HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/314 m.nt. Buruma.
HR, 19-11-2024, nr. 22/01912
ECLI:NL:HR:2024:1656, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-11-2024
- Zaaknummer
22/01912
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1656, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑11‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:3017, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:757
ECLI:NL:PHR:2024:757, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1656
- Vindplaatsen
Uitspraak 19‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangever in zijn eigen auto (art. 282.1 Sr). Bewijsklacht. Steunt bewezenverklaring op inhoud van in bijlage bij arrest opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/01892.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01912
Datum 19 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 mei 2022, nummer 22-001311-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. van Eenennaam, advocaat in Leiden, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze veertien maanden en twee weken, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2024.
Conclusie 24‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven (art. 282 Sr). 1. Klacht dat bewezenverklaring niet steunt op opgenomen bewijsmiddelen. 2. Klacht m.b.t. overschrijding redelijke termijn in cassatiefase. Conclusie strekt tot vernietiging, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige (81 RO). Samenhang met 22/01892.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/01912
Zitting 24 september 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 13 mei 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven", veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft daarnaast de vordering van de benadeelde partij [aangever] gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/01892. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. van Eenennaam, advocaat in Leiden, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het hof heeft in het bestreden arrest ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 22 juli 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door
- die [aangever] met een smoes (op de bestuurdersstoel) van zijn, [aangever] , auto (een Mercedes Benz met kenteken [kenteken] ) te laten plaatsnemen en vervolgens
- die [aangever] in een nekklem vast te pakken en een knietje in zijn ribbenkast te geven en enkele vuistslagen tegen zijn hoofd te geven en
- die [aangever] op de achterbank van zijn auto te trekken en vervolgens
- die [aangever] in zijn auto te vervoeren en te beletten om zijn auto te verlaten en
- de telefoon van die [aangever] af te pakken en
- een hard voorwerp tegen de rug van [aangever] te duwen en
- die [aangever] uit zijn auto te sleuren en vervolgens in een andere auto (een Volkswagen Golf) te duwen.”
Het eerste middel
4.1 Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. De bewezenverklaring zou niet steunen op de inhoud van in de bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.
4.2 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de raadsman in hoger beroep het verweer heeft gevoerd, dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde zijn telefoon kwijt was geraakt en niet de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Het hof zou niet hebben overwogen dat de geschetste gang van zaken onaannemelijk is geworden dan wel dat een dergelijke lezing zo onwaarschijnlijk is dat zij geen weerlegging behoeft. Het hof zou zich, in reactie op dit verweer, hebben beroepen op het voor de bewezenverklaring redengevende feit, dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . De bewijsmiddelen zouden dit gegeven niet bevatten en het hof zou onvoldoende nauwkeurig bovengenoemd feit in zijn bewijsoverweging hebben aangeduid en onvoldoende nauwkeurig het wettige bewijsmiddel hebben aangegeven waaraan het hof dat feit heeft ontleend.
4.3 De bewezenverklaring berust onder meer op de volgende in de bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen:
“4. Een proces-verbaal van bevindingen gebruiker telefoonnummer [telefoonnummer 1] d.d. 18 oktober 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als relaas van de betreffende verbalisant:
In het kader van onderzoek Echo19 heb ik onderzoek gedaan aan de hand van de opgevraagde historische verkeersgegevens, wie de gebruiker was van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 1]. Hieruit heb ik het volgende bevonden:
Gebruikte zendmast
Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] het meest van één basisstation gebruik maakt:
- Basisstation: [a-straat 1] te [plaats]
Dit basisstation heeft het verblijfadres [b-straat 1] te [plaats] van [plaats] onder zijn bereik.
CIOT
Bij navraag bij het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT) op telefoonnummer [telefoonnummer 1] blijkt dat dit telefoonnummer niet op naam staat.
Politiesystemen
Ik zag in de geautomatiseerde politiesystemen dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] meerdere malen was geregistreerd.
