Het Hof heeft de verdachte in de zaak met parketnummer 555.00034/21 vrijgesproken van feit 3 primair (gekwalificeerde diefstal in vereniging), alsook van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 555.00102/21 (medeplegen opzetheling).
HR, 19-09-2023, nr. 22/02376
ECLI:NL:HR:2023:1211
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-09-2023
- Zaaknummer
22/02376
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1211, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑09‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:599
ECLI:NL:PHR:2023:599, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 20‑06‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1211
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑08‑2022
- Vindplaatsen
JIN 2023/155 met annotatie van mr. C. van Oort
Uitspraak 19‑09‑2023
Inhoudsindicatie
Caribische zaak. Opzetheling van auto-onderdelen in Curaçao, art. 2:397 SrC. Ontoelaatbare beperking van hoger beroep door OvJ en gevolgen daarvan, art. 436.2 SvC. OvJ beperkt h.b. bij akte tot feit 3 subsidiair (heling) en feit B. Hof beoordeelt in h.b. zowel feit 3 primair (diefstal) als subsidiair (heling) en feit B. Had hof de OvJ gedeeltelijk of geheel niet-ontvankelijk moeten verklaren in ingesteld h.b.? Art. 436.2 SvC laat slechts een beperking van h.b. toe tot een of meer ‘gevoegde zaken’. Het onder 3 primair resp. subsidiair tenlastegelegde valt echter niet aan te merken als ‘gevoegde zaken’ in de zin van art. 436.2 SvC. De beperking van h.b. die OvJ heeft aangebracht in relatie tot onder 3 tlgd. is dan ook niet mogelijk. Hof had daarom OvJ n-o moeten verklaren in ingesteld h.b. m.b.t. onder 3 tlgd. (vgl. HR:2011:BP6561 over art. 407 Nederlands WvSv). Voor niet-ontvankelijkverklaring van OvJ in het gehele h.b. bestond in dit geval geen aanleiding, nu ontoelaatbare beperking het hof niet beperkte in de beoordeling van het andere tlgd. feit waartoe h.b. zich uitstrekte (feit B). HR doet zaak zelf af door vernietiging beslissingen hof over onder 3 tlgd. en niet-ontvankelijkverklaring OvJ in h.b. m.b.t. dat feit.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02376 C
Datum 19 september 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 10 februari 2022, nummer H 122/21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Valkenswaard, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder parketnummer 555.00034/21 tenlastegelegde en tot zodanige op artikel 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof de officier van justitie, gelet op de ontoelaatbare beperking in de omvang van het appel, ten onrechte in het hoger beroep heeft ontvangen.
2.2
De procesgang is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 11. Deze houdt in – kort samengevat – dat het gerecht de verdachte heeft veroordeeld voor het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde en hem heeft vrijgesproken van het in diezelfde zaak onder 1 primair en 3 primair en subsidiair tenlastegelegde en van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 555.00102/21. De officier van justitie heeft tegen die uitspraak beperkt hoger beroep ingesteld. De uitspraak van het hof houdt over de omvang van dit hoger beroep het volgende in:
“Het hoger beroep is bij akte beperkt en richt zich conform die akte niet tegen de beslissingen aangaande feiten 1, 2 en 3 primair van het tenlastegelegde onder parketnummer 555.00034/21. Nu het hoger beroep zich wel expliciet richt tegen feit 3 subsidiair onder parketnummer 555.00034/21, acht het Hof het aangewezen zowel feit 3 primair als feit 3 subsidiair onder parketnummer 555.00034/21 aan zijn oordeel te onderwerpen. Het vonnis waarvan beroep is derhalve aan beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betrekking heeft op de beslissingen ten aanzien van het onder parketnummer 555.00034/21 als feit 3 en het onder parketnummer 555.00102/21 tenlastegelegde.”
Het hof heeft in het hoger beroep de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 onder 3 primair tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 555.00102/21 tenlastegelegde. Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 onder 3 subsidiair tenlastegelegde en de verdachte daarvoor een gevangenisstraf opgelegd van vijftien maanden.
Daarnaast heeft het hof de straf voor de niet aan zijn oordeel onderworpen feiten, die door het gerecht waren bewezenverklaard, bepaald op een gevangenisstraf van veertien maanden.
2.3
Artikel 436 van het Wetboek van Strafvordering van Curaçao (hierna: SvC) luidt:
“1. Het hoger beroep kan slechts tegen het vonnis in zijn geheel worden ingesteld.
2. Zijn echter in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan kan het hoger beroep tot het vonnis voor zover dit een of meer van de gevoegde zaken betreft, worden beperkt.”
2.4.1
Het tweede lid van artikel 436 SvC laat slechts een beperking van het hoger beroep toe tot een of meer ‘gevoegde zaken’. Het in de genoemde zaak onder 3 primair respectievelijk subsidiair tenlastegelegde valt echter niet aan te merken als ‘gevoegde zaken’ in de zin van artikel 436 lid 2 SvC. De beperking van het hoger beroep die de officier van justitie heeft aangebracht in relatie tot het in de genoemde zaak onder 3 tenlastegelegde, is dan ook niet mogelijk. Het hof had daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk moeten verklaren in het ingestelde hoger beroep met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde (vgl. HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6561, rechtsoverweging 2.7, eerste alinea, over artikel 407 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering). In zoverre slaagt het cassatiemiddel.
