Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705, onder 5.4.9.
Hof 's-Hertogenbosch, 25-03-2026, nr. 24/515
ECLI:NL:GHSHE:2026:805, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
25-03-2026
- Zaaknummer
24/515
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2026:805, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 25‑03‑2026; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:2190, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2026042111
Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/544
FutD 2026-0738
NLF 2026/0863
Uitspraak 25‑03‑2026
Inhoudsindicatie
De inspecteur is gebonden aan een compromis met betrekking tot het werkelijk rendement over bezittingen in box 3. Daarmee is de kans aanvaard dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad anders zou volgen. Geen rentevergoeding verschuldigd, nu de wettelijke rente niet meer is dan het bedrag van de belastingvermindering. Met de vermindering is een voldoende rechtsherstel geboden.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/515
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 april 2024, nummer BRE 20/5918, in het geding tussen de inspecteur en
Erven [belanghebbende],
woonplaats kiezende in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbenden.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2018 opgelegd aan [belanghebbende] (hierna: erflaatster).
1.2.
Erflaatster heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Erflaatster heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. Erflaatster is tijdens de procedure in beroep overleden. De procedure is na haar overlijden voortgezet op naam van belanghebbenden.
1.4.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2018 tijdens de procedure in beroep bij verminderingsbeschikking IB/PVV 2018 verminderd.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2018 verder verminderd.
1.6.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend.
1.7.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst dan wel doorgestuurd naar de andere partij.
1.8.
De zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] (executeur en afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van erflaatster) als gemachtigde van belanghebbenden, samen met zijn adviseur [adviseur] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.9.
De gemachtigde van belanghebbenden heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. De inspecteur heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.
1.10.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2. Feiten
2.1.
De aanslag IB/PVV 2018 is met dagtekening 8 juni 2019 opgelegd aan erflaatster, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 13.181 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 147.253 (hierna: de aanslag).
2.2.
Erflaatster is op 21 mei 2020 overleden. Zij heeft bij testament belanghebbenden - haar zoon en dochter - benoemd tot haar enige erfgenamen.
2.3.
De inspecteur heeft in de verminderingsbeschikking IB/PVV 2018 met dagtekening 22 juli 2022 het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (box 3) verlaagd naar € 63.621 (hierna: de verminderingsbeschikking).
2.4.
De rechtbank heeft met betrekking tot het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) aanleiding gezien om rechtsherstel te bieden door het werkelijk behaalde rendement in de belastingheffing te betrekken.
2.5.
In het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 22 februari 2024 staat:
“Partijen verklaren desgevraagd dat het werkelijke rendement in het kader van deze
procedure vastgesteld kan worden op € 855.”
2.6.
In de uitspraak van de rechtbank is overwogen:
“4.4. Ter zitting is vast komen te staan dat het werkelijk behaalde rendement over de bezittingen in box 3 in 2018 € 855 bedraagt. (…)
5.3. (…)
De rechtbank ziet aanleiding om rechtsherstel te bieden door het werkelijk behaalde rendement in de belastingheffing te betrekken. Niet in geschil is dat dit € 855 bedraagt. De rechtbank stelt daarom het belastbare inkomen uit sparen en beleggen vast op € 855. (…)”.
2.7.
De rechtbank heeft de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 855, met handhaving van de overige elementen van de aanslag. De rechtbank heeft de inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding ter hoogte van de wettelijke rente over de periode tussen de datum van betaling van de in strijd met het EVRM geheven box 3-heffing en de datum van terugbetaling daarvan. De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn voor de berechting van het geschil (hierna: de redelijke termijn) is overschreden met 2 jaar en 10 maanden. De rechtbank heeft de omvang van de verzochte vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bepaald op € 500 per (gedeelte van een) halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, en in dit geval vastgesteld op in totaal € 3.000, waarvan de heffingsambtenaar 3/34e deel dient te betalen (€ 265) en de minister het overige deel (€ 2.735). Aan belanghebbenden is een vergoeding voor proceskosten in beroep en een vergoeding van griffierecht toegekend (€ 1.750 en € 49).
3. Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
(i) is de inspecteur gebonden aan het overeengekomen werkelijk rendement van € 855?
(ii) is de inspecteur terecht veroordeeld tot het betalen van een rentevergoeding?
3.2.
De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank met betrekking tot de door de rechtbank verminderde aanslag en de rentevergoeding. Belanghebbenden concluderen tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
Het overeengekomen werkelijk rendement
4.1.
De inspecteur heeft naar voren gebracht dat het tijdens de zitting bij de rechtbank op 22 februari 2024 overeengekomen werkelijk rendement van € 855 met inbegrip van kosten is geweest (bankkosten Van Lanschot, ABN Amro en ING). De Hoge Raad heeft op 6 juni 2024 geoordeeld dat bij de vaststelling van het rendement op bezittingen geen rekening kan worden gehouden met kosten.1.Gegeven deze gewijzigde omstandigheden moet in dit geval van een werkelijk rendement worden uitgegaan van € 1.738, aldus de inspecteur.
