Rb. Amsterdam, 27-08-2019, nr. 13/751101-18
ECLI:NL:RBAMS:2019:6354
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
27-08-2019
- Zaaknummer
13/751101-18
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal publiekrecht (V)
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2019:6354, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 27‑08‑2019; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2019:5853, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 06‑08‑2019; (Rekestprocedure)
Uitspraak 27‑08‑2019
Inhoudsindicatie
Overleveringsverzoek Hongarije. Detentieomstandigheden. Tijdens de behandeling ter zitting zijn geen nieuwe gegevens over de detentieomstandigheden in Hongarije naar voren gebracht. Gelet op hetgeen de rechtbank in haar tussenuitspraak van 6 augustus 2019 (ECLI:NL:RBAMS: 2019:5853) heeft uiteengezet, is de rechtbank van oordeel dat de gegevens op basis waarvan zij in eerdere uitspraken betreffende Hongaarse overleveringsverzoeken heeft geoordeeld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Hongarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, niet langer kunnen worden aangemerkt als “naar behoren bijgewerkte gegevens”. Evenmin beschikt de rechtbank over nieuwe gegevens op basis waarvan een dergelijk reëel gevaar kan worden vastgesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet langer kan worden geoordeeld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden, sprake is van een reëel gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling in Hongaarse detentie-instellingen.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751101-18
RK nummer: 19/3403
Datum uitspraak: 27 augustus 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 31 mei 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 november 2017 door het Gerechtshof van Miskolc (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te Miskolc (Hongarije) op [geboortedag] 1979,
woonadres: [adres] ,
gedetineerd in het [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 juli 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. Crince le Roy, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Bij tussenuitspraak van 6 augustus 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:5853) heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vraag of de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de bevindingen van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) nog wel kunnen worden aangemerkt als “naar behoren bijgewerkte gegevens” waarop de conclusie kan worden gebaseerd dat gedetineerden in Hongarije in het algemeen een reëel risico van onmenselijke of vernederende behandeling lopen.
De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 22 augustus 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie
mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is wederom bijgestaan door zijn raadsman en een tolk in de Hongaarse taal.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak van 6 augustus 2019
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 6 augustus 2019 waarin zij de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten heeft vastgesteld, alsmede heeft geoordeeld over de weigeringsgronden als bedoeld in de artikelen 9, 12 en 13 OLW. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot deze onderwerpen (paragrafen 3, 4, 5 en 6) dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4. Detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat
4.1
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – kort gezegd – betoogd dat hij zich nog steeds op het standpunt stelt dat de overlevering moet worden geweigerd. Er is naar aanleiding van de tussenuitspraak van6 augustus 2019 namelijk geen nadere informatie verstrekt door de Hongaarse autoriteiten over de detentieomstandigheden in Hongarije.
4.2
Standpunt van de officier van justitie
In het verleden is door de rechtbank aangenomen dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Hongarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld; dat is op dit moment de staande praktijk. De stukken waarop de rechtbank zich heeft gebaseerd zijn echter niet meer actueel. De verdediging heeft geen actuele, objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd met betrekking tot de huidige detentieomstandigheden in Hongarije. Daarom kan niet langer worden geconcludeerd dat gedetineerden in Hongarije in het algemeen een reëel risico van onmenselijke of vernederende behandeling lopen. De overlevering van de opgeëiste persoon kan worden toegestaan, aldus de officier van justitie.
4.3
Oordeel van de rechtbank
Tijdens de behandeling ter zitting zijn geen nieuwe gegevens over de detentieomstandigheden in Hongarije naar voren gebracht. Gelet op hetgeen de rechtbank in de hiervoor genoemde tussenuitspraak van 6 augustus 2019 heeft uiteengezet, is de rechtbank van oordeel dat de gegevens op basis waarvan zij in eerdere uitspraken betreffende Hongaarse overleveringsverzoeken heeft geoordeeld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Hongarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, niet langer kunnen worden aangemerkt als “naar behoren bijgewerkte gegevens”. Evenmin beschikt de rechtbank over nieuwe gegevens op basis waarvan een dergelijk reëel gevaar kan worden vastgesteld.
