In het procesdossier bevindt zich een brief van de griffier, gedateerd 4 december 2023, inhoudende dat het appel in deze zaak niet wordt uitgewerkt omdat de politierechter niet langer aan de rechtbank is verbonden.
HR, 07-10-2025, nr. 23/04879 P
ECLI:NL:HR:2025:1403
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-10-2025
- Zaaknummer
23/04879 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1403, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑10‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:704
ECLI:NL:PHR:2025:704, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑06‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1403
- Vindplaatsen
Uitspraak 07‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Hof (enkelvoudige kamer) heeft betrokkene n-o verklaard in zijn hoger beroep omdat het te laat is ingesteld, art. 408.1.a jo. 511g.2 Sv en art. 36e.1.b.1 en 36e.2.a Sv. Betekent omstandigheid dat oproeping in eerste aanleg op BRP-adres van betrokkene is uitgereikt aan huisgenoot van betrokkene dat oproeping aan betrokkene in persoon is betekend? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Hof heeft vastgesteld dat betrokkene in e.a. is opgeroepen om op 16-5-2023 te verschijnen ttz. van Pr en dat oproeping voor die zitting aan huisgenoot op 21-4-2023 in persoon is betekend. Uit akte van uitreiking blijkt dat oproeping op 21-4-2023 op BRP-adres van betrokkene (adres van daklozenloket) is uitgereikt aan ander dan betrokkene, die beloofde brief onmiddellijk aan geadresseerde te geven. Volgens hof brengt deze vaststelling mee dat betrokkene binnen 14 dagen na datum waarop beslissing is gewezen h.b. had moeten instellen. Hof gaat er zo bezien vanuit dat beroepstermijn van art. 408.1 Sv van toepassing is. Meer in het bijzonder lijkt hof gelet op zinsnede “oproeping is aan huisgenoot op 21-4-2023 in persoon betekend” uit te zijn gegaan van toepasselijkheid van art. 408.1.a Sv. Dat oordeel is onjuist. Weliswaar wordt betekening aan degene die zich op dat adres bevindt a.b.i. art. 36e.1.b jo. 36e.2.a Sv in persoon aan degene die zich op dat adres bevindt gedaan, maar het gaat daarbij niet om betekening in persoon a.b.i. art. 36e.1 Sv, nu dit geen betekening in persoon aan geadresseerde zelf is. Overigens bevindt zich bij gedingstukken een “mededeling uitspraak ontneming” van 26-7-2023, die blijkens daarbij behorende akte van uitreiking op 4-8-2023 in persoon aan betrokkene is uitgereikt. Een dergelijke mededeling wordt niet gedaan indien sprake is van betekening in persoon (art. 366.2.a Sv). Nu de onder b tot en met d genoemde gronden van art. 408.1 Sv zich hier evenmin voordoen, is ‘s hofs oordeel dat h.b. binnen 14 dagen na einduitspraak moest worden ingesteld onbegrijpelijk. Dat discussie ttz. in h.b. zich enkel heeft toegespitst op het al dan niet verschoonbaar zijn van termijnoverschrijding doet hieraan niet af. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/05068.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04879 P
Datum 7 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 5 december 2023, nummer 23-001863-23, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat W.H. Jebbink bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande beroep wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof de betrokkene ten onrechte wegens overschrijding van de wettelijk voorgeschreven beroepstermijn niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. Daartoe is onder meer aangevoerd dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de uitreiking van de oproeping in eerste aanleg aan een huisgenoot van de betrokkene gelijk te stellen met een betekening aan de betrokkene in persoon van die oproeping.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2025.