2.4.2
Voor niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in het gehele hoger beroep bestond in dit geval geen aanleiding, nu de onder 2.4.1 bedoelde ontoelaatbare beperking het hof niet beperkte in de beoordeling van het andere tenlastegelegde feit waartoe het hoger beroep zich uitstrekte (het feit in de zaak met parketnummer 555.00102/21). In zoverre is het cassatiemiddel tevergeefs voorgesteld.
2.5
De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en – met vernietiging van de uitspraak van het hof voor zover het betreft de beslissingen op het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 onder 3 tenlastegelegde – de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 onder 3 tenlastegelegde.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het eerste en het derde cassatiemiddel niet nodig.
4. Gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad voor de tenuitvoerlegging
De hierna vermelde beslissing van de Hoge Raad heeft tot gevolg dat de gevangenisstraf van vijftien maanden die het hof aan de verdachte heeft opgelegd, evenals de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen, niet in stand blijven. Daarentegen blijft de gevangenisstraf van veertien maanden, die het hof heeft bepaald voor (kort gezegd) de feiten waarvoor het gerecht de verdachte heeft veroordeeld en waartegen het hoger beroep van de officier van justitie niet was gericht, in stand.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 onder 3 tenlastegelegde;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2023.
Conclusie 20‑06‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Caribische zaak. Veroordeling voor opzetheling, meermalen gepleegd. De OvJ heeft beperkt (partieel) hoger beroep ingesteld tegen o.m. een subsidiair tenlastegelegd feit. Tweede middel klaagt volgens de AG terecht dat een dergelijke beperking ontoelaatbaar is op grond van art. 436 SvC en dat het Hof het openbaar ministerie derhalve niet-ontvankelijk had moeten verklaren in het hoger beroep t.a.v. dit feit. Conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot (gedeeltelijke) niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. De AG geeft de Hoge Raad in overweging te bezien of hij in dit geval de zaak op praktische gronden zelf kan afdoen.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02376 C
Zitting 20 juni 2023
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
1. De verdachte is bij vonnis van 10 februari 2022 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) voor de aan het Hof onderworpen feiten (wegens 3 subsidiair “opzetheling, meermalen gepleegd”) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van het voorarrest.1.Voorts heeft het Hof de aan de verdachte opgelegde hoofdstraf voor de niet aan het oordeel van het Hof onderworpen bewezenverklaarde en gekwalificeerde feiten bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden2., zodat het totaal neerkomt op 29 maanden gevangenisstraf. Ook heeft het Hof de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven. Daarnaast heeft het Hof de respectieve vorderingen tot materiële schadevergoeding van de benadeelde partijen toegekend en in dat verband aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen als bedoeld in art. 1:78 van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao (hierna: SrC) opgelegd, een en ander zoals in het vonnis bepaald.
2. Namens de verdachte heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Valkenswaard, drie middelen van cassatie voorgesteld. Ik begin, gelet op de volgorde van de formele voorvragen van art. 392 SvC en de materiële vragen van art. 394 SvC om cassatie-technische redenen met mijn bespreking van het tweede middel.
II. Het tweede middel en de bespreking daarvan
Het middel
3. Het middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 436 SvC het hoger beroep in behandeling heeft genomen, terwijl het openbaar ministerie dat hoger beroep op een ontoelaatbare wijze heeft beperkt.
Het vonnis van de rechtbank
4. Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) heeft de verdachte bij vonnis van 28 juni 2021 ter zake van het onder parketnummer 555.00034/21 als feit 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde (opzetheling respectievelijk medeplegen van oplichting) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van het voorarrest. Het Gerecht heeft de verdachte vrijgesproken van het in diezelfde zaak als feit 1 primair en 3 tenlastegelegde (diefstal respectievelijk opzetheling), alsook van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 555.00102/21 (medeplegen opzetheling).
Het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep
5. Tegen het vonnis van het Gerecht is (enkel) door de officier van justitie hoger beroep ingesteld. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevinden zich:
- een akte tot het instellen van partieel hoger beroep d.d. 9 juli 2021 in de zaak met parketnummer 555.00034/21. Deze akte houdt onder meer in:
“[…]
Heden 9 juli 2021 verscheen ter Griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao
mr. B. Niks
die verklaarde partieel hoger beroep in te stellen tegen het vonnis gewezen op 28 juni 2021 en uitgesproken door de Rechter in bovengemeld Gerecht in de zaak van het Openbaar Ministerie bij dat gerecht tegen: [verdachte] als veroordeelde;
Partieel appel
Het hoger beroep is niet gericht tegen de beslissing(en) ten aanzien van (de) feit(en):
1 + 2 + 3 primair3.
