Procestaal: Italiaans.
HvJ EU, 03-06-2021, nr. C-914/19
ECLI:EU:C:2021:430
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
03-06-2021
- Magistraten
A. Arabadjiev, A. Kumin, T. von Danwitz, P. G. Xuereb, I. Ziemele
- Zaaknummer
C-914/19
- Roepnaam
Ministero della Giustizia (Notaires)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2021:430, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 03‑06‑2021
Uitspraak 03‑06‑2021
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzing — Sociale politiek — Beginsel van gelijke behandeling in arbeid en beroep — Richtlijn 2000/78/EG — Artikel 6, lid 1 — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikel 21 — Verbod van discriminatie op grond van leeftijd — Nationale regeling waarbij een leeftijdsgrens van 50 jaar wordt vastgesteld voor de toegang tot het beroep van notaris — Rechtvaardiging’
A. Arabadjiev, A. Kumin, T. von Danwitz, P. G. Xuereb, I. Ziemele
Partij(en)
In zaak C-914/19,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië) bij beslissing van 19 september 2019, ingekomen bij het Hof op 12 december 2019, in de procedure
Ministero della Giustizia
tegen
GN,
in tegenwoordigheid van:
HM,
JL,
JJ,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: A. Arabadjiev (rapporteur), kamerpresident, A. Kumin, T. von Danwitz, P. G. Xuereb en I. Ziemele, rechters,
advocaat-generaal: M. Bobek,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
GN, vertegenwoordigd door A. Police, G. Schettino en F. Ferraro, avvocati,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door F. Varrone en G. Santini, avvocati dello Stato,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Hellmann en J. Möller als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Martin en B.-R. Killmann als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 10 VWEU, artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) alsook artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB 2000, L 303, blz. 16).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Ministero della Giustizia (ministerie van Justitie, Italië) en GN over de leeftijdsgrens van 50 jaar voor deelname aan een vergelijkend onderzoek op de grondslag van examens voor de toewijzing van 500 notarisambten die was vastgesteld bij besluit van de directeur-generaal van dit ministerie van 21 april 2016 tot aankondiging van dit vergelijkend onderzoek.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Overweging 6 van richtlijn 2000/78 is als volgt verwoord:
‘Het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden erkent het belang van de bestrijding van elke vorm van discriminatie, met inbegrip van de noodzaak om passende maatregelen te nemen voor de sociale en economische integratie van ouderen en personen met een handicap.’
4
Richtlijn 2000/78 heeft volgens artikel 1 ervan ‘tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden’.
5
In artikel 2, leden 1 en 2, van deze richtlijn is bepaald:
- ‘1.
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder het beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden.
- 2.
Voor de toepassing van lid 1 is er:
- a)
‘directe discriminatie’, wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden;
[…]’
6
Artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/78 bepaalt:
‘Binnen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, is deze richtlijn zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot:
- a)
de voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst of als zelfstandige en tot een beroep, met inbegrip van de selectie- en aanstellingscriteria, ongeacht de tak van activiteit en op alle niveaus van de beroepshiërarchie, met inbegrip van bevorderingskansen;
[…]’
7
Artikel 6 van die richtlijn, met als opschrift ‘Rechtvaardiging van verschillen in behandeling op grond van leeftijd’, bepaalt in lid 1:
‘Niettegenstaande artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten bepalen dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie vormen indien zij in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
Dergelijke verschillen in behandeling kunnen onder meer omvatten:
- a)
het creëren van bijzondere voorwaarden voor toegang tot arbeid en beroepsopleiding, van bijzondere arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, met inbegrip van voorwaarden voor ontslag en beloning voor jongeren, oudere werknemers en werknemers met personen ten laste, teneinde hun opneming in het arbeidsproces te bevorderen, en hun bescherming te verzekeren;
- b)
de vaststelling van minimumvoorwaarden met betrekking tot leeftijd, beroepservaring of -anciënniteit in een functie voor toegang tot de arbeid of bepaalde daaraan verbonden voordelen;
- c)
de vaststelling van een maximumleeftijd voor aanwerving, gebaseerd op de opleidingseisen voor de betrokken functie of op de noodzaak van een aan pensionering voorafgaand redelijk aantal arbeidsjaren.’
