De grenzen van het recht op nakoming
Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/3.4:3.4 Conclusie
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/3.4
3.4 Conclusie
Documentgegevens:
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS373932:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De schuldeiser die nakoming vordert, moet het bestaan van de overeenkomst en de voor de schuldenaar daaruit voortvloeiende verbintenis stellen en bij tegenspraak bewijzen. Hij hoeft niet te stellen dat zijn wederpartij niet is nagekomen of is tekortgeschoten, omdat het recht op nakoming geen gevolg is van een tekortkoming, maar rechtstreeks voortvloeit uit de verbintenis uit overeenkomst.
Een meer nauwkeurige blik op de subonderdelen van het tekortkomingsvereiste leert echter dat het verschil in stelplichten tussen de remedies minder groot is dan het op het eerste gezicht lijkt. Zo geldt ten aanzien van de opeisbaarheid een subvereiste van de tekortkoming — een vergelijkbare stelplicht voor een schuldeiser die nakoming vordert als voor een schuldeiser die één van de andere remedies inroept. Een schuldeiser die nakoming vordert, dient namelijk te stellen dat de verbintenis die de wederpartij op zich had genomen opeisbaar is, of welk belang hij heeft bij een toewijzend vonnis van een nog niet-opeisbare verbintenis. Ten aanzien van het verzuimvereiste bestaat wél een reëel verschil met de op tekortkoming gebaseerde remedies. Anders dan voor schadevergoeding en ontbinding is verzuim geen vereiste voor nakoming. Vooral op het punt van de ingebrekestelling levert het ontbreken van het verzuimvereiste voor nakoming een verlichting op in de stelplichten. Dit verschil moet echter niet worden overtrokken, omdat de schuldeiser die nakoming vordert in de praktijk toch vaak een ingebrekestelling zal versturen, al is hij daarbij niet gebonden aan de formele vereisten van art. 6:82 lid 1. Een schuldeiser die nalaat zijn wederpartij tot nakoming aan te sporen, zal zijn vordering tot nakoming niet afgewezen zien, maar loopt het risico dat de rechter hem in de proceskosten veroordeelt als de schuldenaar zich ter zitting bereid verklaart na te komen.
Een niet-consumentkoper die vervanging vordert van een door de verkoper geleverde gebrekkige zaak dient naar Nederlands recht te stellen dat de verkoper een zaak heeft geleverd die niet aan de overeenkomst voldoet (art. 7:21 lid 1 onder c jo. art. 7:17). Er is geen reden om die stelplicht, naar model van het Weens Koopverdrag, op te tuigen met een stelplicht ten aanzien van het feit dat de non-conformiteit voldoende ernstig is om vervanging te rechtvaardigen. Betoogd is, dat de tenzij-formules van zowel vervanging (art. 7:21 lid 1 onder c) als ontbinding (art. 6:265 lid 1) voldoende zijn toegespitst op het ecarteren van lichtvaardig ingestelde vorderingen.