten wordt overgelaten, maar dat de aldus vastgestelde sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn. Dat betekent dat de strengheid van de sancties in verhouding dient te staan tot de ernst van de strafbaar gestelde feiten, met name door te verzekeren dat deze sancties een reële afschrikkende werking hebben, waarbij het algemene evenredigheidsbeginsel in acht dient te worden genomen [arrest van 21 maart 2024, Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst), C-714/22, EU:C:2024:263, punt 52].
98
Gelet op het feit dat het voor de consument van essentieel belang is dat het JKP in die overeenkomst wordt vermeld, heeft het Hof geoordeeld dat een nationale rechter ambtshalve een nationale regeling mag toepassen volgens welke het ontbreken van de vermelding van het JKP ertoe leidt dat het verstrekte krediet wordt geacht rente- en kostenvrij te zijn [arrest van 21 maart 2024, Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst), C-714/22, EU:C:2024:263, punt 53].
99
Het Hof heeft tevens geoordeeld dat een dergelijke sanctie, die erin bestaat dat de kredietgever geen recht heeft op vergoeding van rente en kosten, in een situatie waarbij in een kredietovereenkomst een geschat JKP was vermeld en het precieze bedrag van dat JKP na de verlening van het krediet zou worden gespecificeerd, moet worden beschouwd als evenredig in de zin van artikel 23 van richtlijn 2008/48 [arrest van 21 maart 2024, Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst), C-714/22, EU:C:2024:263, punt 54].
100
Gelet op het essentiële belang van de vermelding van het JKP in een consumentenkredietovereenkomst voor de consument zodat hij kennis kan nemen van zijn rechten en verplichtingen, en gelet op de noodzaak om bij de berekening van dit percentage alle in artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48 bedoelde kosten op te nemen, moet in casu derhalve worden geoordeeld dat de vermelding van een JKP dat niet al deze kosten getrouw weergeeft, de consument de mogelijkheid ontneemt om te bepalen waartoe hij zich verbindt, net zoals wanneer dat percentage helemaal niet zou zijn vermeld. Een sanctie die erin bestaat dat de kredietgever geen recht heeft op vergoeding van rente en kosten ingeval er een JKP wordt vermeld dat niet al deze kosten omvat, weerspiegelt bijgevolg de ernst van een dergelijke inbreuk en is afschrikkend en evenredig [arrest van 21 maart 2024, Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst), C-714/22, EU:C:2024:263, punt 55].
101
Gelet op een en ander moet op de negende en de tiende vraag worden geantwoord dat artikel 10, lid 2, onder g), en artikel 23 van richtlijn 2008/48 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een consumentenkredietovereenkomst, wanneer hierin geen JKP staat vermeld waarin alle in artikel 3, onder g), van deze richtlijn bedoelde kosten zijn opgenomen, wordt geacht rente- en kostenvrij te zijn, zodat de betrokken consument in geval van nietigverklaring van die overeenkomst alleen het geleende kapitaal hoeft terug te betalen.
Kosten
102
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen de beoordeling van het mogelijk oneerlijke karakter van de bedingen van een overeenkomst van borgtocht die de verplichtingen van de borg en de schuldenaar van de hoofdsom bepalen, in een situatie waarin laatstgenoemde deze overeenkomst op hetzelfde moment als de kredietovereenkomst en ter nakoming van een door deze laatste overeenkomst opgelegde verplichting heeft gesloten, waarin de borg een dochteronderneming van de kredietgever of een door hem gekozen persoon is en de borgkosten gelijktijdig met de termijnen van de lening verschuldigd zijn.
- 2)
Punt 1, onder i), j) en m), in de bijlage bij richtlijn 93/13
moet aldus worden uitgelegd dat
een beding waarbij een consument zich in het kader van een kredietovereenkomst ertoe verbindt om met een door de kredietgever gekozen borg een overeenkomst van borgtocht te sluiten zonder op het moment van sluiting van de kredietovereenkomst kennis te hebben genomen van de identiteit van de borg en van de inhoud van de bedingen van die overeenkomst van borgtocht, niet onder die bepalingen valt.
- 3)
Artikel 8 van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 5, van en bijlage I bij deze richtlijn,
moet aldus worden uitgelegd dat
de opname in kredietovereenkomsten van een beding waarbij de consument een overeenkomst van borgtocht moet sluiten met een door de kredietgever gekozen persoon, niet in alle omstandigheden een agressieve handelspraktijk vormt.
- 4)
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13
moet aldus worden uitgelegd dat
de nationale rechter bij wie, in het kader van een procedure waaraan niet wordt deelgenomen door de debiteur-consument, een verzoek om uitvaardiging van een betalingsbevel is ingediend, een beding in de consumentenkredietovereenkomst die tussen deze consument en de betrokken verkoper is gesloten niet ambtshalve buiten toepassing kan laten indien hij niet de overtuiging heeft dat dit beding als ‘oneerlijk’ in de zin van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn moet worden aangemerkt. Het bestaan van twijfel of dit beding door de consument kon zijn aanvaard na een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 5 van richtlijn 2005/29, kan evenwel een van de factoren zijn waarmee rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van het eventuele oneerlijke karakter van het desbetreffende beding.
- 5)
Het begrip ‘gelieerde kredietovereenkomst’ in de zin van artikel 3, onder n), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad
moet aldus worden uitgelegd dat
een kredietovereenkomst waarvan de sluiting uitsluitend is gelieerd aan de sluiting van een overeenkomst van borgtocht met een daarvoor betaalde derde, hier niet onder valt.