Italiaans recht
8
Artikel 1 van legge n. 1365, Norme per il conferimento dei posti notarili (wet nr. 1365 houdende regels voor de toewijzing van notarisambten) van 6 augustus 1926 (GURI nr. 192 van 19 augustus 1926), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘wet nr. 1365/1926’), is verwoord als volgt:
‘Notarissen worden benoemd bij besluit van de president van de Republiek na een vergelijkend onderzoek op de grondslag van een examen, dat ten minste eenmaal per jaar in Rome wordt gehouden, voor het aantal ambten dat de minister van Justitie vaststelt.
[…]
Om te kunnen deelnemen aan het vergelijkend onderzoek moeten de kandidaten:
[…]
- b)
jonger zijn dan 50 jaar op de datum van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek;
[…]’
9
Artikel 7 van wet nr. 1365/1926 luidt:
‘Praktiserende notarissen worden bij besluit van de president van de Republiek van hun ambt ontheven wanneer zij de leeftijd van 75 jaar hebben bereikt.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10
Bij besluit van 21 april 2016 heeft het ministerie van Justitie een vergelijkend onderzoek op de grondslag van examens aangekondigd voor de invulling van 500 notarisambten. Bij dit besluit is de leeftijdsgrens voor deelname aan dit vergelijkend onderzoek overeenkomstig artikel 1 van wet nr. 1365/1926 vastgesteld op 50 jaar.
11
GN is bij de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, Italië) opgekomen tegen dat besluit waarbij zij werd uitgesloten van de schriftelijke examens op grond dat zij op de datum van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek de leeftijd van 50 jaar had bereikt.
12
Die rechter heeft een voorlopige maatregel vastgesteld waarbij GN is toegelaten tot het vergelijkend onderzoek. Zij is geslaagd voor alle examens van dit vergelijkend onderzoek.
13
Bij vonnis van 28 november 2019 heeft de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio het beroep van GN niet-ontvankelijk verklaard op grond dat zij niet langer een procesbelang had omdat zij geslaagd was voor de examens van het vergelijkend onderzoek in kwestie.
14
Het ministerie van Justitie heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië), omdat het van oordeel was dat de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio het beroep van GN ten gronde had moeten verwerpen en geen rekening had mogen houden met het feit dat zij geslaagd was voor de examens van het vergelijkend onderzoek in kwestie.
15
De verwijzende rechter is van oordeel dat de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio het beroep van GN tegen het besluit van 21 april 2016 ontvankelijk had moeten verklaren voor zover daarbij een leeftijdsgrens van 50 jaar wordt vastgesteld om te kunnen deelnemen aan het vergelijkend examen voor toegang tot het beroep van notaris. Voorts is hij van mening dat deze leeftijdsgrens in overeenstemming is met de geldende nationale wetgeving, te weten artikel 1 van wet nr. 1365/1926. De Consiglio di Stato heeft evenwel twijfels over de vraag of deze bepaling verenigbaar is met richtlijn 2000/78, zodat het dienstig is het Hof een vraag voor te leggen met het oog op de beslechting van het aanhangige geding.
16
Volgens deze rechter rijst met name de vraag of die bepaling kan worden geacht gerechtvaardigd te zijn in het licht van de doelstellingen die de Ministero della Giustizia voor hem heeft aangevoerd, te weten het waarborgen van een stabiele uitoefening van het beroep van notaris gedurende een significante periode zonder dat het begrotingsevenwicht van het socialezekerheidsstelsel van dit beroep wordt aangetast, door te voorkomen dat personen die de pensioengerechtigde leeftijd naderen, toetreden tot dat beroep.
17
In deze omstandigheden heeft de Consiglio di Stato de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Staan artikel 21 van het [Handvest], artikel 10 VWEU en artikel 6 van [richtlijn 2000/78], waarbij discriminatie op grond van leeftijd bij toegang tot een beroep is verboden, eraan in de weg dat een lidstaat een leeftijdsgrens vaststelt voor de toegang tot het beroep van notaris?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
18
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 21 van het Handvest en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78 aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling waarbij een leeftijdsgrens van 50 jaar wordt vastgesteld om te kunnen deelnemen aan het vergelijkend onderzoek voor toegang tot het beroep van notaris.
