25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/27.5:27.5 Een algemeen uitgangspunt voor de wetgever?
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/27.5
27.5 Een algemeen uitgangspunt voor de wetgever?
Documentgegevens:
prof. mr. G.T.J.M. Jurgens, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. G.T.J.M. Jurgens
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor inspiratie over dat denken M. Schreuder-Vlasblom, ‘De identiteit van het bestuursrecht’, NTB 2016/3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de doorkruisingsjurisprudentie van de burgerlijke rechter wordt voor beantwoording van de vraag of de overheid het privaatrecht mag gebruiken om doelen te bereiken of belangen te dienen die ook een plaats hebben gekregen in het kader van een publiekrechtelijke bevoegdheid, grote betekenis toegekend aan het standpunt van de wetgever die de desbetreffende regeling maakte. In het licht van deze jurisprudentie moet de wetgever mijns inziens in ieder geval worden aangespoord om bij de totstandkoming of wijziging van wetgeving veel meer over die vraag na te denken en daarover uitdrukkelijk een standpunt in te nemen: positief of negatief.
In de visie van de Awb-wetgever zijn bestuursrecht en privaatrecht in beginsel van elkaar gescheiden gebieden; de toepasselijkheid van het privaatrecht spreekt niet vanzelf in bestuursrechtelijke verhoudingen en bestuursrecht en privaatrecht bestrijken elk een eigen terrein. In deze benadering is de rol van de wetgever nog veel groter dan in de benadering van de burgerlijke rechter: het is aan de wetgever om te bepalen dat het privaatrecht in bestuursrechtelijke verhoudingen kan worden gehanteerd. Als deze visie wordt verbreed, zou dat betekenen dat overal waar de wetgever een publiekrechtelijk instrumentarium introduceert waarmee de overheid haar beleidsdoelen kan realiseren, slechts een privaatrechtelijke route kan worden bewandeld als dat uitdrukkelijk in de wet is voorzien. Terugkijkend zijn het ook precies dat soort bepalingen die in de Awb zelf zijn opgenomen.
De doelstelling van de Awb was destijds met name gelegen in het brengen van meer eenheid in het bestuursrecht. Naast harmonisatie heeft de Awb in de loop der jaren een prominente bijdrage geleverd aan de verdere codificatie van het bestuursrecht. De emancipatie van het bestuursrecht, die mede door de Awb verder is bevorderd, maakt dat de positiebepaling van het bestuursrecht ten opzichte van andere rechtsgebieden om nadere articulatie vraagt. Ook daar speelt de Awb als centrale wet in het bestuursrecht een belangrijke rol: juist de keuze om bepaalde onderwerpen in de Awb te regelen en de wijze waarop die regeling wordt ingericht in het licht van hetgeen in andere deelgebieden van het recht is geregeld, vraagt erom dat de Awb-wetgever reflecteert op het karakter en de positie van het bestuursrecht.1 Die reflectie kan logischerwijs niet beperkt blijven tot hetgeen in de Awb is of zal worden geregeld. Daarmee overstijgt de Awb de bescheiden ambitie waarmee zij 25 jaar geleden begon. Ik zie juist bij die positiebepaling van het bestuursrecht een mooie toekomst voor de Awb in het verschiet.