- 6)
Artikel 3, onder g) en i), van richtlijn 2008/48
moet aldus worden uitgelegd dat
de kosten in verband met een overeenkomst van borgtocht die de consument verplicht moet sluiten op grond van een beding in een door hem gesloten kredietovereenkomst, die leiden tot een verhoging van het totale bedrag van de schuld, onder het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ en dus onder het begrip ‘jaarlijks kostenpercentage’ vallen.
- 7)
Artikel 10, lid 2, onder g), en artikel 23 van richtlijn 2008/48
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich er niet tegen verzetten dat een consumentenkredietovereenkomst, wanneer hierin geen jaarlijks kostenpercentage staat vermeld waarin alle in artikel 3, onder g), van deze richtlijn bedoelde kosten zijn opgenomen, wordt geacht rente-en kostenvrij te zijn, zodat de betrokken consument in geval van nietigverklaring van die overeenkomst alleen het geleende kapitaal hoeft terug te betalen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑03‑2025
Conclusie 12‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Bescherming van de consument — Oneerlijke bedingen — Richtlijn 93/13/EEG — Richtlijn 2008/48/EG — Borgstelling tegen betaling door een zakelijke, door de kredietgever goedgekeurde borg — Gelieerde kredietovereenkomsten — Terugbetaling van een lening door de borg — Subrogatie in de rechten van de kredietgever
A. M. Collins
Partij(en)
Zaak C-337/231.
APS Beta Bulgaria EOOD,
Agentsia za kontrol na prosrocheni zadalzhenia AD
[verzoek van de Sofiyski rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Met dit verzoek om een prejudiciële beslissing, dat is ingediend door de Sofiyski rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije), wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over een reeks vragen betreffende de verenigbaarheid van bepaalde bedingen in consumentenkredietovereenkomsten met het Unierecht in omstandigheden waarin de nieuwe houders van borgstellingen voor leningen de op grond van deze overeenkomsten geleende bedragen trachten terug te vorderen van consumenten (kredietnemers).
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
2.
Artikel 3 van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad2. bepaalt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- c)
‘kredietovereenkomst’: een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit, […];
[…]
- n)
‘gelieerde kredietovereenkomst’: een kredietovereenkomst waarbij geldt dat:
- i)
het betreffende krediet uitsluitend dient ter financiering van een overeenkomst voor de levering van een bepaald goed of de verrichting van een bepaalde dienst, en
- ii)
die twee overeenkomsten objectief gezien een commerciële eenheid vormen; een commerciële eenheid wordt geacht te bestaan indien de leverancier of de dienstenaanbieder zelf het krediet van de consument financiert of, in het geval van financiering door een derde, indien de kredietgever bij het voorbereiden of sluiten van de kredietovereenkomst gebruikmaakt van de diensten van de leverancier of dienstenaanbieder, dan wel indien de bepaalde goederen of de levering van een bepaalde dienst uitdrukkelijk worden vermeld in de kredietovereenkomst.’
3.
Artikel 15, lid 2, van richtlijn 2008/48 bepaalt:
‘Indien de onder de gelieerde kredietovereenkomst vallende goederen of diensten niet of slechts gedeeltelijk geleverd, respectievelijk verricht worden of niet met de voorwaarden van het contract voor de levering van een goed of het verrichten van een dienst in overeenstemming zijn, kan de consument zijn rechten doen gelden jegens de leverancier, respectievelijk de dienstverrichter, indien hij niet de genoegdoening heeft gekregen waarop hij overeenkomstig de wet of het contract voor de levering van een goed of het verrichten van een dienst recht heeft, na zijn rechten te hebben doen gelden jegens de kredietgever. De lidstaten bepalen in welke mate en onder welke voorwaarden die rechten worden uitgeoefend.’
4.
Artikel 17, lid 1, van richtlijn 2008/48 luidt als volgt:
‘Indien de rechten die de kredietgever op grond van de kredietovereenkomst heeft, dan wel de overeenkomst zelf, aan een derde worden overgedragen, kan de consument jegens de nieuwe houder de excepties en verweermiddelen opwerpen die hem jegens de oorspronkelijke kredietgever ter beschikking stonden, met inbegrip van schuldvergelijking, mits deze in de betrokken lidstaat is toegestaan.’
5.
Artikel 22 van richtlijn 2008/48 bepaalt het volgende:
- ‘1.
In zoverre deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen bevat, mogen de lidstaten geen bepalingen handhaven of invoeren in hun nationale wetgeving die afwijken van die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld. […]
- 2.
De lidstaten dragen er zorg voor dat de consument geen afstand kan doen van de rechten die hem worden toegekend krachtens de bepalingen van het nationale recht die uitvoering geven aan of overeenstemmen met deze richtlijn.
- 3.
De lidstaten dragen er tevens zorg voor dat de bepalingen die zij ter uitvoering van deze richtlijn vaststellen, niet kunnen worden omzeild door overeenkomsten een bijzondere vorm te geven, met name door kredietopnemingen of kredietovereenkomsten die onder deze richtlijn vallen op te nemen in kredietovereenkomsten die, door de aard of het doel ervan, buiten de werkingssfeer ervan zouden kunnen vallen.
[…]’
B. Bulgaars recht
6.