19 juli 2019: [plaats] belt met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] naar de meldkamer van de politie eenheid Den Haag om een overlast melding te doen.
9 december 2019: Er wordt met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] gebeld naar de meldkamer van de politie eenheid Den Haag om een ongeval te melden op het adres [b-straat 1] te [geboorteplaats] . Dit betreft het BRP adres van [plaats] .
8 november 2018: [plaats] belt met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] naar de meldkamer van de politie eenheid Den Haag.
11 augustus 2018: [plaats] belt met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] naar de meldkamer politie eenheid Den Haag.
Contacten telefoonnummer [telefoonnummer 2]
Uit de opgevraagde historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 1], blijkt dat dit telefoonnummer veelvuldig contact heeft met de navolgende telefoonnummers:
- [telefoonnummer 3] : Ik zag dat dit telefoonnummer bij het CIOT op naam stond van: [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1989. Ik zag in de politiesystemen dat dit de ex vriendin was van [plaats] en tevens de moeder van één van zijn kinderen.
- [telefoonnummer 4] : Ik zag dat dit telefoonnummer bij het CIOT op naam stond van: [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1962. Ik zag in de Basis Registratie Personen (BRP) dat dit de moeder van [plaats] betrof.
- [telefoonnummer 5] : Ik zag dat dit telefoonnummer bij het CIOT op naam stond van: [betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 1987. Ik zag in het BRP dat [betrokkene 3] de zwager was van [plaats] .
- [telefoonnummer 6]: Ik zag dat dit telefoonnummer bij het CIOT op naam stond van: [betrokkene 4] , geboren op [geboortedatum] 1986. Ik zag in het BRP dat [betrokkene 4] de moeder is van drie van de kinderen van [plaats] .
- [telefoonnummer 7]: Ik zag dat dit telefoonnummer bij het CIOT op naam Stond van: [betrokkene 5] , geboren op [geboortedatum] 1956. Ik zag in het BRP dat dit de vader van [plaats] betrof.
- [telefoonnummer 8]: Ik zag dat dit telefoonnummer bij het CIOT op naam stond van: [betrokkene 6] , geboren op [geboortedatum] 1983. Ik zag in het BRP dat dit de zus van [plaats] betrof.
Auditieve observatie van het telefoonnummer [telefoonnummer 1]
In onderzoek Echol9 is het telefoonnummer [telefoonnummer 1] auditief geobserveerd vanaf 23 juli 2019.
Op 24 juli 2019 heeft de gebruiker van het telefoonnummer telefonisch contact met de ING bank. De gebruiker van het telefoonnummer noemt in dit telefoon gesprek zijn naam [verdachte] . Zijn geboortedatum [geboortedatum] 1985 en zijn postcode en huisnummer [c-staat 1] .
Gebruiker telefoonnummer [telefoonnummer 1]
Gelet op het vorenstaande, stel ik vast dat de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] de volgende persoon betreft:
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [plaats]
5. Een proces-verbaal van bevindingen stemherkenning verdachte [verdachte] d.d. 26 november 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Verhoor verdachte [verdachte]
Op maandag 18 en dinsdag 19 november 2019, werd de verdachte [verdachte] door mij, verbalisant, als verdachte gehoord ter zake een wederrechtelijke vrijheidsberoving gepleegd 22 juli 2019. Naar aanleiding hiervan is het onderzoek ECH019 opgestart. Gedurende deze verhoren heb ik uitgebreid met de verdachte kunnen praten en luisteren.
Onderzoek telecom
In de loop van het onderzoek bleek dat één van de verdachten, van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, gebruik maakte van het mobiele nummer [telefoonnummer 1]. Onderzoek heeft aangetoond dat dit mobiele nummer in gebruik was bij [verdachte] .