De rechtbank is daarom van oordeel dat niet langer kan worden geoordeeld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden, sprake is van een reëel gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling in Hongaarse detentie-instellingen.
De rechtbank verwerpt het verweer.
5. Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
6. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Gerechtshof van Miskolc (Hongarije).
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. A.W.C.M. van Emmerik en R. Godthelp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 27 augustus 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitspraak 06‑08‑2019
Inhoudsindicatie
EAB / Hongarije / executie / detentieomstandigheden / geen garantie Szombately of Tiszalök / tussenuitspraak
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751101-18
RK nummer: 19/3403
Datum uitspraak: 6 augustus 2019
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 31 mei 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 november 2017 door het Gerechtshof van Miskolc (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1979,
woonadres: [woonadres] ,
gedetineerd in het [plaats detentie] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 juli 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. Crince le Roy, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van:
een vonnis van het Kantongerecht van Miskolc, gedateerd 28 februari 2017 dat op28 april 2017 kracht van gewijsde heeft verkregen (referentie: 12.B.144/2016/102);
Een vonnis van de Stedelijke Rechtbank van Miskolc, gedateerd 25 februari 2010 dat diezelfde dag kracht van gewijsde heeft gekregen (referentie: 13.B.2646/2009/33 (gelast).
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot vonnis 2 heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van 1 jaar en 6 maanden respectievelijk 1 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straffen resteren 1 jaar en 6 maanden respectievelijk 8 maanden en 12 dagen. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW (vonnis 1)
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in onderdeel d) van het EAB onder 3.4 het volgende verklaard:
De beslissing is niet persoonlijk aan betrokkene betekend, maar
- de beslissing zal hem na de overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend; en;
- de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; en
- de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen. Het verzet is niet aan een termijn gebonden.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing.
4. Strafbaarheid
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
Medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd.
5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9 OLW
De verdediging heeft aangevoerd dat in het EAB is vermeld dat in Hongarije een vrijheidsstraf van minder dan vijf jaar verjaart bij het verstrijken van vijf jaar. Van omstandigheden als vermeld in sectie f) van het EAB waardoor de verjaring is onderbroken, is geen sprake.Volgens de raadsman dient de overlevering voor het vonnis van 25 februari 2010 dan ook te worden geweigerd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van de door de uitvaardigende autoriteit in het EAB vermelde informatie, te weten dat de vrijheidsstraffen waarop het EAB ziet zullen verjaren op 20 november 2022.
De rechtbank stelt vast dat in het EAB is vermeld: “Op grond van de bovenstaande wetsartikelen en de rechtspraktijk, refererend aan de data waarop de binnenlandse en Europese aanhoudingsbevelen uitgevaardigd zijn, verjaren de vrijheidsstraffen op 20 november 2022.”
Met de officier van justitie ziet de rechtbank in het verweer van de raadsman, gelet op het in het overleveringsrecht geldende vertrouwensbeginsel, geen aanleiding te twijfelen aan door de uitvaardigende autoriteit verstrekte informatie over de verjaringstermijn van de feiten waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht. Het verweer wordt verworpen.
6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerst lid, aanhef en onder b, OLW
De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering dient te worden geweigerd omdat het bij alle feiten gaat om diefstallen die hebben plaatsgevonden in Italië en niet in Hongarije. Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, OLW wordt overlevering niet toegestaan indien sprake is van een strafbaar feit dat is gepleegd buiten de uitvaardigende lidstaat, terwijl naar Nederlands recht geen vervolging zou kunnen worden ingesteld indien het feit buiten Nederland zou zijn gepleegd. Van een dergelijke situatie is in dit geval sprake, aldus de raadsman.