Ingevolge artikel 147, lid 1, van de Zakon za zadalzheniyata i dogovorite3. (wet betreffende verbintenissen en overeenkomsten; hierna: ‘ZZD’) geldt:
‘De borg blijft gebonden, zelfs nadat de hoofdverbintenis opeisbaar wordt, indien de kredietgever binnen zes maanden een rechtsvordering heeft ingesteld tegen de schuldenaar. Deze bepaling is ook van toepassing wanneer de borg zijn borgstelling uitdrukkelijk heeft beperkt tot de duur van de hoofdverbintenis.
Wanneer de kredietgever verlenging van de termijn toestaat aan de schuldenaar, heeft deze verlenging geen werking ten aanzien van de borg indien deze daarmee niet heeft ingestemd.’
III. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
7.
Easy Asset Management AD en Credisimo AD, rechtspersonen naar Bulgaars recht, hebben middels individuele consumentenkredietovereenkomsten aan consumenten (kredietnemers) bedragen geleend tussen 300 Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 150 EUR) en 1 700 BGN (ongeveer 870 EUR)4., tegen rentevoeten van ongeveer 40 % tot 50 %, die binnen drie tot achttien maanden moesten worden terugbetaald. In elk van deze kredietovereenkomsten was bepaald dat de consument (kredietnemer) als zekerheid een borg moest stellen.5. Dit kon een borgstelling zijn door twee natuurlijke personen die aan bepaalde kredietcriteria voldeden6., door een bank, of door een door de kredietgever aangewezen onderneming7.. In elk van de bij de verwijzende rechter aanhangige zaken heeft de consument (kredietnemer) een door de kredietgever aangewezen onderneming als borg gesteld, hetzij Financial Bulgaria EOOD, een dochteronderneming van Easy Asset Management AD, hetzij I Trust EOOD. Toen een consument (kredietnemer) in gebreke was gebleven bij de terugbetaling van een lening, heeft de borg de kredietgever uit hoofde van de borgstelling betaald. Vervolgens hebben de borgen hun vorderingen gecedeerd aan APS Beta Bulgaria EOOD (de eerste verzoekende partij; hierna: ‘APS Beta Bulgaria’) of aan de Agentsia za kontrol na prosrocheni zadalzhenia AD (de tweede verzoekende partij; hierna: ‘Agentsia’).
8.
De procedure voor de verwijzende rechter betreft zeven ex parte-verzoeken van APS Beta Bulgaria en de Agentsia8. tot verkrijging van bevelen aan consumenten (kredietnemers) tot betaling van de bedragen die de borgen krachtens de kredietovereenkomsten aan de kredietgevers hebben betaald.9. In deze bedragen zijn vergoedingen voor de borgstellingskosten begrepen van meer dan 75 % van het totale uit hoofde van de kredietovereenkomsten terug te betalen bedrag.
9.
De verwijzende rechter merkt op dat de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Bulgarije) artikel 147, lid 1, ZZD aldus uitlegt dat wanneer een kredietgever gedurende een periode van zes maanden nadat de hoofdverbintenis opeisbaar is geworden, geen vordering tegen een schuldenaar heeft ingesteld, elke gestelde zekerheid voor de terugbetaling van die schuld tenietgaat op grond van een rechtsregel die ambtshalve wordt toegepast.10. Sommige nationale rechters zijn van oordeel dat alleen een borg zich jegens een kredietgever kan beroepen op artikel 147, lid 1, ZZD. Hoewel de verplichtingen van de borg jegens de kredietgever kunnen zijn tenietgegaan doordat de kredietgever niet tijdig een procedure heeft ingeleid tegen de schuldenaar, kan een borg de bedragen die hij uit hoofde van de borgstelling heeft betaald, verhalen op een in gebreke blijvende schuldenaar.11. In het eerste, het tweede en het derde bij de verwijzende rechter aanhangige geding hebben Financial Bulgaria EOOD en I Trust EOOD de kredietgever meer dan zes maanden na de vervaldatum van de laatste termijn betaald en hun rechten uit hoofde van de borgstellingen gecedeerd aan APS Beta Bulgaria. In de vierde, de zevende en de achtste zaak heeft Financial Bulgaria EOOD de schuld meer dan zes maanden na de vervaldatum van de laatste termijn betaald en haar rechten uit hoofde van de borgstellingen gecedeerd aan de Agentsia. In de vijfde zaak heeft Financial Bulgaria EOOD de schuld binnen de termijn van zes maanden betaald en haar rechten uit hoofde van de borgstelling gecedeerd aan de Agentsia.
10.
Tegen deze achtergrond heeft de Sofiyski rayonen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moeten artikel 4, lid 2, en artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG[12.] van de Raad [van 5 april 1993] betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten aldus worden uitgelegd dat indien een kredietovereenkomst de consument verplicht om een borgovereenkomst te sluiten met een door de kredietgever aangewezen borg, de inhoud van de borgovereenkomst niet het ‘eigenlijke voorwerp’ van de overeenkomst met die derde, maar een deel van de inhoud van de kredietovereenkomst vormt? Is in dit verband relevant of het bij de kredietgever en de borg om verbonden personen gaat?
- 2)
Moet punt 1, onder i), van de bijlage bij richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat indien de consument verplicht is om in het kader van een reeds gesloten kredietovereenkomst een borg te stellen — waarbij een van de mogelijkheden is dat hij daartoe een door de kredietgever aangewezen persoon opdracht geeft —, de inhoud van de verplichting van de consument uit hoofde van de later op dezelfde dag als de kredietovereenkomst gesloten borgovereenkomst als onduidelijk moet worden beschouwd omdat de consument de door de kredietgever als toekomstige borg aan te wijzen persoon niet zelf mocht kiezen of voorstellen?