Auditieve observatie van het telefoonnummer [telefoonnummer 1]
In het onderzoek Echo19 is het telefoonnummer [telefoonnummer 1] auditief geobserveerd vanaf 23 juli 2019. Op 24 juli 2019 heeft de gebruiker van dit telefoonnummer telefonisch contact met de ING bank. De gebruiker van dit telefoonnummer noemt in dit telefoon gesprek zijn naam [verdachte] .
Beluisteren gesprekken auditieve observatie
Ik heb een drietal gesprekken beluisterd afkomstig van de auditieve observatie op het mobiele nummer: [telefoonnummer 1] .
Ik hoorde bij gesprek 2 en gesprek 3 dat er contact werd gelegd met de Sociale Verzekeringsbank afdeling PGB. Ik hoorde dat in beide gesprekken de beller zich voorstelde als [verdachte] .
Daarnaast hoorde ik dat in gesprek 3 de beller gevraagd werd naar zijn bsn nummer. Ik hoorde dat de beller dit uit zijn hoofd kende.
Ik hoorde dat de stem van de beller van deze gesprekken overeenkwam met de stem van de persoon die ik op 18 en 19 november 2019 als verdachte had gehoord. De intonatie, beleefde wijze van praten, de klank en, het tempo kwamen geheel overeen.”
4.4
Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen:
“Nadere bewijsoverweging
De verdachte heeft ontkend betrokken te zijn bij de tenlastegelegde feiten en heeft zich op de terechtzitting in hoger beroep op zijn zwijgrecht beroepen.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde. De raadsman heeft, voor zover in het licht van het bewezenverklaarde van belang, – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte de gebruiker is van telefoonnummer [telefoonnummer 1] in de periode van en rond het tenlastegelegde feit. Evenmin kan worden bewezen dat de verdachte in de Mercedes heeft gezeten waar het slachtoffer in eerste instantie in is ontvoerd, zodat enige betrokkenheid van zijn kant daarbij niet is komen vast te staan.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent als volgt.
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt van de navolgende feitelijke gang van zaken.
[aangever] (hierna: de aangever) is in de vroege avond van maandag 22 juli 2019 door een aantal mannen ontvoerd. Hij is in [plaats] met geweld in zijn eigen auto, een Mercedes, meegenomen en vervolgens in [plaats] , in de auto van de medeverdachte [betrokkene 7] geplaatst. Vervolgens is de aangever overgebracht naar een woning gelegen aan het [d-straat 1] te [plaats] - de woning van medeverdachte [betrokkene 8] - waar hij tot en met woensdag 24 juli 2019 is vastgehouden en bedreigd. De broer van de aangever werd gedurende de vrijheidsberoving meermalen telefonisch onder druk gezet om losgeld te betalen. Pas na het betalen van het losgeld, zou de aangever worden vrijgelaten. Op 24 juli 2019 is de aangever door medeverdachte [betrokkene 9] meegenomen naar zijn eigen huis in [plaats] , alwaar de politie een einde heeft gemaakt aan de situatie.
Het hof gaat ervan uit dat de verdachte degene is geweest die de Mercedes heeft bestuurd toen de aangever daarin werd ontvoerd. Het hof leidt dat af uit de navolgende feiten en omstandigheden, zoals die uit de bewijsmiddelen blijken.
Uit het opsporingsonderzoek van de politie volgt naar het oordeel van het hof overtuigend dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . De enkele suggestie van de raadsman dat de telefoon mogelijk (tijdelijk) van de verdachte is gestolen of is uitgeleend aan iemand die wel betrokken was bij de ontvoering, legt, in het licht van de bewijsmiddelen ter zake, onvoldoende gewicht in de schaal om tot een andere conclusie te komen. Het hof gaat er bij het hiernavolgende vanuit dat waar de basisstationgegevens en de historische verkeersgegevens het telefoonnummer van de verdachte vermelden, de verdachte op dat moment de gebruiker was van die telefoon.
Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat het telefoonnummer van de verdachte in de maand juli 2019 op meerdere dagen, voorafgaand aan de ontvoering enkele malen telefonisch contact heeft gehad met de medeverdachten [betrokkene 10] en [betrokkene 7] . Voorts volgt uit de gecombineerde basisstationgegevens dat het telefoonnummer van de verdachte zich op meerdere dagen in juli 2019 en ook op 22 juli 2019 voorafgaand aan de ontvoering/vrijheidsberoving bevond in de omgeving van de woning van de aangever, als ook (de telefoons van) [betrokkene 10] en/of [betrokkene 7] zich daar blijken die basisstationgegevens bevinden. De ontvoering vond op 22 juli 2019 plaats rond 19:35 uur. Uit de gecombineerde basisstationgegevens volgt dat de telefoon van de verdachte de route volgt die de aangever - dan van zijn vrijheid, beroofd - in de Mercedes aflegt van [plaats] naar [plaats] , de plek, waar aangever rond 20:00 uur is overgeheveld naar de Volkswagen Golf van [betrokkene 7] . Gedurende de rit heeft, de verdachte meermalen telefonisch contact gehad met [betrokkene 7] die op dat moment in zijn Volkswagen Golf dezelfde route aflegde als de Mercedes. Op camerabeelden is vervolgens te zien dat om 20:05:45 uur de Mercedes in Boskoop wordt geparkeerd, op de plaats waar de Mercedes van de aangever later door de politie is teruggevonden. Op camerabeelden is om 20:09:52 uur een man te zien die, naar het zich laat aanzien, uit de geparkeerde Mercedes komt en even later een voorwerp in zijn hand houdt en vervolgens aan zijn oor. Het hof begrijpt daaruit dat dit voorwerp een telefoon is. Rond genoemd tijdstip, te weten om 20:10:41 uur, wordt, met de telefoon van de verdachte een basisstation in Boskoop aangestraald. Er wordt dan contact gelegd met het telefoonnummer van [betrokkene 7] , die op dat moment, kennelijk na te zijn vertrokken uit [plaats] , op de route naar [plaats] gebruik maakt van een basisstation in Bodegraven. Op 23 juli 2019 heeft de telefoon van de verdachte overigens wederom een basisstation aangestraald in de omgeving van Boskoop waar de Mercedes geparkeerd stond.
De aangever heeft over het moment van overheveling verklaard dat zij in [plaats] met zijn vijven waren aangekomen in de Mercedes. De aangever is toen – nadat hem een hard voorwerp in zijn rug was gezet, met een stevige houdgreep uit zijn Mercedes gehaald en vervolgens achterin een zwarte Volkswagen Golf gezet. De man die hij kende als [betrokkene 7] (het hof begrijpt: verdachte [betrokkene 7] ) was de bestuurder en zat in zijn eentje in de Golf. [betrokkene 10] ging naast de aangever achterin zitten, aan de andere kant stapte eveneens iemand naast aangever in. Ook op de passagiersstoel nam iemand plaats. De aangever heeft nog gezien dat zijn eigen auto is weggereden. De Golf is van daaruit via de A12 richting de woning in [plaats] gereden.
Het hof stelt allereerst vast dat niet alle inzittenden van de Mercedes in de Volkswagen Golf zijn gestapt. Het hof gaat er op grond van het voorgaande - en nu op geen enkele manier van het tegendeel is gebleken - voorts vanuit dat diegene die de Mercedes vanuit Den Haag naar de overhevelplek in [plaats] heeft gereden, dezelfde persoon is die direct daarop met de Mercedes is doorgereden naar het nabij gelegen Boskoop en deze aldaar heeft geparkeerd. Het hof sluit uit dat de verdachte, zoals de raadsman heeft gesuggereerd, vanuit [plaats] is meegereden met [betrokkene 7] in de Volkswagen Golf, nu dat zich niet verdraagt met het feit dat de verdachte in die tijdspanne meermalen met [betrokkene 7] heeft gebeld. Evenmin gaat het hof mee in de suggestie van de raadsman dat de verdachte mogelijk in een derde auto heeft gereden van [plaats] naar [plaats] ; noch de aangever, noch [betrokkene 7] of [betrokkene 10] verklaren in het kader van de afgelegde route van [plaats] naar [plaats] immers over andere auto's dan de Mercedes en de Volkswagen Golf en het dossier biedt ook overigens geen concrete aanknopingspunten voor deze gesuggereerde gang van zaken.