19
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat artikel 21 van het Handvest een verbod van elke discriminatie op grond van onder meer leeftijd behelst en dat dit verbod door richtlijn 2000/78 is geconcretiseerd voor het gebied van arbeid en beroep (arrest van 7 februari 2019, Escribano Vindel, C-49/18, EU:C:2019:106, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20
In die omstandigheden moet voor de beantwoording van de gestelde vraag eerst worden nagegaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/78 valt en een verschil in behandeling op grond van leeftijd inhoudt. Zo ja, dan moet vervolgens worden nagegaan of dit verschil in behandeling kan worden gerechtvaardigd op grond van artikel 6, lid 1, van deze richtlijn.
21
Wat betreft, in de eerste plaats, de vraag of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/78 valt, blijkt zowel uit de titel en de considerans als uit de inhoud en de strekking van deze richtlijn dat deze strekt tot invoering van een algemeen kader om voor eenieder gelijke behandeling te waarborgen ‘in arbeid en beroep’, door hem een doeltreffende bescherming te bieden tegen discriminatie op een van de in artikel 1 van de richtlijn genoemde gronden, waaronder leeftijd (arrest van 13 november 2014, Vital Pérez, C-416/13, EU:C:2014:2371, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22
Voorts blijkt in het bijzonder uit artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/78 dat deze richtlijn binnen de grenzen van de aan de Europese Unie verleende bevoegdheden zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing is met betrekking tot onder meer de voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst of als zelfstandige en tot een beroep, met inbegrip van de selectie- en aanstellingscriteria, ongeacht de tak van activiteit en op alle niveaus van de beroepshiërarchie.
23
Door te bepalen dat alleen kandidaten die jonger zijn dan 50 jaar op de datum van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek mogen deelnemen aan het vergelijkend onderzoek voor toegang tot het beroep van notaris, heeft artikel 1 van wet nr. 1365/1926 een impact op de criteria voor aanstelling in dit beroep. Derhalve moet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling worden geacht regels in te houden met betrekking tot de aanstellingscriteria in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/78.
24
De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling valt bijgevolg binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/78.
25
Wat betreft, in de tweede plaats, de vraag of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling een verschil in behandeling op grond van leeftijd in de zin van artikel 2, lid 1, van richtlijn 2000/78 behelst, dient eraan te worden herinnerd dat volgens deze bepaling onder het ‘beginsel van gelijke behandeling’ wordt verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 van deze richtlijn genoemde gronden. Artikel 2, lid 2, onder a), van die richtlijn preciseert dat er voor de toepassing van lid 1 van artikel 2 sprake is van directe discriminatie wanneer iemand op basis van een van de in artikel 1 van die richtlijn genoemde gronden ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie (arrest van 12 januari 2010, Wolf, C-229/08, EU:C:2010:3, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26
In casu heeft de toepassing van artikel 1 van wet nr. 1365/1926 tot gevolg dat bepaalde personen ongunstiger worden behandeld dan andere personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden op grond dat zij ouder zijn dan 50 jaar. Een dergelijke bepaling leidt dan ook tot een verschil in behandeling op grond van leeftijd in de zin van artikel 1 juncto artikel 2, lid 2, onder a), van richtlijn 2000/78.
27
In de derde plaats moet derhalve worden onderzocht of dit verschil in behandeling gerechtvaardigd is in het licht van artikel 6, lid 1, van die richtlijn.
28
Volgens de eerste alinea van deze bepaling vormt een verschil in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie indien het in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel, met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding, en indien de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
29
Artikel 6, lid 1, tweede alinea, onder a) en c), van richtlijn 2000/78 preciseert eveneens dat deze verschillen in behandeling onder meer kunnen bestaan in het creëren van bijzondere voorwaarden voor toegang tot arbeid voor jongeren teneinde hun opneming in het arbeidsproces te bevorderen, of in de vaststelling van een maximumleeftijd voor aanwerving, gebaseerd op de opleidingseisen voor de betrokken functie of op de noodzaak van een aan pensionering voorafgaand redelijk aantal arbeidsjaren.