- 3)
Indien het antwoord op deze vraag luidt dat het voorwerp van de borgovereenkomst duidelijk is: moet punt 1, onder i), j) en m), van de bijlage bij richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat indien de consument zich ertoe heeft verbonden om in het kader van een reeds gesloten kredietovereenkomst een borg te stellen — waarbij een van de mogelijkheden is dat hij daartoe een door de kredietgever aangewezen persoon opdracht geeft —, de inhoud van de verplichting van de consument uit hoofde van de borgovereenkomst als onduidelijk moet worden beschouwd en dit tot de nietigheid van de kredietovereenkomst of bepaalde bedingen ervan kan leiden?
- 4)
Moet artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 8 van richtlijn 2005/29/EG[13.] betreffende oneerlijke handelspraktijken, aldus worden uitgelegd dat indien een persoon die een krediet verstrekt, verlangt dat de consument een overeenkomst met een door deze kredietgever aangewezen persoon sluit die als borg voor zijn vordering jegens de consument instaat, altijd sprake is van misbruik van de benadeelde positie van de consument en dus van een agressieve handelspraktijk?
- 5)
Indien de vierde vraag ontkennend wordt beantwoord: moeten artikel 4, lid 1, en artikel 7 van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 8 van richtlijn 2005/29, aldus worden uitgelegd dat de rechter in een eenzijdige gerechtelijke procedure, zoals de betalingsbevelprocedure, waarin de consument geen partij is, twijfels dat een beding oneerlijk is alleen kan baseren op zijn vermoeden dat het beding op grond van een oneerlijke handelspraktijk door de consument is aanvaard, of moet dit laatste met zekerheid worden vastgesteld?
- 6)
Moet artikel 15, lid 2, van richtlijn 2008/48 aldus worden uitgelegd dat deze bepaling dient te worden toegepast wanneer de kredietovereenkomst gepaard gaat met een nevendienst, namelijk dat een derde zich tegen betaling borg stelt, en de consument in staat stelt om niet alleen zijn rechten op grond van de niet-nakoming door de borg, zoals de betaling na het verstrijken van een wettelijke termijn, te doen gelden, maar ook procedurele verweren die de verplichting jegens de borg uitsluiten?
- 7)
Staat artikel 15, lid 2, van richtlijn 2008/48, gelezen in samenhang met het doeltreffendheidsbeginsel, dan wel staan — indien wordt aangenomen dat de kredietovereenkomst en de borgovereenkomst gelieerde overeenkomsten zijn — de artikelen 5 en 7 van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder b) en c), van de bijlage bij die richtlijn een nationale rechtspraak toe volgens welke de borg van een met een consumentenkredietovereenkomst gelieerde overeenkomst die een vergoeding van de consument voor de borgstelling voor de kredietovereenkomst heeft ontvangen en ondanks het verstrijken van de termijn ingevolge artikel 147 [ZZD] — waardoor volgens de rechtspraak de borgstelling in haar geheel vervalt — op basis van een beding aan de kredietgever heeft betaald, zich er desondanks op kan beroepen dat de rechten van de oorspronkelijke kredietgever op hem zijn overgegaan en, onder verwijzing naar tegenstrijdige rechtspraak over de toepassing van de wet, betaling kan verlangen van de kredietnemer?
- 8)
Moet artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48, gelezen in samenhang met artikel 5 van richtlijn 93/13, aldus worden uitgelegd dat in geval van een in de kredietovereenkomst opgenomen verplichting tot het sluiten van een gelieerde borgovereenkomst, hetgeen tot een verhoging van het totaalbedrag van de kredietschuld leidt, het jaarlijkse kostenpercentage voor het krediet eveneens dient te worden berekend op basis van de met betrekking tot de vergoeding voor de borg verhoogde termijnen? Is het hierbij van belang wie de borg heeft gekozen en of hij een met de kredietgever verbonden persoon is?
- 9)
Moet artikel 10, lid 2, onder g), van richtlijn 2008/48 aldus worden uitgelegd dat de onjuiste vermelding van het jaarlijkse kostenpercentage in een kredietovereenkomst tussen een verkoper en een consument (kredietnemer) moet worden beschouwd als ontbrekende vermelding van het jaarlijkse kostenpercentage in de kredietovereenkomst, en de nationale rechter de rechtsgevolgen moet toepassen die in het nationale recht worden verbonden aan het ontbreken van de vermelding van het jaarlijkse kostenpercentage in een consumentenkredietovereenkomst? Moet ervan worden uitgegaan dat deze gevolgen ook voor de borg die betaald heeft, in de verhouding tot de consument bindend zijn?
- 10)
Moet artikel 23, tweede volzin, van richtlijn 2008/48 aldus worden uitgelegd dat een in het nationale recht vastgestelde sanctie in de vorm van de nietigheid van de consumentenkredietovereenkomst, waarbij alleen het verstrekte kapitaalbedrag moet worden terugbetaald, evenredig is wanneer het jaarlijkse kostenpercentage niet nauwkeurig in de consumentenkredietovereenkomst is vermeld voor zover de kosten voor een door de kredietgever gekozen zakelijke borg hierin ontbreken (hoewel het jaarlijkse kostenpercentage in de tekst van de kredietovereenkomst in cijfers is aangegeven)?
