Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.4.5.3:11.4.5.3 Standaardvoorwaarde 1: vermogen dat verdwijnt of het bereik van de vennootschapsbelasting verlaat
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.4.5.3
11.4.5.3 Standaardvoorwaarde 1: vermogen dat verdwijnt of het bereik van de vennootschapsbelasting verlaat
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491800:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Standaardvoorwaarde 1 luidt als volgt:
“1. Vermogensbestanddelen die door de afsplitsing ophouden te bestaan, dan wel na de overdracht niet meer aan de Nederlandse heffing van vennootschapsbelasting zijn onderworpen worden onmiddellijk voorafgaand aan het afsplitsingstijdstip gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer.
2. Schulden die door de afsplitsing verdwijnen worden onmiddellijk voorafgaand aan het afsplitsingstijdstip gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer van de schuldvorderingen die tegenover deze schulden staan. De vorige volzin vindt geen toepassing voor zover met betrekking tot de schuldvordering reeds een bedrag op de voet van de artikelen 13b of 13ba, Wet Vpb 1969 in aanmerking is genomen bij de rechtspersoon die de schuldvordering houdt of bij een met hem verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, Wet Vpb 1969.
3. Als de in het eerste lid bedoelde overdracht (mede) een deelneming betreft waarop artikel 13c, Wet Vpb 1969 van toepassing is, wordt de overdracht geacht een omstandigheid te zijn als aangeduid in artikel 13c, tweede lid, eerste volzin, Wet Vpb 1969.”
Als de latere heffing van vennootschapsbelasting niet (geheel) is verzekerd, is een fiscaal gefaciliteerde afsplitsing alleen mogelijk op verzoek.1 Standaardvoorwaarde 1 zorgt ervoor dat belastingclaims worden afgewikkeld voor zover het doorschuiven daarvan onmogelijk is. Eén van de onderwerpen waarop standaardvoorwaarde 1 betrekking heeft zijn vóór het afsplitsingstijdstip aanwezige onderlinge relaties tussen de splitsingspartners die tenietgaan. Denk aan onderlinge vordering-schuldverhoudingen ter zake waarvan schuldvermenging ex art. 6:161, lid 1, BW optreedt. Ook kan worden gedacht aan een afsplitsing als gevolg waarvan een onderlinge kapitaalsverhouding verdwijnt. Toegespitst op aandelen is dit laatste aan de orde ingeval de afsplitser onmiddellijk vóór het afsplitsingstijdstip een aandelenbelang houdt in een verkrijger. Indien deze aandelen bij de afsplitsing overgaan naar de betreffende verkrijgende rechtspersoon, verkrijgt laatstgenoemde eigen aandelen die in fiscale zin normaliter worden geacht te zijn ingetrokken. Het waarderingsvoorschrift van standaardvoorwaarde 1, lid 1 leidt in die situaties tot heffing van vennootschapsbelasting voor zover de deelnemingsvrijstelling niet geldt. Is het verdwijnende belang van de afsplitser in de verkrijger beclaimd op de voet van art. 33b, lid 5, Wet VPB 1969 jo. art. 13c Wet VPB 1969 (wettekst 2011), dan valt die claim op grond van standaardvoorwaarde 1, lid 3 geheel belast vrij. Situaties waarin een verkrijger vóór het afsplitsingstijdstip een kapitaalsbelang houdt in de afsplitser, worden niet door standaardvoorwaarde 1 bestreken. Dit belang verdwijnt niet. De afsplitsende rechtspersoon blijft immers voortbestaan.2