Conclusie 24‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Samenhang met 23/05068. Profijtontneming. Tardief appel. Hof stelt vast dat de “dagvaarding” aan een huisgenoot in persoon is betekend op het postadres van de betrokkene en oordeelt dat het hoger beroep binnen 14 dagen na het vonnis had moeten worden ingesteld. Géén sprake van betekening in persoon, zodat art. 408 lid 1 onder a Sv hier niet van toepassing is. Evenmin doen zich hier de onder b-d genoemde gronden van art. 408 lid 1 Sv voor. ’s Hofs oordeel dat het hoger beroep binnen 14 dagen na het vonnis had moeten worden ingesteld is onbegrijpelijk. Deze conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04879 P
Zitting 24 juni 2025
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de betrokkene
1. Inleiding
1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 5 december 2023 (parketnr. 23-001863-23) de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 mei 2023 (parketnr. 13-214217-21), waarbij aan de betrokkene een betalingsverplichting van € 51.150,99 is opgelegd.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 23/05068. In beide zaken concludeer ik vandaag.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Waar het in cassatie om gaat
2.1
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft op 16 mei 2023 bij verstek vonnis gewezen in de ontnemingszaak van de betrokkene. In dat vonnis is het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 51.150,99 en is aan de betrokkene voor genoemd bedrag een betalingsverplichting opgelegd, waarbij de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd is bepaald op 180 dagen.1.Namens de betrokkene is blijkens de aan de “akte instellen hoger beroep” gehechte schriftelijke volmacht op 23 juni 20232.hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld. In cassatie wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de betrokkene niet-ontvankelijk is in het hoger beroep omdat het beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld. Meer in het bijzonder wordt opgekomen tegen ’s hofs oordeel dat de “dagvaarding” aan een huisgenoot op 21 april 2023 in persoon is betekend. Door deze beslissing van het hof zou het recht van de betrokkene op een eerlijke behandeling van zijn zaak zoals verankerd in art. 14 IVBPR en art. 6 EVRM zijn geschonden en ook zou het hof het bepaalde in art. 8 en 9 van de EU-richtlijn 2016/343 hebben miskend.
2.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging.
3. Het middel
3.1
Het middel klaagt over de beslissing van het hof om de betrokkene niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep.
3.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 december 2023 in de strafzaak en de ontnemingszaak3.houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De voorzitter deelt mede dat er eerst naar de ontvankelijkheid van de zaak zal worden gekeken en merkt op:
Op 26 september 2023 is de zaak op verzoek aangehouden. Ik heb gezien dat er op 16 mei 2023 een aantekening mondeling vonnis bij verstek is geweest. Wist u dat er op die datum een zitting was?
De verdachte antwoordt:
Nee, dat wist ik niet. Ik had rugklachten, waardoor ik niet kon lopen of liggen en daarom heb ik de zitting gemist. Ik heb alleen een postadres, waar ik eens in de twee weken post kan ophalen. Bovendien ben ik gestopt bij mijn voormalige werkgever.
De voorzitter vraagt of dat een postadres is.
De verdachte antwoordt bevestigend.
De voorzitter vraagt:
Wanneer bent u op de hoogte gekomen van de zitting?
De verdachte antwoordt:
In juni begon ik weer op kracht te komen, dus ging ik mijn post ophalen. Ik heb toen die brief opgehaald. Van begin april tot juni ben ik niet langsgegaan bij de postbus. Als ik de brief had verwacht, had ik een familielid kunnen vragen om de brief op te halen. In juni ben ik zelf mijn post gaan halen en toen ben ik er achter gekomen.
De advocaat-generaal merkt op:
Allereerst, de dagvaarding voor de zitting van 16 mei 2023 is betekend aan een huisgenoot. Volgens de akte zou diegene het gaan overhandigen aan meneer, die staat ingeschreven op een adres voor daklozen aan de [a-straat 1]. Iemand heeft het in ontvangst genomen met de mededeling dat hij het zou overhandigen. Dit is een betekening in persoon. De akte is opgesteld op 21 juni 2023 en het vonnis is betekend op 23 augustus 2024. Het feit dat hij vervolgens geen gebruik maakt van dat adres is niet aan het OM. Verdachte had kunnen weten dat er een zitting was.
De voorzitter merkt op:
De betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden nadat er hoger beroep was ingesteld.
De advocaat-generaal antwoordt:
De processen hebben elkaar doorkruist.
De raadsman merkt op:
De betekening van het vonnis op 23 augustus 2023 heb ik niet.
De voorzitter geeft aan dat het hof daar ook niet over beschikt.
De raadsman voert -kort en zakelijk weergegeven- als volgt aan:
Vandaag zijn mijn cliënt en ik naar de rolzitting gekomen om uit te leggen dat mijn cliënt zelf de dagvaarding niet heeft ontvangen, maar kennelijk aan iemand anders is uitgereikt. Mijn client is pas in juni langs het postadres gegaan, waar hij de brief heeft gezien. Er is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding, vanwege bijzondere omstandigheden. Rond de zomer van 2021 zwierf hij rond met zijn hond en kat. Hij heeft ernstige rug- en mentale klachten. Ik heb u op voorhand twee documenten gestuurd. Uiteindelijk is mijn cliënt bij het UWV terechtgekomen en afgekeurd. In mei 2023 verbleef hij met depressie en rugklachten bij een vriend; in die tijd was hij niet in staat zijn post op te halen. Toen hij weer opkrabbelde, vond hij de dagvaarding en stelde hoger beroep in. Hij ontkent medeplegen en wil uitleggen hoe het is gegaan. Ik verzoek u mijn cliënt de gelegenheid te geven om bij de strafzaak aanwezig te zijn.
