De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/16.1:16.1 Inleiding
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/16.1
16.1 Inleiding
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363685:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het tijdelijk aanstellen van een bestuurder is de meest voorkomende (onmiddellijke) voorziening. Deze bestuurder wordt in dit onderzoek aangeduid met “tijdelijke bestuurder”. Vaak geschiedt een dergelijke aanstelling in combinatie met een schorsing of ontslag van een of meer bestuurders die op de reguliere wijze zijn benoemd. Dergelijke bestuurders zullen in dit onderzoek worden aangeduid met “gewone bestuurders”. Een schorsing of ontslag kan ook zelfstandig worden uitgesproken.
Omdat deze (onmiddellijke) voorzieningen frequent voorkomen, is er relatief veel rechtspraak en literatuur over deze maatregelen voorhanden.
In par. 16.2 worden enkele technische aspecten van het toepassen van de desbetreffende (onmiddellijke) voorziening besproken. Bijvoorbeeld of rekening moet worden gehouden met de regels uit Boek 2 BW omtrent de benoeming, het ontslag en de schorsing van gewone bestuurders en welke typen bestuurders de ondernemingskamer kan benoemen. Par. 16.3 gaat over aard van de desbetreffende (onmiddellijke) voorziening. In dat kader komt onder meer ter sprake om wat voor redenen bestuurders kunnen worden geschorst en ontslagen, in hoeverre tijdelijke bestuurders verschillen van bijzondere bestuurders, waarom deze (onmiddellijke) voorzieningen zo’n grote impact hebben op het functioneren van de rechtspersoon en hoe deze (onmiddellijke) voorzieningen zich verhouden tot de redelijkheid en billijkheid.
Par. 16.4 en 16.5 bespreken de rechtsgevolgen van de desbetreffende (onmiddellijke) voorzieningen. De proportionaliteit daarvan komt ter sprake in par. 16.6. In dat kader komt ook aan de orde op welke gronden tijdelijke bestuurders kunnen worden ontslagen.
In par. 16.7 komen enkele vragen aan de orde die in de praktijk van groot belang blijken te zijn voor het functioneren van tijdelijke bestuurders. Het gaat om hun aansprakelijkheid en het afleggen van rekening en verantwoording. Het belang van deze kwesties voor de praktijk is dan reeds in par. 16.5.3 ter sprake gekomen.
Par. 16.8 bespreekt de vraag in hoeverre de positie van de tijdelijke bestuurder kan worden ingekleed door middel van de (onmiddellijke) voorziening tijdelijk afwijken van de statuten.