Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/3.3.2.1
3.3.2.1 Taken en bevoegdheden van de organen
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS481372:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Ik verwijs onder meer naar Handboek 1992, nrs. 231 en 232; Asser-Maeijer 2-III, nrs. 290 en 291; Van Schilfgaarde/Winter 2009, nr. 42; Slagter 2005, p. 313; Beckman 1994, p. 556 e.v.; Asser- Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 390; en Assink 2009, p. 61.
HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 m.nt.Ma. en JOR 2007/178 m.nt. NieuweWeme (ABN AMRO). Zie met name r.o. 4.3: ‘De Ondernemingskamer heeft in rov. 3.17 terecht en in cassatie onbestreden vooropgesteld (i) dat het bepalen van de strategie van een vennootschap en de daaraan verbonden onderneming in beginsel een aangelegenheid is van het bestuur van de vennootschap,…’. Van meer recente datum is HR 9 juli 2010, NJ 2010, 544, m.nt. Van Schilfgaarde en JOR 2010/228 m.nt. Van Ginneken (ASMI).
OK 17 januari 2007, JOR 2007/42 m.nt. Blanco Fernández (Centaurus c.s./Stork). Ik citeer uit r.o. 3.14:’Discussies daaromtrent [ dat wil zeggen omtrent het ondernemingsbeleid, JvM] dienen te worden gevoerd in het kader van het Nederlandse vennootschapsrecht en heersende opvattingen omtrent corporate governance, die er kort gezegd op neerkomen dat het bepalen van de strategie in beginsel een aangelegenheid is van het bestuur, …’.
Dit principe luidt als volgt: ‘Het bestuur is belast met het besturen van de vennootschap, hetgeen onder meer inhoudt dat het verantwoordelijk is voor de realisatie van de doelstellingen van de vennootschap, de strategie met het bijbehorende risicoprofiel, de resultatenontwikkeling en de voor de onderneming relevante maatschappelijke aspecten van ondernemen.’. De Code is slechts van toepassing op vennootschappen met statutaire zetel in Nederland waarvan de aandelen of certificaten van aandelen zijn toegelaten tot een effectenbeurs (preambule punt 2). Aangezien principes kunnen worden opgevat als breed gedragen algemene opvattingen over goede corporate governance, mag men er van uitgaan dat ze ook van toepassing op de bestuurstaak van naamloze en besloten vennootschappen die niet beursgenoteerd zijn.
Voor het bepalen van die grenzen is met name het zogenaamde instructierecht van belang. Dat zal in par. 3.3.2.2.1 aan de orde komen.
Hierbij moet gedacht worden aan bijeenroeping van de algemene vergadering van aandeelhouders (artt. 2:108/218 e.v. BW), en aan het verschaffen inlichtingen aan de algemene vergadering van aandeelhouders (art. 2:107/217 lid 2 BW) en aan de raad van commissarissen (art. 2:141/251 lid 1 BW).
Kamerstukken II 2001-2001, 28 179I, nr. 3, p. 18.
Het toezicht dient onder andere betrekking te hebben op de realisatie van de doelstellingen van de vennootschap, de strategie en de risico’s verbonden aan de ondernemingsactiviteiten, de opzet en de werking van de interne risicobeheersings- en controlesystemen, het financiële verslaggevingsproces, de naleving van wet- en regelgeving, de verhouding met de aandeelhouders, en de voor de onderneming relevante maatschappelijke aspecten van ondernemen.
Zie o.a. Asser-Maeijer-Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 487.
Indien het volledig structuurregime van toepassing is, dan berust de bevoegdheid bestuurders te benoemen en te ontslaan bij de raad van commissarissen in plaats van bij de algemene vergadering van aandeelhouders (art. 2:162/272 BW).
Art. 2:164/274 vormt de basis van het goedkeuringsrecht indien het structuurregime van toepassing is. Is dat niet het geval, dan kunnen de statuten de raad van commissarissen goedkeuringsbevoegdheden toekennen.
OK 16 oktober 2003, JOR 2003/260 m.nt. Brink en ARO 2003, 169 (Laurus).
OK 17 januari 2007, JOR 2007/42 m.nt. Blanco Fernández (Stork).
HR 9 juli 2010, NJ 2010, 544 m.nt. Van Schilfgaarde en JOR 2010/228 m.nt. Van Ginneken (ASMI). Ik verwijs in het bijzonder naar overweging 4.5.1 e.v.
Volgens Maeijer (Asser-Maeijer 2-III, nr. 254) blijkt het dwingendrechtelijke van de toebedeling uit het ontbreken van de zinsnede ‘tenzij bij de statuten anders is bepaald’ of woorden van gelijke strekking.
Asser-Maeijer-Van Solinge & Nieuwe Weme 2009 nr. 319; Klaassen 2007, p. 47; en Schwarz, Rechtspersonen (Kluwer), art. 107, aant. 2.