- 11)
Moet artikel 2, lid 2, van richtlijn 2009/138/EG[14.] betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), gelezen in samenhang met deel A, punt 14, van bijlage I bij die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat de beroepsmatige uitoefening van een activiteit als borg onder bezwarende titel, waarbij de onderneming die zich borg stelt in alle gevallen van niet-nakoming het totale bedrag betaalt van het krediet dat een consument als kredietnemer heeft afgesloten, en de vergoeding met elke termijn voor het krediet wordt betaald, ongeacht of de consument in gebreke blijft, een ‘verzekeringsactiviteit’ in de zin van die richtlijn vormt?
- 12)
Indien de elfde vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 14, lid 1, van richtlijn 2009/138 aldus worden uitgelegd dat een persoon die de in de elfde vraag genoemde activiteit uitoefent, verplicht is om een vergunning te verkrijgen bij de nationale regulerende instanties die voor het verlenen van vergunningen aan verzekeringsondernemingen bevoegd zijn?’
11.
De Agentsia, de Tsjechische regering15. en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend bij het Hof.
IV. Beoordeling
12.
Het Hof heeft mij verzocht om in deze conclusie in te gaan op de zesde en de zevende prejudiciële vraag. De Agentsia en de Commissie geven het Hof in overweging deze vragen gezamenlijk te behandelen. Ik onderschrijf dit voorstel.
13.
In het kader van de procedure van artikel 267 VWEU is het de taak van het Hof om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Indien nodig dient het Hof daartoe de voorgelegde vragen te herformuleren.16. Met zijn zesde en zevende vraag wenst de verwijzende rechter in de eerste plaats te vernemen of artikel 15, lid 2, van richtlijn 2008/48 van toepassing is op kredietovereenkomsten die gepaard gaan met borgstelling door een derde tegen betaling, en, in de tweede plaats, of de artikelen 5 en 7 van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder b) en c), van de bijlage bij die richtlijn, van toepassing zijn op nationale rechtspraak dat een borg die aan de kredietgever van een consumentenkredietovereenkomst heeft betaald, betaling kan verlangen van de kredietnemer, ondanks het feit dat de borgstelling is vervallen.
A. Ontvankelijkheid van de zesde en de zevende vraag
Opmerkingen van partijen
14.
Volgens de Agentsia verschaft de borgstellingsovereenkomst de kredietgever een aanvullende zekerheid ten aanzien van de lening en waarborgt zij de volledige en tijdige nakoming ervan. Deze borgovereenkomst staat los van de kredietovereenkomst tussen de kredietgever en de consument (kredietnemer), zodat de twee overeenkomsten niet als één enkele commerciële eenheid kunnen worden behandeld. Bovendien financiert de borgovereenkomst de kredietovereenkomst niet. De kredietovereenkomst en de borgovereenkomst zijn derhalve geen ‘gelieerde kredietovereenkomsten’ in de zin van artikel 3, onder n), van richtlijn 2008/48. Aangezien artikel 15, lid 2, van richtlijn 2008/48 enkel van toepassing is op gelieerde kredietovereenkomsten, geldt het niet voor de transacties waarop de verwijzingsbeslissing betrekking heeft. De zesde en de zevende vraag zijn niet-ontvankelijk, aangezien zij geen betrekking hebben op de feiten van de zaak en hypothetisch van aard zijn.
15.
De Commissie stelt de ontvankelijkheid van de zesde en zevende vraag niet ter discussie.
Analyse
16.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de procedure van artikel 267 VWEU een instrument van samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, waarmee het Hof de nationale rechterlijke instanties de uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht verschaft die deze voor de beslechting van de hun voorgelegde geschillen nodig hebben. In het kader van die samenwerking staat het uitsluitend aan de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om — in het licht van de specifieke omstandigheden van de zaak — zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer deze vragen betrekking hebben op de uitlegging van Unierecht, is het Hof in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Op vragen inzake de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter binnen het door hem geschetste feitelijke en wettelijke kader heeft gesteld, en ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken, rust een vermoeden van relevantie. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter enkel afwijzen wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk op generlei wijze verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is en voorts wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op die vraag.17.
17.
Met de zesde en de zevende vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 15, lid 2, van richtlijn 2008/48 van toepassing is op kredietovereenkomsten die gepaard gaan met borgstelling door een derde tegen betaling door de schuldenaar, en met name of deze overeenkomsten ‘gelieerde kredietovereenkomsten’ zijn in de zin van richtlijn 2008/48. Met deze twee vragen wordt het Hof gevraagd of sommige bepalingen van afgeleid Unierecht van toepassing kunnen zijn op de in de verwijzingsbeslissing beschreven feitelijke situatie (die door de bij de procedure betrokken partijen niet wordt betwist). Dergelijke omstandigheden vallen duidelijk binnen de werkingssfeer van de rechtspraak waarnaar in punt 16 van deze conclusie is verwezen. Ik geef het Hof dan ook in overweging de zesde en de zevende vraag ontvankelijk te verklaren.
B. Ten gronde
Opmerkingen van partijen
18.
Om de in punt 14 van deze conclusie vermelde redenen voert de Agentsia aan dat artikel 15, lid 2, van richtlijn 2008/48 niet van toepassing is wanneer een kredietovereenkomst gepaard gaat met de verrichting van een nevendienst, in casu borgstelling door een derde tegen betaling van een vergoeding. Zij betoogt dat de zevende vraag vragen van nationaal recht doet rijzen die betrekking hebben op het tenietgaan van een borgstelling, en niet op vorderingen op een kredietgever die voortvloeien uit de levering van goederen of de verrichting van diensten. Voorts merkt de Agentsia op dat het feit dat de borg zich jegens de kredietgever niet heeft beroepen op artikel 147 ZZD, hoewel zes maanden zijn verstreken sinds de hoofdschuld opeisbaar geworden was, geen gevolgen heeft voor de consument (kredietnemer). Een schuld is verschuldigd, ongeacht de identiteit van de schuldeiser.