Met als vertrekpunt dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde de gebruiker is van telefoonnummer [telefoonnummer 1] , komt het hof in het licht van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie dat het de verdachte is geweest die bij de ontvoering de Mercedes, heeft bestuurd en deze vervolgens - na de overheveling van de aangever naar de Volkswagen Golf en het uitstappen van de overige inzittenden in [plaats] - heeft geparkeerd in Boskoop”.
4.5
Het hof heeft het door de raadsman gevoerde verweer, dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte de gebruiker is van telefoonnummer [telefoonnummer 1] in de periode van en rond het tenlastegelegde feit, verworpen en heeft hieromtrent onder meer overwogen dat, zoals hierboven reeds weergegeven, uit “het opsporingsonderzoek van de politie volgt” dat “de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] ”. Het hof heeft geoordeeld dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte gebruiker was van het voornoemde telefoonnummer en, zo volgt, dat het door de verdachte aangevoerde scenario zijn weerlegging vindt in de bewijsmiddelen.1.
4.6
Het hof doelt, zo begrijp ik, specifiek op de bewijsmiddelen 4 en 5. Uit het proces-verbaal van bevindingen gebruiker telefoonnummer (bewijsmiddel 4) blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] het meest gebruik maakt van één basisstation en dat dit basisstation het verblijfadres van de verdachte onder zijn bereik heeft, dat de verdachte in de periode van 11 augustus 2018 tot en met 19 juli 2019 meerdere malen met bovengenoemd nummer de politie heeft gebeld, dat dit telefoonnummer veelvuldig contact heeft met de ex van de verdachte, de moeder van verdachtes kinderen en de familie van de verdachte, dat de verdachte met het telefoonnummer op 24 juli 2019 heeft gebeld met de ING bank en in dat gesprek zijn naam, geboortedatum, postcode en huisnummer noemt. Uit het proces-verbaal van bevindingen stemherkenning (bewijsmiddel 5) blijkt dat de stem van de beller van een drietal gesprekken afkomstig van de auditieve observatie overeenstemmen met de stem van de persoon die op 18 en 19 november 2019 als verdachte is verhoord.
4.7
In ’s hofs overweging dat de “enkele suggestie van de raadsman dat de telefoon mogelijk (tijdelijk) van de verdachte is gestolen of is uitgeleend aan iemand die wel betrokken was bij de ontvoering” in “het licht van de bewijsmiddelen ter zake, onvoldoende gewicht in de schaal [legt] om tot een andere conclusie te komen”, ligt besloten dat de geschetste alternatieve gang van zaken, gelet op – zo begrijp ik – de zeggingskracht van bewijsmiddelen 4 en 5, niet aannemelijk is geworden.
4.8
Het hof heeft zich, in reactie op het door de raadsman gevoerde bewijsverweer geenszins beroepen op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens en het kan, om die reden, evenmin gezegd worden dat de bewezenverklaring niet steunt op de inhoud van in de bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.
4.9
Het middel faalt.
Het tweede middel
5. Het tweede middel bevat de klacht dat de berechting van de verdachte niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, nu de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
5.1
Op 25 mei 2022 is namens de verdachte beroep in cassatie is ingesteld. De stukken van het geding zijn op 25 april 2023 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden met drie maanden. Dit dient tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf te leiden.2.
5.2
Het middel slaagt.
Slotsom
6. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Het tweede middel slaagt.
6.1
Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 25 mei 2022. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase zal worden overschreden. Dit dient eveneens te leiden tot vermindering van de gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑09‑2024
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.3.