[…]”
- een akte tot het instellen van hoger beroep d.d. 9 juli 2021 in de zaak met parketnummer 555.00102/21, onder meer inhoudende:
“[…]
Heden 9 juli 2021 verscheen ter Griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao:
mr. B. Niks
die verklaarde hoger beroep in te stellen tegen het vonnis op 28 juni 2021 uitgesproken door de Rechter in bovengemeld gerecht in de zaak van het Openbaar Ministerie bij dat gerecht tegen: [verdachte] als veroordeelde;
[…]”
De tenlastelegging in hoger beroep
6. Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, in hoger beroep tenlastegelegd:
“Parketnummer 555.00034/21
3. primair
dat hij op 15 januari 2021, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen,
een motorrijtuig en/of onderdelen van een auto voorzien van chassisnummer [001]
in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een [betrokkene 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, en/of door inklimming en/of door middel van een valse sleutel.
3. subsidiair
dat hij in de periode van 15 januari 2021 tot 9 februari 2021 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een motorrijtuig en/of onderdelen van een of meerdere auto ('s) voorzien van chassisnummer [001] en/of [002] en/of kenteken [kenteken]
heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van boven omschreven goed(eren) wist of begreep, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.
Parketnummer 555.00102/21
dat hij in de periode van 2 september 2020 tot en met 11 februari 2021 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een motorblok (G3LAFP115644) en/of meerdere voertuigonderdelen van een motorvoertuig merk Kia Picanto voorzien van chassisnummer [003]
heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van boven omschreven goed(eren) wist of begreep, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.”
Het verhandelde ter terechtzitting
7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2022 houdt, voor zover hier van belang, in:
“De voorzitter deelt mede dat het hoger beroep van de officier van justitie blijkens de akte is gericht tegen de vrijspraak van feit 3 subsidiair onder parketnummer 555.00034/21 en tegen de vrijspraak van het feit dat onder parketnummer 555.00102/21 ten laste is gelegd.”
8. Ter terechtzitting heeft de procureur-generaal aan het Hof een op schrift gestelde vordering overgelegd – die, zo begrijp ik, tevens als requisitoir dient –, waarin de omvang van het hoger beroep als volgt staat omschreven:
“De Procureur-Generaal van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
[…]
verstaat het ingestelde appel aldus, dat het, afgaande op de appelakten, enkel is gericht tegen de feiten, waarvoor verdachte is vrijgesproken, oftewel feit ad 3 subsidiair inzake 555.00034/21 en het feit uit 555.00102/21, hetgeen betekent, nu uitsluitend de Officier van Justitie appel heeft ingesteld, dat de bewezenverklaarde feiten ad 1 en 2 uit 555.00034/21 niet in appel aan de orde zijn;”
9. De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting het woord gevoerd overeenkomstig haar aan het Hof overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota d.d. 20 januari 2022, die wat betreft de omvang van het hoger beroep het volgende inhoudt:
“1. [verdachte] (hierna [verdachte] ), werd volgens het vonnis in Eerste Aanleg, uitgesproken op 28 juni 2021 niet door de rechter in eerste aanleg strafbaar gesteld van
- Feit 3 subsidiair: heling in periode 15 januari 2021 t/m 9 februari 2021 van auto-onderdelen en
- Feit 4, heling in periode 2 september 2020 t/m 11 februari 2021 van een Kia Picanto.4.
2. Tegen de vrijspraak van bovenvermelde feiten is het openbaar ministerie in appel gegaan.”
De bestreden beslissing van het Hof
10. Het Hof heeft ten aanzien van de omvang van het hoger beroep het volgende overwogen en beslist:
“Het hoger beroep is bij akte beperkt en richt zich conform die akte niet tegen de beslissingen aangaande feiten 1, 2 en 3 primair van het tenlastegelegde onder parketnummer 555.00034/21. Nu het hoger beroep zich wel expliciet richt tegen feit 3 subsidiair onder parketnummer 555.00034/21, acht het Hof het aangewezen zowel feit 3 primair als feit 3 subsidiair onder parketnummer 555.00034/21 aan zijn oordeel te onderwerpen. Het vonnis waarvan beroep is derhalve aan beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betrekking heeft op de beslissingen ten aanzien van het onder parketnummer 555.00034/21 als feit 3 en het onder parketnummer 555.00102/21 tenlastegelegde.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het Hof is onderworpen.”
11. Het Hof heeft vervolgens ten laste van de verdachte het onder 3 subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaard in de zaak met parketnummer 555.00034/21, in die zin dat:
“hij in de periode van 15 januari 2021 tot 9 februari 2021 te Curaçao,
onderdelen van auto’s voorzien van chassisnummer [001] en [002] en kenteken [kenteken]
heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van boven omschreven goederen wist of begreep dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.”
Het juridisch kader
12. Art. 436 SvC luidt:
“1. Het hoger beroep kan slechts tegen het vonnis in zijn geheel worden ingesteld.
2. Zijn echter in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan kan het hoger beroep tot het vonnis voor zover dit een of meer van de gevoegde zaken betreft, worden beperkt.”
13. Dit artikel kent zijn oorsprong in de gelijkluidende bepaling van art. 407 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering (hierna: SvN). Ik meen daarom dat de rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van art. 407 SvN van overeenkomstige toepassing is op art. 436 SvC. Daarvan uitgaande zal ik hieronder het wettelijke kader toepassen zoals is uiteengezet in HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2709, NJ 2013/531, m.nt. Mevis, HR 1 juli 2008 ECLI:NL:HR:2008:BC7913, NJ 2008/409 en HR 3 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5505, NJ 2007/211.