19.
De Commissie is het ermee eens dat de kredietovereenkomsten die in de zaken voor de verwijzende rechter aan de orde zijn, niet voldoen aan de vereisten van artikel 3, onder n), van richtlijn 2008/48 en derhalve geen gelieerde kredietovereenkomsten zijn die worden beheerst door artikel 15, lid 2, van richtlijn 2008/48. Het verleende krediet heeft niet uitsluitend of gedeeltelijk gediend ter financiering van een overeenkomst voor de levering van identificeerbare goederen of het verrichten van een identificeerbare dienst. De borgovereenkomsten zijn derhalve accessoir aan de kredietovereenkomst en zien niet op de verlening van krediet voor de aankoop van goederen of diensten. De Commissie wijst erop dat de zevende vraag betrekking lijkt te hebben op de toepassing en de uitlegging van het nationale recht, en niet op een beding in een consumentenovereenkomst, zodat de bepalingen van richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten niet van toepassing zijn.
20.
De Commissie geeft het Hof niettemin in overweging om bij de beantwoording van de zesde en zevende vraag rekening te houden met de specifieke omstandigheden waarin de verwijzingsbeslissing is gegeven. De verhouding tussen de kredietgever en de borg lijkt van dien aard te zijn18. dat de borg ervan wordt weerhouden zich op artikel 147, lid 1, ZZD te beroepen om de borgstelling teniet te doen gaan. Als de consument (kredietnemer) zich jegens de kredietgever op deze bepaling zou mogen beroepen, zou hij de terugbetaling van het geleende bedrag kunnen vermijden. Deze opmerkingen zijn van bijzonder belang wanneer de consument (kredietnemer) enkel toegang tot de kredietovereenkomst kan krijgen indien een door de kredietgever aangewezen entiteit zich borg wil stellen.
21.
De Commissie voegt hieraan toe dat artikel 17 van richtlijn 2008/48 wordt omzeild wanneer een borg zich kan beroepen op een borgovereenkomst om de terugbetaling van een schuld door een consument (kredietnemer) te verkrijgen in plaats van op een cessie van het recht op terugvordering van die schuld. Volgens de Commissie gaat artikel 17 van richtlijn 2008/48 uit van de veronderstelling dat de nieuwe houder van een schuldvordering een derde is die onafhankelijk is van de kredietgever. De bescherming die dit artikel biedt, moet a fortiori gelden wanneer de borg een dochteronderneming van de oorspronkelijke kredietgever is. Een regeling waarbij een kredietgever en een borg, die als één commerciële eenheid optreden, overeenkomen de rechten van een consument (kredietnemer) jegens een kredietgever teniet te doen, omzeilt richtlijn 2008/48 en is in strijd met artikel 22, lid 3, ervan.
Analyse
— Artikel 15, lid 2, van richtlijn 2008/48
22.
Uit artikel 3, onder n), van richtlijn 2008/48, volgt dat voor het bestaan van een ‘gelieerde kredietovereenkomst’ aan twee cumulatieve voorwaarden moet zijn voldaan: het betreffende krediet dient uitsluitend ter financiering van een overeenkomst voor de levering van goederen of de verrichting van diensten, en de twee overeenkomsten vormen objectief gezien één enkele commerciële eenheid.19. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de kredietovereenkomsten die in de bij de verwijzende rechter aanhangige zaken aan de orde zijn, niet dienden ter financiering van de aankoop van identificeerbare goederen of diensten. Evenmin zien de borgovereenkomsten op de verrichting van een dienst waarvoor middels de kredietovereenkomst wordt betaald. Zoals de Commissie terecht opmerkt, is de borgovereenkomst accessoir aan de kredietovereenkomst. Deze twee overeenkomsten voldoen dus niet aan de eerste van de cumulatieve voorwaarden voor het bestaan van een ‘gelieerde kredietovereenkomst’ in de zin van richtlijn 2008/48. Aangezien artikel 15, lid 2, van de richtlijn van toepassing is op ‘gelieerde kredietovereenkomsten’ zoals in die richtlijn gedefinieerd, kan deze bepaling niet van toepassing zijn op overeenkomsten die niet binnen de werkingssfeer van deze definitie vallen.
— Artikelen 5 en 7 van richtlijn 93/13
23.
Volgens de verwijzende rechter legt de nationale rechtspraak artikel 147 ZZD aldus uit dat een borg die een kredietgever heeft betaald, betaling van de schuldenaar kan vorderen, ook al wordt de borgstelling geacht van rechtswege teniet te zijn gegaan.20.Richtlijn 93/13 strekt tot de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument. Volgens artikel 5 van richtlijn 93/13 moeten schriftelijke bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld en prevaleert in geval van twijfel de voor de consument gunstigste interpretatie. Artikel 7 van richtlijn 93/13 regelt het herhaalde gebruik van oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, wordt in de zevende vraag weliswaar verwezen naar de artikelen 5 en 7 van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder b) en c), van de bijlage bij die richtlijn, maar in het kader van de toepassing van een nationale wettelijke regeling, en niet in het kader van de uitlegging van een beding in een consumentenovereenkomst. Aangezien deze Unierechtelijke bepalingen volgens de bewoordingen ervan van toepassing zijn op de uitlegging en het gebruik van oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, zien zij niet op de toepassing van nationaalrechtelijke bepalingen zoals artikel 147 ZZD.21.
