De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.4.2:4.4.2 Dwingendrechtelijke bepalingen van het internationale recht
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.4.2
4.4.2 Dwingendrechtelijke bepalingen van het internationale recht
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367270:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een uitputtende bespreking van al deze regelgeving gaat het bestek van dit onderzoek te buiten.
Compendium 2013, p. 31, 32 en 2721.
Compendium 2013, p. 2721.
Voluit: Richtlijn 2007/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende de uitoefening van bepaalde rechten van aandeelhouders in beursgenoteerde vennootschappen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat de internationale bepalingen van het rechtspersonenrecht van dwingendrechtelijke aard zijn, is niet verwonderlijk. Het lijkt weinig nut te hebben voor staten om in internationaal verband afspraken te maken over het rechtspersonenrechten en het vervolgens aan de gebruikers van rechtspersonen over te laten om zelf te bepalen of zij zich iets aantrekken van deze afspraken. Staten die in internationaal verband afspraken maken over rechtspersonenrecht hopen daarmee iets te bereiken.
Uit de preambule bij het EVRM blijkt duidelijk waarom de daarin opgenomen bepalingen van dwingend recht zijn. Kort gezegd, wordt daarin gesteld dat de in het EVRM vastgelegde vrijheden van fundamentele aard zijn en dat de lidstaten deze mede om die reden moeten eerbiedigen en elkaar daartoe moeten aansporen. Door het in groepsverband verwezenlijken van deze fundamentele vrijheden wordt bovendien de eenheid tussen de lidstaten vergroot.
De redenen waarom de wetgeving van de EU dwingend van aard is, lopen uiteen en verschillen per richtlijn en verordening.1 Een terugkerend motief is dat de vrijheid van vestiging wordt bevorderd, indien het rechtspersonenrecht op bepaalde punten wordt geharmoniseerd.2 Deze harmonisatie zorgt er ook voor dat aan aandeelhouders en crediteuren daardoor in alle lidstaten dezelfde waarborgen worden gegund; de daardoor bewerkstelligde rechtszekerheid bevordert weer het handelsverkeer.3 Een ander motief voor harmonisatie is dat een probleem een pan-Europese oplossing vergt. Een voorbeeld daarvan is Richtlijn Aandeelhoudersrechten.4 Deze beoogt de betrokkenheid van aandeelhouders bij beursvennootschappen te vergroten. Daarbij speelt dat veel aandeelhouders in een andere EU-lidstaat gevestigd zijn dan de vennootschap. Voor dergelijke aandeelhouders kan onbekendheid met het recht van de lidstaat waar de vennootschap is gevestigd een obstakel zijn bij de uitoefening van hun stemrecht. De Richtlijn Aandeelhoudersrechten tracht dat op te lossen door de procedures daarvoor te versimpelen en harmoniseren.