De rechtbank overweegt het volgende. Anders dan de raadsman heeft gesteld, is geen sprake van een situatie waarin naar Nederlands recht geen vervolging zou kunnen worden ingesteld indien in een analoog geval het feit buiten Nederland zou zijn gepleegd. Omdat de opgeëiste persoon de Hongaarse nationaliteit heeft, moet bij de beantwoording van de vraag of Nederland in een analoog geval rechtsmacht zou hebben, worden uitgegaan van een persoon met de Nederlandse nationaliteit. Artikel 7, eerste lid, Wetboek van Strafrecht bepaalt dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld. Indien een Nederlander zich buiten Nederland schuldig zou maken aan diefstallen, zou hij daarvoor dus in Nederland kunnen worden vervolgd. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, OLW is in dit geval dus niet van toepassing. De rechtbank verwerpt het verweer.
7. Detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat
De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd omdat de uitvaardigende justitiële autoriteit geen garantie heeft gegeven dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering zal worden geplaatst in de detentie-instellingen in Szombately of Tiszalök.
De officier van justitie heeft verzocht om aanhouding van de zaak om de reactie van de uitvaardigende justitiële autoriteit op het bij brief van 22 juli 2019 gedane verzoek om een garantie voor plaatsing in één van de twee genoemde instellingen af te wachten.
De rechtbank overweegt het volgende.
In zijn arrest van 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 78) heeft het Europese Hof van Justitie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.
Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen (Aranyosi en Căldăraru, punten 88-89).
De rechtbank stelt voor wat betreft de detentieomstandigheden in Hongarije het volgende vast:
De meest recente veroordeling van Hongarije wegens schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dateert van 5 juli 2016 (Bandur/Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2016:07050705JUD005013012) en zag op een detentie in 2012. Sindsdien heeft het EHRM alleen beslissingen genomen waarbij klachten over detentieomstandigheden in Hongarije niet-ontvankelijk zijn verklaard, hetzij omdat de klager geen gebruik had gemaakt van de nieuwe Hongaarse regeling die zowel in preventieve als in compensatoire rechtsmiddelen tegen slechte detentieomstandigheden voorziet ((Domján/Hongarije, 14 november 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:1114DEC000543317, hetzij omdat de klager wel gebruik had gemaakt van die regeling, maar de nationale klacht nog hangende is (Fülöp/Hongarije, 31 januari 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:0131DEC001401015 betreffende een klacht bij het EHRM uit 2015) of de klacht is afgedaan met een adequate vergoeding, zodat klager niet langer de status van slachtoffer van een schending van artikel 3 EVRM heeft (Magyar/Hongarije, 29 november 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:1129DEC003326216 betreffende een klacht bij het EHRM uit 2016). In de zaak Molnár e.a./Hongarije, 31 december 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:1213DEC000710112) zijn op deze wijze 305 klachten bij het EHRM niet-ontvankelijk verklaard, waarvan de oudste dateerde uit 2012 en de meest recente uit 2015. De rechtbank is niet op de hoogte van klachten over de detentieomstandigheden in Hongarije bij het EHRM die dateren van na 2015.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het meest recente algemene rapport van het CPT over de detentiecentra in Hongarije dateert van 30 april 2014 op basis van een bezoek in 2013. Meer recente rapporten van het CPT zien met name op de border police, immigration and asylum detention centres en transit-zones. Op dit moment is een nieuw rapport in voorbereiding op basis van een bezoek in november 2018.
Gelet op het voorgaande is de vraag of de rechtspraak van het EHRM en de bevindingen van het CPT nog wel kunnen worden aangemerkt als “naar behoren bijgewerkte gegevens” waarop de conclusie kan worden gebaseerd dat gedetineerden in Hongarije in het algemeen een reëel risico van onmenselijke of vernederende behandeling lopen.
De rechtbank acht het noodzakelijk partijen in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten en eventueel zo mogelijk nieuwe gegevens over te leggen over tot de huidige detentieomstandigheden in Hongarije.
De rechtbank zal om die reden het onderzoek ter zitting heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd.
8. Beslissing
HEROPENT het onderzoek ter zitting;
SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd;
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum met tijdig bericht aan zijn raadsman;
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Hongaarse taal tegen de nader te bepalen datum en tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. C.A. van Dijk, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en H.E. Hoogendijk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 6 augustus 2019.
De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.