— Omzeiling van de bepalingen van richtlijn 2008/48
24.
Artikel 267 VWEU verleent het Hof de bevoegdheid om het Unierecht uit te leggen in het kader van de beantwoording van vragen die een nationale rechter aan het Hof stelt.22. Om een nuttig antwoord te geven kan het Hof weliswaar bepalingen van het recht van de Unie in aanmerking nemen die in de vragen van de nationale rechter niet zijn genoemd23., maar zijn bevoegdheid daartoe wordt beperkt door de duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechter en die van het Hof waarin artikel 267 VWEU voorziet24., en op grond waarvan de nationale rechter beslist op welke vragen van Unierecht hij een antwoord wenst.25. Het staat dan ook aan de nationale rechter om te beslissen over de vorm en de inhoud van de vragen die hij aan het Hof wil voorleggen; de partijen kunnen de inhoud daarvan niet wijzigen.26. Deze taakverdeling strookt met de rechtspraak dat het Hof overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie de regeringen van de lidstaten en de partijen in staat moet stellen opmerkingen in te dienen.27.
25.
Deze procedures illustreren, althans ten dele, waarom beperkingen zijn gesteld aan de uitoefening van de bevoegdheid van het Hof krachtens artikel 267 VWEU. Aangezien de verwijzende rechter niet om uitlegging heeft verzocht van artikel 17, lid 2, van richtlijn 2008/48, is er niet ingegaan op de rechtsgrondslag van de stelling van de Commissie dat deze bepaling berust op de veronderstelling dat de daarin bedoelde nieuwe houder van de vordering een derde moet zijn die onafhankelijk is van een oorspronkelijke kredietgever. Bovendien blijkt uit de tekst van artikel 22, lid 3, van richtlijn 2008/48 dat deze bepaling de lidstaten verplicht ervoor te zorgen dat de bepalingen die zij ter uitvoering van deze richtlijn vaststellen, niet worden omzeild.28. Aangezien de verwijzende rechter het Hof niet heeft verzocht om uitlegging van artikel 22, lid 3, van richtlijn 2008/48, kan het Hof niet worden verweten dat het niet heeft vastgesteld of de bepalingen die volgens de Commissie mogelijk worden omzeild, daartoe zijn vastgesteld. Het Hof beschikt aldus niet over de gegevens die het nodig heeft om de verwijzende rechter een uitlegging van artikel 22, lid 3, van richtlijn 2008/48 te geven die hij kan gebruiken om het bij hem aanhangige geding te beslechten. Dergelijke uitkomsten zijn niet verenigbaar met een goede werking van de procedure van artikel 267 VWEU.
V. Conclusie
26.
Ik geef het Hof derhalve in overweging de zesde en de zevende vraag van de Sofiyski rayonen sad te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 15, lid 2, van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad is niet van toepassing op kredietovereenkomsten die gepaard gaan met een nevendienst, namelijk dat een derde zich tegen betaling borg stelt, wanneer die kredietovereenkomsten niet uitsluitend dienen ter financiering van een overeenkomst voor de levering van een identificeerbaar goed of de verrichting van een identificeerbare dienst.
- 2)
De artikelen 5 en 7 van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder b) en c), van de bijlage bij die richtlijn, zijn niet van toepassing op nationale rechtspraak volgens welke een borg die de kredietgever van een consumentenovereenkomst heeft betaald, betaling van de kredietnemer kan vorderen, hoewel de borgstelling krachtens het nationale recht van rechtswege teniet is gegaan.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑09‑2024
Oorspronkelijke taal: Engels.
PB 2008, L 133, blz. 66, zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/90/EU van de Commissie van 14 november 2011 (PB 2011, L 296, blz. 35), richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 (PB 2014, L 60, blz. 34), verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 (PB 2016, L 171, blz. 1), verordening (EU) 2019/1243 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB 2019, L 198, blz. 241) en richtlijn (EU) 2021/2167 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 (PB 2021, L 438, blz. 1).
DV nr. 275 van 22 november 1950, van kracht sinds 1 januari 1951, zoals gewijzigd, zie DV nr. 35 van 27 april 2021.
Richtlijn 2008/48 is niet van toepassing op leningsovereenkomsten voor bedragen van minder dan 200 EUR: zie artikel 2, lid 2, onder c).
In één geval was geen borgstelling vereist, maar moest bij gebreke daarvan veertien dagen worden gewacht op de goedkeuring van de lening. Wanneer een consument (kredietnemer) binnen 48 uur na de sluiting van de kredietovereenkomst een borgovereenkomst sloot met een door de kredietgever gekozen persoon, of binnen tien dagen een onvoorwaardelijke bankgarantie overlegde, werd het krediet binnen 24 uur goedgekeurd. Volgens de Commissie zetten deze voorwaarden de consument (kredietnemer) onder druk om de door de kredietgever gekozen borg te aanvaarden.
Volgens de verwijzende rechter bestond deze mogelijkheid in sommige van de zaken waarop de prejudiciële verwijzing betrekking heeft.
De tweede verzoekende partij, de Agentsia, stelt dat zij de voorgestelde zakelijke borg niet heeft gekozen of aangewezen, maar ermee heeft ingestemd.
