Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/5.3.2.2
5.3.2.2 Bodembeslagrecht en bodemvoorrecht ex art. 21-22 IW
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS588315:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Vetter, Wattel & Van Oers 2009, nr. 403. Vgl. hiervóór nr. 161.
Zie Tekstra 1999, par. 6.4.
Zie Van Eijsden 2001, p. 69; Vetter, Wattel & Van Oers 2009, nr. 403. Zie art. 57 IW, dat bepaalt dat de aansprakelijke die in de belasting heeft bijgedragen bij zijn verhaal op de belastingschuldige of de medeaansprakelijke uitsluitend gesubrogeerd wordt in het voorrecht van de Ontvanger overeenkomstig art. 21 IW. Art. 22 IW, par. 3a, Leidraad Invordering 1990 vermeldt dat de derde 'op grond van art. 6:150 BW wordt gesubrogeerd in de rechten van de Ontvanger, inclusief diens voorrecht ex artikel 21, eerste en tweede lid, van de wet 1990 (zie artikel 6:142 BW).' Leidraad Invordering 2008 vermeldt hierover niets. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 274 leiden uit art. 57 lid 1 IW af dat de subrogatie alleen plaatsvindt in het voorrecht, en niet in de vordering, en dat het voorrecht wordt verbonden aan de regresvordering. Die uitleg strookt niet met de in de Leidraad Invordering 1990 gegeven toelichting en strookt evenmin met het systeem van de wet, dat uitgaat van de subrogatie van vorderingen (art. 6:150 aanhef BW) en de daaraan verbonden nevenrechten (waaronder voorrechten, art. 6:142 lid 1 BW), maar niet de subrogatie van voorrechten sec.
Vgl. Tekstra 1999, par. 5.4.5 sub f (de derde-eigenaar die het bijzondere bodembeslag afkoopt wordt gesubrogeerd wordt in de vordering van de fiscus).
Vgl. Hof 's-Gravenhage 24 oktober 1929, NJ 1930, p. 253 e.v.; HR 23 december 1926, NJ 1927, p. 213 e.v.; MvT 20 588, VN 1988, p. 1526; Losbladige Faillissementswet Fiscaal commentaar 2009 G.J. Vetter), par. 13.10; Vetter, Wattel & Van Oers 2009, nr. 1405 (p. 230).
Zie voor subrogatie ex art. 57 IW, Vetter, Wattel & Van Oers 2009, nr. 403; Wezeman 1989, p. 1 e.v.
Dit is mogelijk anders bij een samenvoeging van twee belastingkantoren. In HR 7 juni 1996, NJ 1996, 695, m.nt. Ma, ging als gevolg van een reorganisatie van de belastingdienst het kantoor van de Ontvanger der Rijksbelastingen in Hoofddorp op in de Belastingdienst particulieren/ondernemingen te Amstelveen. De Ontvanger van deze laatste dienst werd beschouwd als de rechtsopvolger van de eerder genoemde Ontvanger.
Zie Vetter, Wattel & Van Oers 2009, nr. 403.
Op dit aspect wordt hieronder nader ingegaan.
263. De nieuwe schuldeiser kan niet profiteren van de bijzondere rechtsgang en de bijzondere invorderingsbevoegdheden die de fiscus zijn gegeven op grond van de Invorderingswet. De nieuwe schuldeiser kan bijvoorbeeld niet een executoriale titel verkrijgen door het uitvaardigen van een dwangbevel.1 Als de fiscus vóór de overgang van de vordering echter een conservatoir of executoriaal beslag heeft gelegd of een executoriale titel heeft verkregen, kan de nieuwe schuldeiser hier wel van profiteren (art. 6:142 lid 1 BW).2
Een gesubrogeerde schuldeiser profiteert van het algemene voorrecht van de fiscus ex art. 21 lid 1 IW en het bijzondere voorrecht van de fiscus ex art. 21 lid2 IW (art. 6:142 lid 1 BW) voor zover dat ziet op zaken die toebehoren aan de belastingplichtige.3 Subrogatie doet zich voor als de fiscus een of meer bodemzaken uitwint die toebehoren aan een derde-eigenaar (art. 6:150 sub a BW), als de derde-eigenaar de schuld van de belastingplichtige voldoet om uitwinning te voorkomen (art. 6:150 sub b BW),4 als een derde zich voor de schuld van de belastingplichtige borg heeft gesteld (art. 6:12 jo 7:850 lid 3 BW)5 en als een medeaansprakelijke de belastingschuld voldoet voor meer dan het gedeelte dan hem aangaat (art. 6:12 BW).6 De gesubrogeerde kan zich niet verhalen op de zaken die niet aan de belastingplichtige toebehoren. Hij profiteert reeds daarom niet van het bijzondere bodembeslagrecht en bodemvoorrecht voor zover die zien op zaken die toebehoren aan een ander dan de schuldenaar. Art. 6:151 lid 2 BW bepaalt immers dat de rechten van de schuldeiser (de fiscus) jegens personen die geen schuldenaar zijn, slechts op de derde overgaan tot ten hoogste de bedragen, waarvoor de schuld ieder van hen aangaat in hun verhouding tot de schuldenaar.7
Buiten subrogatie om zal de overgang van belastingvorderingen maar weinig voorkomen.8Art. 6:151 lid 2 BW is op de overdracht van belastingvorderingen niet van toepassing. Bij de overdracht van een belastingvordering profiteert de nieuwe schuldeiser van een bestaand executoriaal bodembeslag en het daarbij behorende bodemvoorrecht, ook als dit betrekking heeft op zaken die niet aan de schuldenaar toebehoren. De positie van de derde-rechthebbende verslechtert hierdoor niet, terwijl geen reden bestaat om het bijzondere verhaalsrecht aan de nieuwe schuldeiser te onthouden.
Is nog geen executoriaal beslag gelegd, dan kan de nieuwe schuldeiser naar mijn mening niet gebruik maken van het bijzonder bodembeslagrecht, omdat hij de bijzondere procesbevoegdheden en invorderingsbevoegdheden van de fiscus op grond van de Invorderingswet mist.9
264. Voor de stille cessie van een belastingvordering geldt in beginsel hetzelfde. De stille cessionaris profiteert van door de fiscus gelegde beslagen, voorrechten en bijzondere verhaalsrechten. De fiscus als stille cedent behoudt zijn bijzondere procesbevoegdheden en invorderingsvorderingen op grond van de Invorderingswet zolang geen mededeling van de stille cessie is gedaan.10