Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/4.3.b
4.3.b Toegang tot de rechter: toepassing
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS609520:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 14 april 2009, nr. 18297/08 (Borisenko e.a./Armenië); EHRM 19 januari 2010, nr. 15371/07 (Nersesyan/Armenië); zie ook ECRM 7 juni 1986 (ontv.), nr 11453/85 (E./Zweden); ECRM 9 mei 1989 (ontv.), nr. 11826/85 (Helmers/Zweden); ECRM 10 juli 1989 (ontv.), nr. 11274/84 (A./Zweden); ECRM 4 oktober 1989 (ontv.), nr. 12631/87 (Fejde/ Zweden); ECRM 4 september 1996 (ontv.), nr. 27074/95 (Nordigård/Zweden).
Zie bijv. EHRM 1 september 2009, nr. 38308/05 (Wnuk/Polen); EHRM 17 juli 2012, nr. 24197/10 (Muscat/Malta) (civiel).
Aldus ook Grabenwarter 2014, p. 128-129.
EHRM 8 januari 2008 (ontv.), nr. 38082/04 (Koch/Duitsland); EHRM 14 februari 2006, nr. 13299/03 (Bačev/Macedonië) (civiel); EHRM 16 oktober 2008, nr. 36970/06 (Vamvakas/ Griekenland); EHRM 20 maart 2012, nr. 10614/06 & 10620/06 (Arseniev/Moldavië); EHRM 26 januari 2016, nr. 54213/12 (Lorger/Slovenie) (civiel); EHRM 13 november 2008, nr. 6830/05 (Pijevschi/Portugal); EHRM 17 september 2016, nr. 37963/15 & 40208/15 (Mint-ken & Aydin/Duitsland).
EHRM 22 november 2007 (ontv.), nr. 27140/03 (EM Linija d.o.o./Kroatië) (civiel); EHRM 15 januari 2009, nr. 1234/05 (Reklos & Davourlis/Griekenland); EHRM 20 maart 2012, nr. 10614/06 & 10620/06 (Arseniev/Moldavië); EHRM 9 april 2013, nr. 10296/10 (Mariani-Bellucci/Zwitserland) (civiel); EHRM 15 september 2016, nr. 32610/07 (Trevisanato/Frankrijk) (civiel); EHRM 27 juni 2017, nr. 55291/15 (Sturm/Luxemburg).
EHRM 1 februari 2007, nr. 78041/01 (Paljic/Duitsland).
EHRM 27 oktober 2015, nr. 66048/09 (Koni/Cyprus) (civiel); zie ook EHRM 24 april 2008, nr. 17140/05 (Kemp e.a./Luxemburg) (civiel); EHRM 10 juni 2010, nr. 33067/08 (Peca/Griekenland nr. 2) (civiel).
EHRM 15 januari 2009, nr. 1234/05 (Reklos & Davourlis/Griekenland); zie ook EHRM 24 mei 2006, nr. 20627/04 (Laikopoulou/Griekenland); EHRM 27 juli 2006, nr. 36998/02 (Efstathiou e.a./Griekenland); EHRM 5 juli 2007, nr. 1131/05 (Loinarakis/Griekenland); EHRM 17 januari 2008, nr. 25145/05 (Vasilakis/Griekenland); EHRM 21 februari 2008, nr. 2602/06 (Koskina e.a./Griekenland); EHRM 20 maart 2008, nr. 38731/05 (Alvanos e.a./Griekenland); EHRM 30 april 2009, nr. 22525/07 (Roubies/Griekenland); EHRM 4 juni 2009, nr. 54594/07 (Pistolis e.a./Griekenland); EHRM 15 oktober 2009, nr. 55484/07 (Konstantinos Petropoulos/ Griekenland); EHRM 15 oktober 2009, nr. 53361/07 (Roumeliotis/Griekenland); EHRM 7 januari 2010, nr. 34198/07 (Dimopoulos/Griekenland); EHRM 18 maart 2010, nr. 2920/08 (Nikolaos Kopsidis/Griekenland); zie echter: EHRM 22 mei 2008, nr. 44035/05 (Tsilira/Griekenland); EHRM 29 oktober 2009, nr. 26307/07 (Stavrinoudakis/Griekenland).
EHRM 16 maart 2010, nr. 25083/05 (Mamikonyan/Armenië); zie ook EHRM 16 december 1992, nr. 12945/87 (Hadjianastassiou/Griekenland); EHRM 17 december 1996, nr. 201368/ 92 (Vacher/Frankrijk).
Zie bijv. EHRM 23 oktober 1996, nr. 21920/93, NJ 1998/343 (Levages Prestations Services/Frankrijk) (civiel); EHRM 26 januari 2016, nr. 54213/12 (Lorger/Slovenie) (civiel).