14. Het eerste lid van art. 436 SvC verwoordt het uitgangspunt dat slechts tegen het gehele vonnis van de rechtbank hoger beroep kan worden ingesteld. Dat lijdt ingevolge het tweede lid evenwel uitzondering wanneer het gaat om gevoegde zaken (cumulatief tenlastegelegde feiten). In die gevallen mag het hoger beroep door de verdachte en de officier van justitie worden beperkt tot het vonnis voor zover het een of meer van die gevoegde zaken betreft. Dat kan uitsluitend door middel van de in de door de griffier op te maken akte verwerkte verklaring als bedoeld in art. 445 SvC onderscheidenlijk de verklaring als bedoeld in art. 448 SvC waarmee het rechtsmiddel wordt ingesteld. Verdergaande beperkingen in het hoger beroep zijn niet geoorloofd. De Hoge Raad oordeelde eerder onder meer dat een beperking van het hoger beroep tot het subsidiair tenlastegelegde ontoelaatbaar is.5.In geval van een veroordeling ter zake van een subsidiair onderdeel van de tenlastelegging moet de rechter in hoger beroep weer over de gehele tenlastelegging oordelen.6.Een vrijspraak voor bijvoorbeeld het primair tenlastegelegde kan dus niet buiten het hoger beroep worden gehouden.7.
15. Tegen de achtergrond van dit stelsel dient uitgangspunt te zijn dat niet-inachtneming van art. 436 SvC bij het instellen van het hoger beroep moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de desbetreffende procespartij in het hoger beroep tenzij het verzuim voor de afloop van de beroepstermijn is hersteld.8.De Hoge Raad heeft evenwel reden gezien de verdachte in voorkomende gevallen een helpende hand toe te steken wanneer het een door (of namens) hem in de appelakte aangebrachte beperking betreft. Een dergelijke beperking kan alsnog door de verdachte of zijn raadsman worden hersteld door ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen en te verklaren het hoger beroep zonder de ten onrechte in de appelakte aangebrachte beperking te willen doorzetten. De gedachte hierachter is dat zo een beperking het gevolg kan zijn van een vergissing of van ontoereikende voorlichting door justitiële functionarissen en dat, mede gelet op de grote gevolgen die het uitsluiten van een hoger beroep kan hebben voor de verdachte, dan niet zonder meer de toegang tot de hogere rechter aan de verdachte kan worden ontzegd.9.Het valt op dat de Hoge Raad in de te dezen relevante rechtspraak over zo een herstelmogelijkheid het openbaar ministerie als procespartij buiten beschouwing laat. Daaruit maak ik op dat een vergelijkbare herstelmogelijkheid niet aan het openbaar ministerie toekomt, hetgeen overigens begrijpelijk is indien wordt bedacht dat het openbaar ministerie als professionele procespartij op dit terrein deskundig genoeg moet worden geacht.10.Wat betreft de onderhavige zaak levert dit trouwens geen vraag op, nu de procureur-generaal bij het Hof ter terechtzitting niet is teruggekomen van de in de appelakte aangebrachte beperking van het hoger beroep.
De bespreking van het middel
16. Het Gerecht heeft de verdachte in eerste aanleg vrijgesproken van het onder parketnummer 555.00102/21 tenlastegelegde. Wat betreft het tenlastegelegde onder parketnummer 555.00034/21 is de verdachte bij hetzelfde vonnis van het Gerecht vrijgesproken van feit 1 primair en feit 3 (primair en subsidiair) en veroordeeld voor feit 1 subsidiair en feit 2. De officier van justitie heeft hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis. Uit de hiervoor aangehaalde aktes rechtsmiddel volgt onmiskenbaar dat het hoger beroep van de officier van justitie niet tegen het vonnis van het Gerecht in zijn geheel is ingesteld; het komt uitdrukkelijk niet op tegen de beslissingen van het Gerecht aangaande de feiten 1, 2 en 3 primair van het tenlastegelegde onder parketnummer 555.00034/21. Anders gezegd: de officier van justitie heeft blijkens de aktes rechtsmiddel louter bedoeld te appelleren tegen het in de zaak met parketnummer 555.00102/21 tenlastegelegde en tegen het onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 555.00034/21. De procureur-generaal heeft deze beperking ter terechtzitting in hoger beroep herhaald en aldus bevestigd. Gezien de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep (zie randnummer 7), heeft het Hof het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep ook zo verstaan, en datzelfde geldt blijkens de overgelegde pleitnota voor de verdediging (zie randnummer 9).
17. In het bestreden vonnis heeft het Hof het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 onder feit 3 tenlastegelegde vervolgens in volle omvang (zowel primair als subsidiair) beoordeeld en de verdachte veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde. Het middel klaagt daarover terecht, nu het Hof het openbaar ministerie ingevolge het bepaalde in art. 436 SvC in het hoger beroep niet had mogen ontvangen voor zover dit betrekking heeft op het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 tenlastegelegde. Wel ontvankelijk is het openbaar ministerie naar mijn inzicht in het hoger beroep in de zaak met parketnummer 555.00102/21, nu dit een gevoegde zaak betreft. Mede tegen de achtergrond van het bepaalde in het tweede lid van art. 436 SvC, komt het mij voor dat een ongeoorloofde beperking in het hoger beroep in de ene gevoegde zaak de ontvankelijkheid van het hoger beroep in de andere gevoegde zaak in beginsel niet treft.