De verdachte verklaart als volgt:
Ik wil terugkomen op het feit dat er post is bezorgd, maar niet aan mij is afgeleverd.
De voorzitter merkt op:
Het is uw verantwoordelijkheid om contact op te nemen met de contactpersoon.
De verdachte antwoordt:
Ik heb mijn contactpersoon gebeld, maar ik weet niet waar ze is. Dit is de eerste keer dat ik mij in een zittingszaal bevind.
De advocaat-generaal merkt op:
Dit verandert mijn standpunt niet. Ik meen dat de wet zegt, dat als je daar staat ingeschreven, je actie moet ondernemen. Hoe spijtig het ook is, ik kan niet anders concluderen dan dat meneer niet-ontvankelijk is.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte verklaart:
Ik geef u groot gelijk. Ik was er psychisch doorheen en lichamelijk niet in staat om mijn post op
te halen.
Na sluiting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing mede: het is geen punt van discussie is dat u te laat bent geweest. De oproeping voor de zitting lag op het postadres en u heeft het niet opgehaald. Is er sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding? Daar gelden zeer bijzondere omstandigheden voor. Wat ik vandaag heb gehoord en wat ik uit de stukken heb gelezen zie ik die bijzondere omstandigheden niet. U bent in een situatie gekomen waarin u daar fysieke niet naartoe kon gaan, maar u had actie kunnen ondernemen via uw contactpersoon. U heeft eigenlijk meer zitten wachten en dat is een risico. Van u had mogen verwacht dat u actiever zou zijn geweest. Om die reden bent u niet-ontvankelijk in he hoger beroep, in de hoofdzaak en in de ontnemingszaak.”
3.3
De aantekening mondeling arrest4.houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 16 mei 2023 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De dagvaarding is aan een huisgenoot op 21 april 2023 in persoon betekend.
De verdachte is op 16 mei 2023 bij verstek veroordeeld.
Tegen dit vonnis heeft de verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 23 juni 2023.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet ontvankelijk worden verklaard.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
3.4
De toelichting op het middel bevat twee deelklachten.
3.5
De eerste deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de “dagvaarding” aan de betrokkene in persoon is betekend en (vervolgens) de regeling van art. 366 Sv heeft miskend. Volgens de steller van het middel heeft het hof uit de stukken met betrekking tot de betekening van de “dagvaarding” voor de zitting van 16 mei 2023 niet anders kunnen afleiden dan dat de “dagvaarding” is uitgereikt aan een in art. 36e lid 2 onder a Sv bedoelde persoon. Het hof heeft vastgesteld dat de “oproeping” voor de zitting op het postadres van de betrokkene lag en dat de betrokkene deze niet heeft opgehaald. Deze vaststellingen zijn niet overeen te brengen met het oordeel van het hof dat de “dagvaarding” op 21 april 2023 in persoon is betekend. Nu het om een verstekveroordeling gaat had het vonnis op grond van art. 366 lid 1 Sv aan de betrokkene moeten worden betekend, temeer nu het hof niet heeft vastgesteld dat zich een uitzonderingsgrond als bedoeld in lid 2 van die bepaling voordoet en dit ook niet kan worden afgeleid uit hetgeen de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd. Uit het verhandelde ter terechtzitting zou blijken dat het vonnis eerst op 23 augustus 2023 aan de betrokkene is betekend, terwijl de betrokkene reeds in juni hoger beroep heeft ingesteld. Verder wordt nog opgemerkt dat het ook onbegrijpelijk is dat het hoger beroep volgens het hof op 23 juni 2023 is ingesteld, nu de akte rechtsmiddel spreekt over 26 juni 2023.
3.6
Bij de beoordeling van deze deelklacht zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;
(…)”
“1. De officier van justitie doet de mededeling van het vonnis dat de beslissing van de rechtbank op grond van artikel 349, 351 of 352, tweede lid, bevat en dat buiten de aanwezigheid van de verdachte is uitgesproken, zo spoedig mogelijk aan hem betekenen.
