Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland
Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/3.2.3:3.2.3 De Lex Hartogh
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/3.2.3
3.2.3 De Lex Hartogh
Documentgegevens:
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS499512:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1896 heeft, met de invoering van de zogenoemde Lex Hartogh, een versoepeling van de vereisten voor het leggen van conservatoir beslag plaatsgevonden, die betrekking had op het vereiste van vrees voor verduistering. Cleveringa schreef (in 1972), in een toelichting op het toenmalige artikel 727 Rv, dat daar waar aanvankelijk vereist was dat de beslaglegger aantoonde dat de schuldenaar had aangevangen zijn roerende goederen te verduisteren, dit is versoepeld en uitgebreid naar een gegronde vrees voor verduistering van roerende of onroerende goederen door de schuldenaar. Voorts diende de schuldeiser feiten te stellen – en zo nodig aannemelijk maken – die vrees wettigen voor verduistering. Als voorbeeld noemt Cleveringa de uitlating van een schuldenaar dat ‘hij zal zorgen dat de schuldeiser geen cent krijgt’.1 In de huidige wetgeving is de vrees voor verduistering nog slechts opgenomen als voorwaarde in een beperkt aantal gevallen van verhaalsbeslag.2 De Beslagsyllabus noemt als vereiste in dit verband het vermelden van ‘vrees voor verduistering en de gronden waarop deze steunt’.3 Hoewel deze wijziging op het eerste gezicht wellicht wat semantisch aandoet, is gebleken dat dit in de praktijk heeft geleid tot een beoordeling, afhankelijk van de werkwijze van de voorzieningenrechter, die in veel gevallen weinig meer om het lijf heeft.4