30
Voorts zij eraan herinnerd dat de lidstaten beschikken over een ruime beoordelingsmarge, niet alleen bij de beslissing welke van de doelstellingen van sociaal en werkgelegenheidsbeleid zij willen nastreven, maar ook bij het bepalen van de maatregelen waarmee deze doelstelling kan worden verwezenlijkt. Die beoordelingsvrijheid mag echter niet tot gevolg hebben dat de toepassing van het beginsel van het verbod van discriminatie op grond van leeftijd zinloos wordt (arrest van 12 oktober 2010, Ingeniørforeningen i Danmark, C-499/08, EU:C:2010:600, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat wet nr. 1365/1926 niet preciseert wat de doelstelling is van artikel 1 ervan, waarin een leeftijdsgrens van 50 jaar wordt vastgesteld om te kunnen deelnemen aan het vergelijkend examen voor toegang tot het beroep van notaris. De Italiaanse regering voert in haar schriftelijke opmerkingen aan dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling drie doelstellingen nastreeft, namelijk om te beginnen het waarborgen van een stabiele uitoefening van het beroep van notaris gedurende een aanzienlijke periode voorafgaand aan de pensionering teneinde de levensvatbaarheid van het socialezekerheidsstelsel te verzekeren, vervolgens het beschermen van de goede werking van de notariële prerogatieven, die worden gekenmerkt door een hoge mate van professionaliteit, en ten slotte het vergemakkelijken van toegang tot het beroep van notaris voor nieuwe generaties en de verjonging van de beroepsstand.
32
In dit verband moet om te beginnen in herinnering worden gebracht dat uit artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78 niet kan worden afgeleid dat een gebrek aan precisie met betrekking tot het nagestreefde doel van de betrokken regeling automatisch zou uitsluiten dat zij kan worden gerechtvaardigd op grond van deze bepaling. Wanneer een dergelijke precisie ontbreekt, is het van belang dat het onderliggende doel van de betrokken maatregel kan worden bepaald aan de hand van andere elementen, ontleend aan de algemene context van de betrokken maatregel, zodat de legitimiteit ervan en het passende en noodzakelijke karakter van de ter bereiking van dit doel gebruikte middelen door de rechter kunnen worden getoetst (arrest van 21 juli 2011, Fuchs en Köhler, C-159/10 en C-160/10, EU:C:2011:508, punt 39). Voorts vormt het gelijktijdig aanvoeren van verschillende doelstellingen die met elkaar verband houden of in volgorde van belangrijkheid zijn gerangschikt, geen belemmering voor het bestaan van een legitiem doel in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78 (arrest van 2 april 2020, Comune di Gesturi, C-670/18, EU:C:2020:272, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
Wat betreft, ten eerste, de doelstelling om een stabiele uitoefening van het beroep van notaris te waarborgen gedurende een aanzienlijke periode voorafgaand aan de pensionering teneinde de levensvatbaarheid van het socialezekerheidsstelsel te verzekeren, moet worden opgemerkt dat op grond van artikel 6, lid 1, onder c), een maximumleeftijd voor aanwerving kan worden vastgesteld, gebaseerd op de noodzaak van een aan pensionering voorafgaand redelijk aantal arbeidsjaren. Wat de instandhouding van het socialezekerheidsstelsel van notarissen betreft, blijkt echter uit het aan het Hof overgelegde dossier dat in artikel 10 van de interne regeling voor de socialezekerheids- en solidariteitsactiviteiten van de Cassa Nazionale del Notariato (nationaal socialezekerheidsfonds voor notarissen, Italië), die dat stelsel beheert, is bepaald dat notarissen, wanneer zij overeenkomstig artikel 7 van wet nr. 1365/1926 bij het bereiken van de leeftijdsgrens voor de uitoefening van dit beroep — te weten 75 jaar — hun ambt neerleggen, slechts recht hebben op een pensioen indien zij dat beroep gedurende ten minste twintig jaar hebben uitgeoefend. Zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft uiteengezet, lijkt het recht op een pensioen dat notarissen uit hoofde van die regeling genieten, niet gekoppeld aan de leeftijdsgrens van 50 jaar die in artikel 1 van die wet is vastgesteld om te kunnen deelnemen aan het vergelijkend onderzoek voor toegang tot het beroep, maar lijkt zij verband te houden met een minimumperiode van beroepsuitoefening. De door dit fonds opgelegde voorwaarden om het socialezekerheidsstelsel voor notarissen levensvatbaar te houden, lijken dus los te staan van deze leeftijdsgrens, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
34
Wat betreft, ten tweede, de noodzaak om de goede werking te beschermen van de notariële prerogatieven, die worden gekenmerkt door een hoge mate van professionaliteit, moet worden opgemerkt dat artikel 6, lid 1, onder c), van richtlijn 2000/78 inderdaad de mogelijkheid biedt om een maximumleeftijd voor aanwerving vast te stellen, gebaseerd op de opleidingseisen voor de betrokken functie.