18. Het voorgaande dient er mijns inziens toe te leiden dat het vonnis van het Hof wordt vernietigd, opdat het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep tegen het onder parketnummer 555.00034/21 tenlastegelegde. Mogelijk is er voor de Hoge Raad ruimte deze zaak op praktische gronden zelf af te doen. Het Hof heeft de verdachte immers vrijgesproken van het tenlastegelegde in de gevoegde zaak met parketnummer 555.00102/21 en de beslissingen van het Hof dienaangaande lijken mij niet te worden aangetast door een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in het hoger beroep ter zake van het onder parketnummer 555.00034/21 tenlastegelegde. Ik heb mij daarbij afgevraagd of deze partiële niet-ontvankelijkverklaring zich verdraagt met het dictum van ’s Hofs vonnis waarbij het Hof toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 406, zesde lid, SvC11.door de aan de veroordeelde opgelegde hoofdstraf voor de niet aan het oordeel van het Hof onderworpen bewezenverklaarde en gekwalificeerde feiten te bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden. Deze feiten zijn door de officier van justitie (mijns inziens op rechtens toelaatbare wijze) buiten het appel gehouden en daarom moest het Hof op de voet van art. 406, zesde lid, SvC de straf voor die feiten zelf bepalen. Naar het mij voorkomt wordt die beslissing evenmin geraakt door de genoemde partiële niet-ontvankelijkverklaring.12.Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat uit het vonnis van het Hof blijkt dat naar het oordeel van het Hof de benadeelde partijen [betrokkene 1] e/v [betrokkene 2] , [betrokkene 3] e/v [betrokkene 4] en [betrokkene 5] rechtstreeks schade hebben geleden tot de gevorderde bedragen als gevolg van verdachtes onder feit 3 subsidiair bewezen verklaarde handelen, en de vorderingen en schadevergoedingsmaatregelen in dat verband zijn toegewezen respectievelijk opgelegd.
III. Het eerste middel en het derde middel
19. Nu het tweede middel naar mijn inzicht slaagt en tot vernietiging van de bestreden uitspraak dient te leiden, behoeven het eerste en het derde middel geen bespreking. Indien de Hoge Raad tot het oordeel komt dat het tweede middel tevergeefs is voorgesteld, ben ik desgewenst uiteraard bereid ten aanzien van de andere twee middelen aanvullend te concluderen.
IV. Slotsom
20. Het tweede middel slaagt.
21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder parketnummer 555.00034/21 tenlastegelegde13.en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑06‑2023
Het Hof doelt hier op feit 1 subsidiair en feit 2 (opzetheling en medeplegen van oplichting) in de zaak met parketnummer 555.00034/21. Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao heeft deze feiten bewezenverklaard en hiervoor een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden opgelegd. Deze feiten waren in hoger beroep niet aan de orde, wegens de in de appelakte aangebrachte beperking van het hoger beroep (zie hierna randnummer 5).
Deze opsomming is handgeschreven.
De raadsvrouw doelt met “feit 4” kennelijk op het in de zaak met parketnummer 555.00102/21 tenlastegelegde (zie hierboven randnummer 6).
HR 27 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8513, NJ 1990/655, m.nt. Van Veen en HR 17 juni 1986, DD. 86.510.
HR 15 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1592, NJ 2001/515 en HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0439, NJ 1996/584.
Zie ook H.K. Elzinga, in: T&C Strafvordering, art. 407 Sv, aant. 2 en 4 (bijgewerkt t/m 11 april 2023).
HR 27 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8513, NJ 1990/655, m.nt. Van Veen; HR 29 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0253, NJ 1988/878; HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4030, NJ 2013/532, m.nt. Mevis; HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6561; HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2819, NJ 2018/61, m.nt. Mevis; HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1062, NJ 2021/263. Zie ook Elzinga, a.w., aant. 3.
HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4030, NJ 2013/532, m.nt. Mevis; HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6561; HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2819, NJ 2018/61, m.nt. Mevis.
Bovendien lijkt het mij, mede met het oog op de verdedigingsrechten en in het bijzonder het in art. 6, derde lid onder b, EVRM neergelegde recht op (kort gezegd) voldoende voorbereidingstijd voor het voeren van een adequate verdediging, ook niet wenselijk dat het openbaar ministerie nog in een zodanig laat stadium een aangebrachte beperking in het hoger beroep kan intrekken.
Luidend: “Indien bij samenloop van meerdere feiten een hoofdstraf is uitgesproken en het hoger beroep slechts is ingesteld ten aanzien van een of meer van de feiten, wordt in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het vonnis de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.”
Dat zou bijvoorbeeld anders zijn indien het Hof de verdachte in beide gevoegde zaken had veroordeeld en het op grond daarvan één hoofdstraf had uitgesproken, in welk geval een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in het hoger beroep ten aanzien van een van die zaken wel onvermijdelijk consequenties heeft voor de strafoplegging.
