Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/8.1:8.1 Inleiding
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/8.1
8.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS300640:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk worden de mogelijke juridische grondslagen besproken voor een vordering gebaseerd op — kort gezegd — het ongelegitimeerd afbreken van onderhandelingen, zij het op basis van rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen, zij het op basis van "andere omstandigheden" die maken dat het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar is. Allereerst zal kort worden ingegaan op de juridische grondslag voor aansprakelijk wegens ongelegitimeerd afgebroken onderhandelingen in de contractuele fase, waarin sprake is van een rompovereenkomst of een andere contractuele verplichting tot (door)onderhandelen (par. 8.2). Vervolgens concentreer ik mij op het afbreken van onderhandelingen in de pre-contractuele fase. Aan de orde zullen in dat kader achtereenvolgens komen, na een korte theoretische verhandeling over de mogelijke bronnen van verbintenissen (par. 8.3), de redelijkheid en billijkheid als eventuele zelfstandige bron van verbintenissen (par. 8.4.1), de onrechtmatige daad als grondslag en de rechtsfiguren van de ongerechtvaardigde verrijking, de onverschuldigde betaling en de zaakwaarneming (par. 8.4.4 t/m 8.4.7). Ik besluit met een korte verhandeling over de zogenaamde schadevoorkomingsplicht als eventuele bron (par. 8.4.8) en mijn conclusie (par. 8.5).
Niet alleen voor wat betreft de juridische grondslag voor aansprakelijkheid wegens het afbreken van onderhandelingen in het stadium waarin dit partijen (of één van hen) niet meer vrij staat, bestaat geen eenduidigheid (hoewel er m.i. wel sprake is van een grootste gemene deler). Dit zelfde geldt eveneens (of, beter gezegd: in veel sterkere mate) voor de aansprakelijkheid voor wat met betrekking tot de in hfdst. 3 en hfdst. 4 behandelde driefasenleer werd aangeduid als de "tweede fase", ofwel de situatie waarin het weliswaar voor beide partijen nog mogelijk is de onderhandelingen eenzijdig niet-schadeplichtig af te breken, maar waarin de afbrekende partij wel gehouden kan worden om de kosten die de andere partij heeft gemaakt, te vergoeden. Over de juridische grondslagen voor een vergoedingsplicht in deze laatst bedoelde situatie is in hfdst. 4 van dit boek al uitvoerig ingegaan. Ik laat dit aspect hier dan ook verder onbesproken.