Bij beschikking van 26 oktober 2023 heeft de verwijzende rechter het Hof meegedeeld dat het zesde van de acht verzoeken waarop de verwijzingsbeslissing betrekking heeft, is ingetrokken.
De verwijzende rechter wijst erop dat de consumenten (kredietnemers), die geen partij zijn bij de procedure, de door hem beschreven feiten kunnen betwisten.
Uitleggingsbeslissing 4/2013 van 18 juni 2014 van de algemene vergadering van de kamer voor burgerlijke en handelszaken van de Varhoven kasatsionen sad.
Zie bijvoorbeeld beslissing nr. 5389 van 1 maart 2019 van de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije), kamer van beroep II-b, op het beroep in civiele zaak nr. 2165/2019.
PB 1993, L 95, blz. 29, zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 (PB 2011, L 304, blz. 64) en richtlijn (EU) 2019/2161 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 (PB 2019, L 328, blz. 7).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (‘richtlijn oneerlijke handelspraktijken’) (PB 2005, L 149, blz. 22).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 (PB 2009, L 335, blz. 1).
De Tsjechische regering heeft haar schriftelijke opmerkingen beperkt tot een antwoord op de elfde vraag in de verwijzingsbeslissing.
Zie in die zin arrest van 10 februari 2022, Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Verjaringstermijn) (C-219/20, EU:C:2022:89, punt 33).
Zie in die zin arrest van 8 december 2016, Eurosaneamientos e.a. (C-532/15 en C-538/15, EU:C:2016:932, punten 26–28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
De Commissie wijst erop dat Financial Bulgaria EOOD een dochteronderneming van Easy Asset Management AD is. Met betrekking tot de verhouding tussen Credisimo AD en I Trust EOOD merkt zij in de eerste plaats op dat de borg voor de consumentenkredietovereenkomst door de kredietgever is gekozen. In de tweede plaats heeft de borg zich jegens de kredietgever niet op het tenietgaan van de borgstelling beroepen, terwijl een borg die ervan op de hoogte is dat een consument (kredietnemer) mogelijk in financiële moeilijkheden verkeert, eerder geneigd zou zijn dat te doen dan het risico te lopen dat de consument (kredietnemer) in gebreke blijft.
Zie bijvoorbeeld arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a. (C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 301), betreffende kredietovereenkomsten voor de levering van motorvoertuigen.
Het is niet aan het Hof om zich in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU uit te spreken over de uitlegging van de bepalingen van nationaal recht of over de juistheid van de uitlegging die de nationale rechter daaraan geeft: zie bijvoorbeeld arresten van 21 september 2016, Établissements Fr. Colruyt (C-221/15, EU:C:2016:704, punt 15), en 5 juni 2018, Grupo Norte Facility (C-574/16, EU:C:2018:390, punt 32).
In de punten 104 en 157 van de verwijzingsbeslissing wordt opgemerkt dat een van de kredietovereenkomsten een beding bevat op grond waarvan de borg overeenkomstig de bepalingen van de borgovereenkomst aansprakelijk blijft nadat de verplichtingen van de consument uit hoofde van de consumentenkredietovereenkomst opeisbaar zijn geworden, ongeacht of de kredietgever binnen zes maanden na het opeisbaar worden van de verplichting een procedure tegen de consument (kredietnemer) en/of de borg heeft ingeleid. De Agentsia stelt dat een dergelijk beding de consument ten goede komt, aangezien een andere schuldenaar, op wie de kredietgever een beroep kan doen voor de terugbetaling van de schuld, borg staat voor zijn verplichtingen.
Zie bijvoorbeeld arrest van 27 maart 2014, Torralbo Marcos (C-265/13, EU:C:2014:187, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie bijvoorbeeld arrest van 17 oktober 2019, Comida paralela 12 (C-579/18, EU:C:2019:875, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie bijvoorbeeld arresten van 20 juni 2024, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Detachering van werknemers uit derde landen) (C-540/22, EU:C:2024:530, punt 105), en 27 juni 2024, Ministero della Giustizia (C-41/23, EU:C:2024:554, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie bijvoorbeeld arrest van 9 juli 2020, Raiffeisen Bank en BRD Groupe Société Générale (C-698/18 en C-699/18, EU:C:2020:537, punt 46). Uit de rechtspraak van het Hof vloeit tevens voort dat het Hof, indien de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeslissing uitdrukkelijk aangeeft dat hij het niet noodzakelijk heeft geacht een vraag te stellen of indien hij stilzwijgend heeft geweigerd om een door een van de partijen gestelde vraag aan het Hof voor te leggen, geen antwoord kan geven op die vraag of er rekening mee kan houden in zijn antwoord op die prejudiciële verwijzing: zie bijvoorbeeld arrest van 13 december 2018, Touring Tours und Travel en Sociedad de Transportes (C-412/17 en C-474/17, EU:C:2018:1005, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie bijvoorbeeld arresten van 18 juli 2013, Consiglio nazionale dei geologi en Autorità garante della concorrenza e del mercato (C-136/12, EU:C:2013:489, punten 29 en 30), en 22 december 2022, Airbnb Ireland en Airbnb Payments UK (C-83/21, EU:C:2022:1018, punten 82–84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie bijvoorbeeld arresten van 16 oktober 2014, Welmory (C-605/12, EU:C:2014:2298, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 17 december 2020, BAKATI PLUS (C-656/19, EU:C:2020:1045, punt 33).
Zie arrest van 21 maart 2024, Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst) (C-714/22, EU:C:2024:263, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).