Waaronder begrepen de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Beroepschrift 10‑08‑2022
Schriftuur, houdende middelen van cassatie
in de zaak van
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1992 te [land] (hierna: [verdachte]), zaaknummer S 22-02376.
[verdachte] is voor het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao vervolgd terzake van vier feiten, te weten: onder parketnummer 555.00034/21 kort gezegd 1. diefstal van een auto subsidiair opzetheling van die auto (feit 1), 2. medeplegen van oplichting (feit 2), en 3. diefstal van een auto subsidiair heling van (onderdelen van) die auto en (opmerkelijkerwijs) onderdelen van nog twee andere auto's (feit 3), en onder parketummer 555.00102/21 terzake van heling van (onderdelen van) een auto (feit 4). Hij is op 28 juni 2021 door dit gerecht wegens feit 1 subsidiair en feit 2 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, gecombineerd met een schadevergoedingsmaatregel, onder vrijspraak van het hem meer of anders ten laste gelegde. Alleen de officier van justitie heeft tegen deze veroordeling hoger beroep ingesteld; hij heeft dit beroep beperkt tot feit 3 subsidiair.
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) is aan de beperking van het hoger beroep tot alleen het subsidiaire gedeelte van feit 3 voorbijgegaan en ook het primaire gedeelte daarvan aan zijn beoordeling onderworpen. Vervolgens heeft het [verdachte] op 10 februari 2022 opnieuw vrijgesproken van het primaire gedeelte van feit 3, en alsnog het hem als feit 3 subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaard. Het heeft hem daarvoor, naast de al door het Gerecht in eerste aanleg opgelegde veertien maanden gevangenisstraf, veroordeeld tot nog eens vijftien maanden gevangenisstraf, met een drietal (aanvullende) schadevergoedingsmaatregelen.
[verdachte] kan zich met het door het Hof gewezen vonnis niet verenigen. Hij voert daartoe de volgende middelen aan:
Middel 1:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder geschonden zijn de artikelen 381, 385 lid 1 en 387 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering van Curaçao, aangezien voor het bewijs gebruik is gemaakt van een proces-verbaal van de politie dat een verklaring inhield van een anoniem persoon die niet door of met toestemming van de rechter-commissaris op de voet van artikel 261 van voormeld wetboek was gehoord, en bovendien als aanvullend bewijs gebruik is gemaakt van een getuigenverklaring waarin mededeling werd gedaan van feiten en omstandigheden die de getuige niet zelf waargenomen of ondervonden had.
Toelichting:
Het aan [verdachte] als feit 3 subsidiair ten laste gelegde betrof heling van (onderdelen van) een auto (A), heling van onderdelen van een tweede auto (B) en heling van onderdelen van een derde auto (C). Onderdelen van alle drie de auto's zijn door de politie aangetroffen op het adres [a-straat 01] te Curaçao, en onderdelen van auto B op het adres [b-straat 01] aldaar.
Dat de drie in de tenlastelegging bedoelde auto's zijn ontvreemd is door [verdachte] nimmer betwist. Hij heeft echter altijd ontkend die auto's of onderdelen ervan te hebben verworven en voorhanden gehad. Het hof heeft zijn oordeel, dat [verdachte] wel degelijk onderdelen van alle drie de auto's heeft verworven en (dus) voorhanden gehad onderbouwd met enkele bewijsmiddelen en een daarop gegeven toelichting.
[verdachte] is, zo heeft het hof vastgesteld, door de politie gezien op adres [a-straat 01] (bewijsmiddel 1).1. Ofschoon dit uit de bewijsmiddelen niet met zoveel woorden blijkt gebeurde dit kennelijk op een moment dat de eerder bedoelde auto-onderdelen daar nog aanwezig waren. Op zichzelf is de door de politie gedane waarneming echter niet redengevend, aangezien [a-straat 01] — zoals uit het vonnis blijkt — het woonadres was van de moeder van zijn toenmalige partner. Het adres [b-straat 01] is het woonadres van de moeder van [verdachte] zelf.
Het gaat hier om op zichzelf nietszeggende gegevens. Die hebben echter gewicht gekregen door de — eveneens voor het bewijs gebruikte, en in een door de politie opgemaakt proces-verbaal van bevindingen neergelegde — mededeling van een toen, en kennelijk nog steeds, onbekende persoon, inhoudend dat [verdachte] een van de mannen was die zich met diefstal van autos en auto-onderdelen bezighield en dat hij twee dagen voordat op het adres [b-straat 01] de desbetreffende auto-onderdelen werden aangetroffen, samen met anderen daar auto-onderdelen ‘ging verbergen’ (bewijsmiddel 1). Redenen van wetenschap zijn door de getuige kennelijk niet opgegeven — in ieder geval zijn zij niet vermeld.
De juistheid van het door een dergelijke getuige aan de politie meegedeelde kan, doordat hij niet nader kan worden ondervraagd en zelfs in het duister blijft vanwaar zijn kennis stamt, moeilijk worden vastgesteld, en verdediging tegen de in een dergelijke verklaring neergelegde beschuldiging is uiterst moeilijk. Daarom heeft de Antilliaanse wetgever ervoor gekozen om, in afwijking van de in Nederland geldende regels, in art. 387 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering van Curaçao neer te leggen dat schriftelijke bescheiden, houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, slechts als bewijsmiddel kunnen worden erkend indien deze persoon met toestemming van of door de rechter-commissaris op de voet van het bepaalde van artikel 261 (dat is: als bedreigde getuige) is verhoord. Van een dergelijk verhoor blijkt niet uit de stukken; aangenomen moet worden dat het nooit heeft plaatsgehad. Het desbetreffende proces-verbaal van bevindingen had daarom niet voor het bewijs worden gebruikt. Alleen al daarom kan het bestreden vonnis geen stand houden.