2. Deze mededeling wordt niet gedaan
a. aan de verdachte aan wie de dagvaarding of aan wie de oproeping voor de nadere terechtzitting na schorsing van het onderzoek voor onbepaalde tijd, in persoon is betekend,
b. aan de verdachte die op de terechtzitting of op de nadere terechtzitting aanwezig is geweest,
c. indien zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting dan wel die van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.”
“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
d. de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte op de voet van artikel 257e verzet is gedaan, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van artikel 36g en in eerste aanleg geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden.
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”
3.7
Het hof heeft vastgesteld dat de “verdachte” in eerste aanleg is “gedagvaard” om op 16 mei 2023 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam en dat de “dagvaarding” voor die zitting aan een huisgenoot op 21 april 2023 in persoon is betekend. Uit de akte van uitreiking van de vordering ontneming blijkt dat de ontnemingsvordering op 21 april 2023 op het adres [a-straat 1], [plaats] (alwaar een daklozenloket is gevestigd) is uitgereikt aan een ander dan de geadresseerde ([betrokkene 1]), die beloofde de brief onmiddellijk aan de geadresseerde te geven.
3.8
Volgens het hof brengt laatstgenoemde vaststelling mee dat de “verdachte” binnen veertien dagen na de datum waarop het vonnis is gewezen hoger beroep had moeten instellen. Het hof gaat er zo bezien vanuit dat de beroepstermijn van art. 408 lid 1 Sv in het onderhavige geval van toepassing is. Meer in het bijzonder lijkt het hof gelet op de zinsnede “De dagvaarding is aan een huisgenoot op 21 april 2023 in persoon betekend” uit te zijn gegaan van de toepasselijkheid van art. 408 lid 1 onder a Sv. Dat oordeel is onjuist. Weliswaar wordt een betekening aan degene die zich op dat adres bevindt als bedoeld in art. 36e lid 1 onder b jo. art. 36e lid 2 onder a Sv in persoon aan degene die zich op dat adres bevindt gedaan, maar het gaat daarbij niet om een betekening in persoon in de zin van de wet (art. 36e lid 1 Sv) nu dit geen betekening in persoon aan de geadresseerde zelf is.5.Overigens bevindt zich bij de gedingstukken een “mededeling uitspraak ontneming” van 26 juli 2023 die blijkens de daarbij behorende akte van uitreiking op 4 augustus 2023 in persoon aan de betrokkene is uitgereikt. Een dergelijke mededeling wordt niet gedaan indien sprake is van een betekening in persoon (art. 366 lid 2 onder a Sv).
3.9
Nu de onder b tot en met d genoemde gronden van art. 408 lid 1 Sv zich hier evenmin voordoen – waarbij ik over de d grond nog opmerk dat het door het hof aan de betrokkene tegenwerpen van zijn inactiviteit niet maakt dat de dag van de nadere terechtzitting de betrokkene tevoren bekend was (hooguit: had kunnen zijn) – is het oordeel van het hof dat het hoger beroep binnen veertien dagen na de einduitspraak moest worden ingesteld onbegrijpelijk. Dat de discussie ter terechtzitting in hoger beroep zich enkel heeft toegespitst op het al dan niet verschoonbaar zijn van de termijnoverschrijding doet mijns inziens aan het voorgaande niet af.
3.10
De eerste deelklacht van het middel slaagt.
3.11
Gelet hierop kan worden afgezien van bespreking van de tweede deelklacht, die inhoudt dat verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak zoals bedoeld in de art. 14 IVBPR en 6 EVRM is geschonden door de overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep niet verontschuldigbaar te oordelen en/of de betrokkene niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde hoger beroep.6.
3.12
Het middel slaagt.
4. Afronding
4.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande beroep wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑06‑2025
De akte instellen hoger beroep vermeldt als datum waarop het hoger beroep is ingesteld 26 juni 2023 (onder vermelding van 23 juni 2023 als registratiedatum).
Op 26 september 2023 heeft er in deze zaak een rolzitting plaatsgevonden. In het proces-verbaal van die terechtzitting wordt onder vermelding van het parketnr. 23-001863-23 wel over “betrokkene” gesproken. De zaak is vanwege ziekte van de raadsman aangehouden tot de terechtzitting van 5 december 2023.
Met vermelding van het parketnummer van de ontnemingszaak in hoger beroep (23-001863-23).
Vgl. voor een bespreking van de vraag of betekening aan een huisgenoot verenigbaar is met Europees recht A-G Keulen 5 juli 2022, ECLI:NL:PHR:2022:670, randnr. 18-26.