35
De Commissie heeft in dit verband evenwel benadrukt dat kandidaten voor het vergelijkend onderzoek voor notarissen volgens de nationale wetgeving in het bezit moeten zijn van een rechtendiploma en moeten aantonen dat zij 18 maanden ervaring in het notariaat hebben, hetgeen de gangbare ingangseis voor de uitoefening van het beroep van notaris is, en dat alle kandidaten die zijn geslaagd voor het vergelijkend onderzoek voor notarissen geschikt worden geacht om, na een verplichte stage van 120 dagen, het beroep van notaris uit te oefenen. Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter volgt hieruit dat de in artikel 1 van wet nr. 1365/1926 vastgestelde leeftijdsgrens van 50 jaar niet lijkt te strekken tot de verwezenlijking van de in het vorige punt vermelde doelstelling.
36
Wat betreft, ten derde, de doelstelling om de toegang tot het beroep voor nieuwe generaties en de verjonging van het bestand van praktiserende notarissen te vergemakkelijken, moet eraan worden herinnerd dat de legitimiteit van een dergelijke doelstelling van algemeen belang die verband houdt met de werkgelegenheid niet redelijkerwijs in twijfel kan worden getrokken, daar deze doelstelling een van de in artikel 6, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2000/78 uitdrukkelijk genoemde doelstellingen is en de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid overeenkomstig artikel 3, lid 3, eerste alinea, VEU een van de door de Unie nagestreefde doelstellingen vormt (zie in die zin arrest van 2 april 2020, Comune di Gesturi, C-670/18, EU:C:2020:272, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
Voorts moet in herinnering worden gebracht dat de bevordering van de werkgelegenheid onbetwistbaar een legitiem doel van sociaal beleid of werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten vormt, met name wanneer het erom gaat de toegang van jongeren tot de uitoefening van een beroep te bevorderen (arrest van 19 juli 2017, Abercrombie & Fitch Italia, C-143/16, EU:C:2017:566, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Meer in het bijzonder kan de doelstelling om een evenwichtige leeftijdsstructuur te creëren tussen jonge en oudere werknemers teneinde nieuwe aanstellingen en de bevordering van jongeren aan te moedigen, het personeelsbeheer te optimaliseren en daarmee eventuele geschillen te voorkomen over de geschiktheid van de werknemer om zijn activiteit na een bepaalde leeftijd uit te oefenen, en tegelijkertijd een kwalitatief hoogstaande dienstverlening op het gebied van het notariaat te waarborgen, een legitiem doel van het werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid vormen (zie in die zin arrest van 21 juli 2011, Fuchs en Köhler, C-159/10 en C-160/10, EU:C:2011:508, punt 50).
39
In casu moet worden opgemerkt dat een notaris zijn activiteiten overeenkomstig artikel 7 van wet nr. 1365/1926 mag uitoefenen tot de leeftijd van 75 jaar. Bovendien heeft de Italiaanse regering geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat de verschillende leeftijdscategorieën op de specifieke arbeidsmarkt voor notariële activiteiten met elkaar zouden concurreren. Integendeel, uit de stukken waarover het Hof beschikt, blijkt dat na afloop van de examens van het vergelijkend onderzoek voor notarissen dat in het hoofdgeding aan de orde is, slechts 419 kandidaten waren geslaagd, terwijl er 500 notarisambten beschikbaar waren, die overeenkomstig artikel 1 van die wet waren voorbehouden aan personen jonger dan 50 jaar. De bij dit artikel ingevoerde leeftijdsgrens lijkt dus, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, niet bedoeld om de toegang van jonge juristen tot het beroep van notaris te bevorderen.
