Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/8.1
8.1 Plan van aanpak
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971996:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Titel 8, afdeling 1, Boek 2 BW. Ontoereikende informatieverstrekking kan een relevante omstandigheid zijn bij de beoordeling van een uittredingsvordering. Zie onder meer Rb. Rotterdam 3 februari 2021, JOR 2021/176 m.nt. P.P. de Vries (Infopact), alsmede par. 7 van de noot van De Vries en de verwijzingen aldaar.
Artikel 2:114a/224a BW. Ik merk hierbij op dat de voornaamste reden voor de invoering van het agenderingsrecht was gelegen in het bevorderen van de algemene vergadering als forum voor informatie-uitwisseling (zie Assink 2009, p. 46 en Kamerstukken II 2001/2002, 28 179, nr. 3 (MvT), p. 7).
Artikel 2:110/111 BW en artikel 2:220/221 BW.
Artikel 2:134/244 BW en artikel 2:144/254 BW ter zake van bestuurders respectievelijk commissarissen.
In de voorgaande hoofdstukken zijn de verschillende informatierechten van aandeelhouders behandeld alsmede de regulering van deze rechten. Informatierechten dreigen onder druk te komen juist in die situaties waarin de aandeelhouder daar het meest afhankelijk van is, bijvoorbeeld indien een geschil is ontstaan of ingeval van belangenverstrengeling binnen de vennootschapsleiding. In dergelijke gevallen dienen aandeelhouders hun informatierechten in rechte te kunnen afdwingen; ubi ius, ibi remedium. Van de reële dreiging van dergelijke remedies kan bovendien een preventieve werking uitgaan. Zonder remedies dreigen informatierechten daarentegen zinledig te worden. In dit hoofdstuk behandel ik de verschillende instrumenten die aandeelhouders ter beschikking staan bij de handhaving van hun informatierechten. Ik beperk mij daarbij tot het recht op inlichtingen ter vergadering en het informatierecht buiten vergadering op grond van artikel 2:8 BW. Voor de overige informatierechten, zoals contractuele informatierechten of enkele specifiek in de wet omschreven informatierechten,1 zal een nakomingsvordering bij het bevoegde gerecht doorgaans een oplossing kunnen bieden.
Ik begin in paragraaf 8.2 met de informatievordering, de vordering tot nakoming van een informatieplicht van de vennootschap. Hoewel dit ogenschijnlijk de meest voor de hand liggende wijze van handhaving van het informatierecht is, lijkt hier in de praktijk betrekkelijk weinig gebruik van te worden gemaakt. Vervolgens komt in paragraaf 8.3 het enquêterecht aan bod. Handhaving van informatierechten geschiedt hoofdzakelijk via de enquêteprocedure en de Ondernemingskamer vervult in dit verband een belangrijke rechtsvormende taak. Ik sta in deze paragraaf onder meer stil bij onmiddellijke voorzieningen waarmee het informatierecht van aandeelhouders kan worden gewaarborgd en de mate waarin het onderzoek als informatiebron kan dienen. In paragraaf 8.4 sta ik stil bij de mogelijkheid om besluitvorming aan te tasten bij ontoereikende informatievoorziening. Ik leg dit breed uit, en doel zowel op de vernietigingsactie als op de mogelijkheid tot opschorting van de besluitvorming, althans schorsing van de uitvoering van het besluit, en vergelijkbare acties tegen beslissingen. Ten slotte deel ik in paragraaf 8.5 enkele slotbeschouwingen. Ik sta daarbij met name stil bij de beperkte betekenis van de informatievordering in de praktijk. Dergelijke vorderingen worden maar zelden ingesteld, en nog sporadischer toegewezen. De rechtspraak van de Ondernemingskamer toont echter duidelijk dat er ruimte zou moeten bestaan voor dergelijke vorderingen.
Ik merk ten slotte nog op dat ik in dit hoofdstuk uitsluitend handhavingsinstrumenten behandel die rechtstreeks zien op de handhaving van informatierechten. Aandeelhouders beschikken echter over een breder arsenaal. Ik wijs bijvoorbeeld op de geschillenregeling,2 het agenderingsrecht3 en de geautoriseerde oproeping.4 De aandeelhouder kan zo bewerkstelligen dat ter vergadering een onderwerp wordt aangesneden waarover hij geïnformeerd wil worden. Ook kan de dreiging van schorsing of ontslag bijdragen aan de bereidheid van de vennootschapsleiding om informatie te verstrekken.5