– Bestuur
Art. 2:129/239 lid 1 BW bepaalt dat de algemene taak van het bestuur bestaat in het besturen van de vennootschap. In de literatuur is breed gedragen dat besturen niet alleen de dagelijkse leiding en het beheer van het vermogen omvat, maar ook het voorbereiden en het bepalen van beleid en strategie, op kortere en op langere termijn, alsmede de uitvoering daarvan.1 De Hoge Raad2 en de Ondernemingskamer3 hebben zich in die zin uitgelaten, en principe II.1 van de Corporate Governance Code geeft evenzeer blijk van dit uitgangspunt.4 Tot de algemene bestuurstaak hoort ook het uitvoeren van besluiten die de algemene vergadering van aandeelhouders, met inachtneming van de haar toekomende bevoegdheden,5 heeft genomen. Uit de algemene bestuurstaak vloeit een aantal bijzondere taken voort, waaronder de verantwoordelijkheid voor het functioneren voor de inwendige structuur van de vennootschap.6
Het besturen van de onderneming maakt deel uit van het besturen van de vennootschap. De wetgever spreekt zich met zoveel woorden in die zin uit in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de structuurregeling.7 En hoewel de strekking daarvan is te voorkomen dat bestuurders bij hun handelen eigenbelang voorop stellen, treffen we het besturen van de onderneming ook in lid 5 van art. 2:129/139 BW: bestuurders hebben zich bij de vervulling van hun taak te richten op het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Zoals dat ook het geval is met het besturen van de vennootschap, maakt van het besturen van de onderneming deel uit het dragen van de verantwoordelijkheid voor het functioneren van de inwendige structuur. Hoewel de ondernemingsbegrippen in Boek 2 BW en de WOR van elkaar verschillen, mag men tot die verantwoordelijkheid ook de zorg voor een goede toepassing van de Wet op de ondernemingsraden rekenen.
– De raad van commissarissen
De belangrijkste taak van de raad van commissarissen is toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, en het bestuur met advies terzijde te staan (art. 2:140/250 lid 2 BW). Best practice bepaling 3.1.6 in de Corporate Governance Code (2008) geeft een concrete invulling aan het toezicht.8 Hoewel de Code niet van toepassing is op besloten vennootschappen en op naamloze vennootschappen die niet beursgenoteerd zijn, scheppen de daarin opgenomen bepalingen wel een zeker kader voor de binnen die vennootschappen functionerende raden van commissarissen.9 Belangrijke bevoegdheden die Boek 2 BW de raad van commissarissen toekent om zijn taak uit te oefenen zijn die tot schorsing van bestuurders (art. 2:147/ 257 lid 1 BW),10 en die tot het al dan niet verlenen van goedkeuring aan bepaalde voorstellen (artt. 2:312 lid 4 en 2:334f lid 4 BW) en aan ingrijpende bestuursbesluiten (art. 2:164/274 lid 1 BW).11 De betrokkenheid van de commissarissen en de intensiteit van hun toezicht behoren toe te nemen indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die de continuïteit van de onderneming in gevaar brengen, zo kan worden afgeleid uit de OK-uitspraak in de Laurus-zaak.12 In de Stork-beschikking overwoog de Ondernemingskamer dat uit de toezichtstaak van de raad van commissarissen zelfs een verplichting voortspruit een bemiddelende rol te spelen bij ernstige geschillen tussen het bestuur en aandeelhouders die een zodanige kwantitatieve positie innemen dat zij een rol van betekenis spelen in de vennootschap.13 Bedenken we ons dat de toezichtstaak van de commissarissen zich mede uitstrekt tot de met de vennootschap verbonden onderneming, dan zou een dergelijke verplichting ook bestaan indien de relatie van het bestuur met de ondernemingsraad ernstig verstoord is. In de ASMI-beschikking (ook hier betrof het een conflict tussen bestuur en aandeelhouders) heeft de Hoge Raad echter overwogen dat een verplichting te bemiddelen op gespannen voet staat met de beleidsvrijheid die de raad van commissarissen hoort te hebben bij de uitvoering van zijn taak.14 Dat neemt niet weg dat een raad van commissarissen er verstandig aan doet zich niet afzijdig te houden indien de verhouding van het bestuur met invloedrijke aandeelhouders of de ondernemingsraad ernstig verstoord is.
– De algemene vergadering van aandeelhouders
Boek 2 BW bevat geen bepaling inzake de taak van de algemene vergadering van aandeelhouders. Wel kent zij de algemene vergadering bevoegdheden toe: binnen de door de wet en de statuten gestelde grenzen, behoren alle bevoegdheden die niet aan het bestuur of aan anderen zijn toegekend toe aan de algemene vergadering van aandeelhouders (art. 2:107/217 lid 1 BW). Een aantal bevoegdheden kent de wet dwingendrechtelijk toe aan de algemene vergadering van aandeelhouders, ze kunnen niet bij wege van een statutaire bepaling aan een ander orgaan worden toegekend.15 Men spreekt ook wel van kernbevoegdheden.16 Hoewel het daarbij gaat om besluiten die betrekking hebben op de organen en op de structuur van de vennootschap, kan de algemene vergadering daarmee indirect ook invloed uitoefenen op de gang van zaken binnen de door de vennootschap in stand gehouden onderneming. Het gaat dan met name om de bevoegdheid tot benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders (artt. 2:132/242 lid 1 jo. 2:134/244lid 1 BW) en commissarissen (2:142/252 lid 1 jo 2:144/254 lid 1 BW), die tot statutenwijziging (art. 2:121/231 lid 3 BW) en die tot fusie (art. 2:317 lid 1 BW).