40
In deze omstandigheden moet — gelet op de in de punten 33 tot en met 39 van dit arrest bedoelde gegevens — worden vastgesteld dat de door de Italiaanse regering aangehaalde doelstellingen van het waarborgen van een stabiele uitoefening van het beroep van notaris gedurende een aanzienlijke periode voorafgaand aan de pensionering, het beschermen van de goede werking van de notariële prerogatieven, en het vergemakkelijken van generatievernieuwing en verjonging van de beroepsstand, weliswaar kunnen worden beschouwd als legitieme doelstellingen in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78, maar de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling dergelijke doelstellingen niet lijkt na te streven. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.
41
Indien deze rechter niettemin tot de slotsom komt dat die doelstellingen door deze nationale bepaling worden nagestreefd, moeten de middelen voor het bereiken van die doelstellingen volgens de bewoordingen van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78 ook nog ‘passend en noodzakelijk’ zijn.
42
Het staat dan ook aan de verwijzende rechter om na te gaan of artikel 1 van wet nr. 1365/1926 het mogelijk maakt om die doelstellingen te bereiken zonder ongerechtvaardigde aantasting van de rechtmatige belangen van de kandidaten voor het ambt van notaris die ouder zijn dan 50 jaar en die op grond van die bepaling de mogelijkheid wordt ontnomen om dat ambt uit te oefenen.
43
In dit verband zij eraan herinnerd dat het aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten staat om een juist evenwicht te vinden tussen de verschillende betrokken belangen (arrest van 2 april 2020, Comune di Gesturi, C-670/18, EU:C:2020:272, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44
Het in artikel 21, lid 1, van het Handvest neergelegde verbod van discriminatie op grond van leeftijd moet immers worden gelezen tegen de achtergrond van het in artikel 15, lid 1, daarvan erkende recht om te werken. Bijgevolg dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de deelname van oudere werknemers aan het beroepsleven en daarmee aan het economische, culturele en sociale leven. Wanneer die personen professioneel actief blijven, wordt met name diversiteit bij de arbeid bevorderd. Het belang bij het professioneel actief blijven van die personen moet echter met inachtneming van andere, eventueel tegenovergestelde belangen in aanmerking worden genomen (arrest van 2 april 2020, Comune di Gesturi, C-670/18, EU:C:2020:272, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
Wat de eerste door de Italiaanse regering aangevoerde doelstelling betreft, kan worden volstaan met eraan te herinneren dat het recht op een ouderdomspensioen voor notarissen die hun ambt neerleggen wanneer zij de leeftijd van 75 jaar hebben bereikt — de toegestane maximumleeftijd voor de uitoefening van dit beroep —, gebonden is aan de voorwaarde dat zij dit beroep gedurende ten minste twintig jaar hebben uitgeoefend, zoals reeds is aangegeven in punt 33 van het onderhavige arrest.
46
Doordat de leeftijdsgrens voor de toegang tot het beroep van notaris in artikel 1 van wet nr. 1365/1926 wordt vastgesteld op 50 jaar zonder dat rekening wordt gehouden met die minimumperiode van beroepsactiviteit om aanspraak te kunnen maken op een ouderdomspensioen wanneer de notaris die leeftijdsgrens van 75 jaar heeft bereikt, lijkt dat artikel bijgevolg verder te gaan dan noodzakelijk is om een stabiele uitoefening van het beroep van notaris gedurende een aanzienlijke periode te verzekeren teneinde de levensvatbaarheid van het socialezekerheidsstelsel te waarborgen. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.
47
Wat de tweede door de Italiaanse regering aangevoerde doelstelling betreft, kan krachtens artikel 6, lid 1, onder c), van richtlijn 2000/78 een maximumleeftijd voor aanwerving worden vastgesteld in verband met de voor de betrokken functie vereiste opleiding, zoals is opgemerkt in punt 34 van dit arrest. Aangezien deze opleiding voor de kandidaten die zijn geslaagd voor het vergelijkend onderzoek voor notarissen niet meer inhoudt dan een verplichte stage van 120 dagen, zoals in punt 35 van het onderhavige arrest is benadrukt, terwijl zij hun activiteit tot de leeftijd van 75 jaar kunnen uitoefenen, lijkt de voorwaarde dat enkel kandidaten die jonger zijn dan 50 jaar aan dit vergelijkend onderzoek kunnen deelnemen, verder te gaan dan noodzakelijk is om de doelstelling te verwezenlijken die erin bestaat de voor die activiteit vereiste opleiding te waarborgen.