Opgemerkt moet worden dat de wetgever — ofschoon de tekst van het wetboek daaraan geen steun geeft — kennelijk de mogelijkheid aanwezig heeft gehad om in bijzondere gevallen de vorenbedoelde verklaringen toch te gebruiken (getuige is naar het buitenland vertrokken, is overleden, of herinnert zich niet alle details) — maar dan moet de inhoud ervan in belangrijke mate steun vinden in ander gebruikt bewijsmateriaal.2.
Uit niets blijkt dat vorenbedoelde situatie zich in het gegeven geval heeft voorgedaan. Toch heeft het hof gemeend ‘deze verklaring van een anonieme getuige’ (bedoeld is kennelijk: dit proces-verbaal, inhoudend de verklaring van een anonieme getuige) te kunnen gebruiken, ‘nu deze verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen’ (vonnis p.10). Deze opvatting berust kennelijk op een verkeerde lezing van artikel 387 lid 3, waarin is bepaald dat, als een anoniem gebleven persoon als bedreigde getuige is gehoord, een schriftelijk stuk, waarin diens verklaring is neergelegd, alleen worden gebruikt indien belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend. Zoals gezegd is van een verhoor overeenkomstig artikel 261 helemaal geen sprake geweest (wat ook niet uitvoerbaar was, omdat de getuige kennelijk geheel onbekend is gebleven), maar ook van belangrijke steun is geen sprake. Het hof heeft die steun nader als volgt omschreven:
‘Voor de gestolen onderdelen aangetroffen op het erf van de schoonmoeder van de verdachte (…) verklaart (zij) dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de onderdelen op het erf heeft geplaatst’
(vonnis p. 10).
Bij nadere inspectie blijkt de schoonmoeder het volgende te hebben verklaard (bewijsmiddel 12):
‘Ik vermoed dat [verdachte] (lees: [verdachte]) die auto-onderdelen op mijn erf (…) heeft geplaatst. Dit omdat de buurman genaamd Dion hem in een witte bus op mijn erf heeft gezien. Ook omdat hij een gestolen auto naast de muur aan de buitenkant van mijn erf had geplaatst. Zo te zien is [verdachte] de eigenaar van die auto-onderdelen omdat hij gelogen had dat de auto die naast mijn erf stond gekocht was terwijl het niet waar was. Hij is de enige persoon die die auto-onderdelen op mijn erf zou hebben geplaatst.’
Voor zover deze verklaring al iets bevat dat op eigen waarneming berust, is zij zo doorspekt met vermoedens en conclusies van de getuige, dat zij voor het bewijs niet had mogen worden gebruikt. Toch heeft het hof juist de conclusie van de getuige gebruikt ‘dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de onderdelen op het erf heeft geplaatst.’
Aldus moet worden vastgesteld dat noch bewijsmiddel 1 had mogen worden gebruikt, voor zover daarin de verklaring is neergelegd van de onbekend gebleven persoon, noch bewijsmiddel 12.
Het bestreden vonnis kan daarom geen stand houden.
Middel 2:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder geschonden is artikel 436 van het Wetboek van Strafvordering van Curaçao, doordat het hof het hoger beroep in behandeling heeft genomen ofschoon het openbaar ministerie dat op een ontoelaatbare wijze had beperkt.
Toelichting:
Het bestreden vonnis kan geen stand houden om de in middel 1 uiteengezette redenen, maar het is bovendien zo dat het hof aan een bewezenverklaring niet had mogen toekomen. De officier van justitie heeft het door hem ingestelde hoger beroep bij akte beperkt tot parketnummer 555.00102/21 en tot hetgeen onder 3 subsidiair onder parketnummer 555.00034/21 ten laste was gelegd. Deze laatste beperking wordt door artikel 436 van het Wetboek van Strafvordering van Curaçao echter niet toegelaten.
Naar vaste jurisprudentie moet een ontoelaatbare beperking van het hoger beroep leiden tot niet-ontvankelijkverklaring daarin.3. Dit vindt slechts uitzondering indien de betrokken procespartij ter terechtzitting verklaart het hoger beroep zonder beperking te willen doorzetten, in welk geval de beperking buiten beschouwing moet worden gelaten. Dit geldt uiteraard niet alleen voor een verdachte die zijn beroep op ontoelaatbare wijze heeft beperkt, maar ook voor het openbaar ministerie. Een verklaring als bovenbedoeld is in het gegeven geval door het openbaar ministerie niet afgelegd. Het hof heeft de omvang van het hoger beroep ter terechtzitting — zo blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal — niet eens ter discussie gesteld. Het heeft pas in zijn vonnis vastgesteld ‘het aangewezen te achten’ om aan de (ontoelaatbare) beperking voorbij te gaan. De verdediging is hierdoor verrast en heeft zich over een en ander dan ook niet kunnen uitlaten. De werkwijze van het hof was daarom niet alleen in strijd met het wettelijk systeem, maar deed ook tekort aan de positie van de verdediging. Het had het openbaar ministerie eenvoudig niet-ontvankelijk moeten verklaren in het hoger beroep. Dat de verdachte uiteindelijk van het onder 3 primair ten laste gelegde is vrijgesproken kan geen gewicht in de schaal werpen — aan die vrijspraak had het hof niet eens mogen toekomen.