4.2.
Belanghebbenden hebben hiertegen verweer gevoerd. Volgens hen kan de inspecteur niet terugkomen op het eerder gesloten compromis waarop zij hebben mogen vertrouwen. Het hof volgt belanghebbenden hierin.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat tijdens de zitting bij de rechtbank overeenstemming is bereikt met betrekking tot de hoogte van het werkelijk rendement over de bezittingen in box 3 van € 855, zoals in het proces-verbaal van die zitting is vastgelegd en in de uitspraak van de rechtbank staat (zie 2.5 en 2.6).
4.4.
Het hof is van oordeel dat de inspecteur hieraan is gebonden. De inspecteur en belanghebbenden wilden kennelijk een geschil over het werkelijk rendement voorkomen en onzekerheid over de hoogte daarvan vermijden door gezamenlijk het bedrag van € 855 vast te stellen. Dat betekent dat sprake is van een vaststellingsovereenkomst waarop het overeenkomstenrecht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn.2.
4.5.
De inspecteur heeft niet gesteld dat de overeenkomst nietig is, vernietigbaar zou zijn of in strijd is met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Daarvan is ook niet gebleken. Het beroep van de inspecteur op de nadien gewezen uitspraak van de Hoge Raad, waarin is geoordeeld dat bij de vaststelling van het rendement op bezittingen geen rekening kan worden gehouden met kosten, baat hem niet.3.De inspecteur heeft met het sluiten van de overeenkomst de kans aanvaard dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad anders zou volgen dan dat hij met belanghebbenden over de kosten is overeengekomen.
Rentevergoeding
4.6.
Volgens de inspecteur heeft de rechtbank hem ten onrechte veroordeeld tot betaling van een rentevergoeding over de periode tussen de datum van betaling van de in strijd met het EVRM geheven box 3-heffing en de datum van terugbetaling daarvan. Het hof volgt de inspecteur hierin.
4.7.
De Hoge Raad heeft, verkort weergegeven, geoordeeld dat als regel kan worden aangenomen dat met de belastingvermindering passend en voldoende rechtsherstel wordt geboden, ook indien daarbij geen vergoeding van rente wordt toegekend.4.De door de Hoge Raad genoemde uitzondering op deze regel, indien het beloop van de wettelijke rente meer is dan het bedrag van de belastingvermindering, doet zich in dit geval niet voor. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat de wettelijke rente over de periode tussen de betaling van de box 3-heffing en de door de inspecteur terug te betalen bedragen niet meer is dan het bedrag van de belastingvermindering. Dit betekent dat kan worden aangenomen dat met de vermindering van de aanslag passend een voldoende rechtsherstel is geboden en geen rente hoeft te worden vergoed. De beslissing van de rechtbank ten aanzien van de vergoeding van wettelijke rente moet daarom worden vernietigd.
4.8.
Alles wat belanghebbenden verder nog hebben aangevoerd, waaronder begrepen de omstandigheid dat zij al sinds 2 juli 2019 wachten op terugbetalen van circa € 18.000 en de discussie over deze terugbetaling volgens hen al sinds juni 2024 is beslecht, leidt in de gegeven omstandigheden niet tot een ander oordeel.
Tussenconclusie
4.9.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is voor zover gericht tegen de veroordeling van de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van wettelijke rente over de periode tussen de datum van betaling van de in strijd met het EVRM geheven box 3-heffing en de datum van terugbetaling daarvan. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond.
Ten aanzien van het verzoek om immateriële schadevergoeding
4.10.
Belanghebbenden hebben het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil in hoger beroep.
4.11.
Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hogerberoepschrift door het hof is ontvangen.5.
4.12.
Het hof stelt vast dat het hogerberoepschrift is ingekomen op 25 april 2024. Het hof doet binnen twee jaar na die datum uitspraak, zodat de redelijke termijn voor beslechting van het geschil in hoger beroep niet is overschreden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.13.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
5. Beslissing
Het hof:
- -
verklaart het hoger beroep gegrond; en
- -
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor zover de inspecteur is veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van wettelijke rente over de periode tussen de datum van betaling van de in strijd met het EVRM geheven box 3-heffing en de datum van terugbetaling daarvan.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, E.P.A. Brakeboer en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑03‑2026
Hoge Raad 13 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7069, onder 3.1, en PHR 18 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:660, onder 5.13.
Vgl. Hoge Raad 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AV0432.
Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:756, onder 3.3.6, 3.3.7 en 3.4.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.