48
Wat de derde doelstelling betreft, staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de nationale wetgever in het onderhavige geval bij de uitoefening van de ruime beoordelingsmarge waarover hij beschikt op het gebied van sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid, een juist evenwicht heeft gevonden tussen, enerzijds, de doelstelling van het vergemakkelijken van generatievernieuwing en verjonging van het bestand van praktiserende notarissen en, anderzijds, de noodzaak om ervoor te zorgen dat oudere werknemers aan het beroepsleven blijven deelnemen, aangezien deze werknemers wegens hun leeftijd kwetsbaarder zijn. Zoals in overweging 6 van richtlijn 2000/78 staat te lezen, erkent het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden, dat is vastgesteld op de bijeenkomst van de Europese Raad te Straatsburg op 9 december 1989, bovendien de noodzaak om passende maatregelen te nemen voor de sociale en economische integratie van ouderen.
49
In dit verband moet worden opgemerkt dat de invoering van een leeftijdsgrens van 50 jaar voor toelating tot het vergelijkend onderzoek voor toegang tot het beroep van notaris leidt tot een grotere beschikbaarheid van ambten die door jonge kandidaten kunnen worden ingevuld, en dus een geschikt middel kan vormen ter verwezenlijking van de doelstelling van het vergemakkelijken van generatievernieuwing en verjonging van de beroepsstand, mits een dergelijke maatregel niet verder gaat dan nodig is om dat doel te bereiken en de belangen van de betrokkenen niet buitensporig aantast. Het staat in dit verband aan de nationale rechter om niet alleen rekening te houden met de geschiktheid van deze personen om dit beroep uit te oefenen, maar ook met de schade die deze maatregel kan berokkenen aan de betrokken personen (zie in die zin arrest van 6 november 2012, Commissie/Hongarije, C-286/12, EU:C:2012:687, punt 66).
50
In casu is ten eerste niet aangevoerd dat een leeftijdsgrens van 50 jaar voor toelating tot dat vergelijkend onderzoek wordt gerechtvaardigd door de geschiktheid van die kandidaten om dat beroep uit te oefenen. Ten tweede blijkt uit punt 39 van dit arrest dat bij het vergelijkend onderzoek voor notarissen dat in het hoofdgeding aan de orde is, een aanzienlijk aantal ambten niet is ingevuld, hetgeen tot gevolg heeft dat jonge kandidaten geen toegang tot het beroep van notaris hebben gehad en kandidaten die ouder zijn dan 50 jaar de mogelijkheid is ontnomen om hun bekwaamheden via deelname aan dat vergelijkend onderzoek te doen gelden. Door die leeftijdsgrens vast te stellen gaat artikel 1 van wet nr. 1365/1926 dan ook verder dan noodzakelijk is om de doelstelling van het vergemakkelijken van generatievernieuwing en verjonging van de beroepsstand te verwezenlijken.
51
Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 21 van het Handvest en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78 aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling waarbij een leeftijdsgrens van 50 jaar wordt vastgesteld om te kunnen deelnemen aan het vergelijkend onderzoek voor toegang tot het beroep van notaris, aangezien een dergelijke regeling niet de doelstellingen lijkt na te streven die bestaan in het waarborgen van een stabiele uitoefening van dit beroep gedurende een aanzienlijke periode voorafgaand aan de pensionering, het beschermen van de goede werking van de notariële prerogatieven, en het vergemakkelijken van generatievernieuwing en verjonging van de beroepsstand, en hoe dan ook verder gaat dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.
Kosten
52
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling waarbij een leeftijdsgrens van 50 jaar wordt vastgesteld om te kunnen deelnemen aan het vergelijkend onderzoek voor toegang tot het beroep van notaris, aangezien een dergelijke regeling niet de doelstellingen lijkt na te streven die bestaan in het waarborgen van een stabiele uitoefening van dit beroep gedurende een aanzienlijke periode voorafgaand aan de pensionering, het beschermen van de goede werking van de notariële prerogatieven, en het vergemakkelijken van generatievernieuwing en verjonging van de beroepsstand, en hoe dan ook verder gaat dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑06‑2021