Ook om deze reden kan het bestreden vonnis geen stand houden. De Hoge Raad kan alsnog doen wat het hof had moeten doen en zelf de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het beroep uitspreken.
Middel 3:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder geschonden zijn artikel 401 lid 4, 402 lid 4 en 406 van het Wetboek van Strafvordering van Curaçao alsmede artikel 1:138 van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao, doordat het hof artikel 406 heeft toegepast in een geval waarvoor het niet is bedoeld, en omdat het hof vervolgens de in het Wetboek van Strafrecht gegeven samenloopregeling heeft genegeerd, in elk geval niet heeft laten blijken dat en op welke wijze het die regeling heeft toegepast, en dusdoende de opgelegde straf niet op voldoende c.q. voldoende begrijpelijke wijze heeft gemotiveerd.
Toelichting:
Het hof heeft een verkeerde toepassing gegeven aan artikel 406 lid 6 van het Wetboek van Strafvordering van Curaçao. In het gegeven geval deed zich inderdaad de situatie voor dat bij samenloop van strafbare feiten één hoofdstraf was opgelegd; het hoger beroep werd echter niet ingesteld ten aanzien van die feiten, maar ten aanzien van feiten waarvan de verdachte was vrijgesproken. Het hof had daarom niet opnieuw een straf mogen vaststellen voor de feiten ter zake waarvan in eerste aanleg was veroordeeld. Gelukkig is het zo wijs geweest om niet tot een andere straf te komen dan in eerste aanleg was opgelegd, maar is het voor de feiten, waarvoor in eerste aanleg werd veroordeeld, tot dezelfde straf gekomen als door de rechter in eerste aanleg was opgelegd. Daardoor heeft de toepassing van artikel 406 lid 6 hier niet geschaad.
Een en ander kan echter niet los worden gezien van wat hierop is gevolgd: het hof heeft voor de feiten, terzake waarvan het alsnog heeft veroordeeld, straf opgelegd zonder op enigerlei wijze rekening te houden met de eerdere strafoplegging, in elk geval zonder daarvan blijk te geven. Dit heeft geleid tot een verbazingwekkende uitkomst, die op zijn minst nader had moeten worden toegelicht. [verdachte] is vervolgd op verdenking van diefstal c.q. heling van auto's en auto-onderdelen, en een daaraan gerelateerde oplichting. Hij is eerst veroordeeld wegens heling van auto-onderdelen en oplichting, en vervolgens — in het kader van dezelfde vervolging — wegens geheel soortgelijke, zo niet indetieke, heling van auto-onderdelen, alles begaan binnen het korte tijdsbestek van 15 januari 2021 tot 9 februari 2021. De eerste veroordeling leidde tot een gevangenisstraf van veertien maanden, zodat op grond van de samenloopregeling (beperkte cumulatie van straffen bij meerdere veroordelingen) geen tweede veroordeling tot vijftien maanden gevangenisstraf viel te verwachten. Het lijkt erop dat het hof de door de rechter in eerste aanleg opgelegde straf, gegeven de omstandigheden, te laag vond. Het heeft zich daarover echter niet uitgelaten. Het heeft ten onrechte nagelaten uit te leggen waarom de tweede straf, ondanks de samenloop, hoger uitviel dan de eerste, en had in ieder geval — door aanhaling van artikel 1:138 van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao, moeten laten blijken zich ervan bewust te zijn geweest dat zich samenloop voordeed. Ook hierom kan het vonnis geen stand houden.
[verdachte] kiest te dezer zake woonplaats ten kantore van Across Borders Law Office, Kerkhofstraat nr. 21 te 5554 HG Valkenswaard, van welk kantoor mw. mr. C. Reijntjes-Wendenburg verklaart deze schriftuur te hebben ondertekend en ingediend, tot welke ondertekening en indiening zij door rekwirant van cassatie bepaaldelijk is gevolmachtigd.
Valkenswaard, 10 augustus 2022
Mw. mr. C. Reijntjes-Wendenburg
Gemachtigde
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 10‑08‑2022
In het desbetreffende bewijsmiddel wordt weliswaar gesproken van [a-straat 01], maar hiermee wordt onmiskenbaar hetzelfde adres bedoeld (‘kaya’ is papiament voor ‘straat’).
Zie T.M. Schalken/S.W. Mul (red.), Het nieuwe Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen en van Aruba, Gouda Quint, Deventer 1999, dl. 1 p. 289–290.
HR 28 juni 2011, NJ 2013/532 m.nt. Mevis, HR 14 februari 2012, NJ 2012/134 en HR 7 november 2017, NJ 2018/61, m.nt. Mevis.