Zie bijv. EHRM 23 oktober 1996, nr. 21920/93, NJ 1998/343 (Levages Prestations Services/Frankrijk) (civiel); EHRM 15 januari 2009, nr. 1234/05 (Reklos & Davourlis/Griekenland).
Zie bijv. EHRM 15 september 2016, nr. 32610/07 (Trevisanato/Frankrijk) (civiel).
Zie bijv. EHRM 24 mei 2006, nr. 20627/04 (Laikopoulou/Griekenland); EHRM 15 september 2016, nr. 32610/07 (Trevisanato/Frankrijk) (civiel).
EHRM 14 februari 2006 (ontv.), nr. 13299/02 (Bačev/Macedonie) (civiel); EHRM 16 maart 2010, nr. 25083/05 (Mamikonyan/Armenië); EHRM 17 juli 2012, nr. 24197/10 (Muscat/Malta) (civiel).
EHRM 26 oktober 2000, nr. 43269/98 (Leoni/Italië); EHRM 11 juli 2002, nr. 36534/97, EHRC 2002/80, m.nt. Jansen (Osu/Italië); EHRM 15 februari 2007, nr. 51343/99 (Angel Angelov/Bulgarijë); EHRM 20 december 2011, nr. 1005/08 (Dokić/Servië); zie voor onduidelijkheid omtrent toepasselijke termijnregels EHRM 10 mei 2011, nr. 26866/05 (Shkalla/Albanië); EHRM 21 december 2010, nr. 17160/06 & 35548/06 (Petretyaka & Shermetyev/Oekraïne) (civiel); EHRM 28 februari 2012, nr. 36084/06 (Pashayev/Azerbeidzjan).
EHRM 25 juni 2009, nr. 55759/07 (Maresti/Kroatië); vgl. casuïstische beoordeling van klachten over de termijnaanvang in EHRM 12 november 2002, nr. 46129/99 (Zvolsky & Zvolska/Tsjechië) (civiel); EHRM 19 juni 2008, nr. 10649/03 (Fetaovski/Macedonië) (civiel); EHRM 18 november 2010, nr. 8863/06 (Mushta/Oekraïne) (civiel); EHRM 03 juli 2012, nr. 13577/05 (Radeva/Bulgarije); zie voor een schending in verband met psychische stoornis EHRM 1 september 2009, nr. 24062/13 (Marc Brauer/Duitsland).
Zie bijv. ECRM 16 oktober 1995 (ontv.), nr. 21351/93 (J.J./Nederland); EHRM 24 februari 2005 (ontv.), nr. 54698/00 (Kaya/Oostenrijk); EHRM 20 december 2007, nr. 21638/03 (Paykar Yev Haghtanak ltd./Armenië), en daarover Simon 2008; zie over (soort van) zekerstellingen EHRM 15 februari 2000, nr. 38695/97 (García Manibardo/Spanje); EHRM 14 november 2000, nr. 31819/96 & 33293/96 (Annoni di Gussola e.a./Frankrijk); EHRM 30 juni 2009 (ontv.), nr. 49852/06 (Schneider/Frankrijk).
EHRM (GK) 26 juli 2002, nr. 32911/96, 35237/97 & 34595/97 (Meftah e.a/Frankrijk); EHRM 19 mei 2009, nr. 18353/03, EHRC 2009/95, m.nt. De Vocht (Kulikowski/Polen); EHRM 19 mei 2009, nr. 2815/05 (Antonicelli/Polen).
EHRM 28 oktober 1998, nr. 28090/95 (Pérez de Rada Cavanilles/Spanje) (civiel); EHRM 18 januari 2005 (ontv.), nr. 6778/05 (MPP Golub/Oekraïne) (civiel); EHRM 12 november 2013, nr. 26873/06 (Trif/Roemenië) (civiel); EHRM 5 juni 2014 (ontv.), nr. 32806/09 (Egić/Kroatië) (civiel); EHRM 26 april 2016, nr. 25782/11 (Kardoš/Kroatië); EHRM 31 mei 2016, nr. 37242/14 (Tence/Slowakije); zie over cassatie voor de benadeelde partij EHRM 3 december 2002, nr. 48221/99 (Berger/Frankrijk).
EHRM 19 december 1997, nr. 26737/95 (Brualla Gómez de la Torre/Spanje) (civiel); EHRM 24 oktober 2002 (ontv.), nr. 68286/01 (Nakov/Macedonië) (civiel); EHRM 2 november 2006, nr. 29182/03 (Kozlica/Kroatië) (civiel); EHRM 21 juni 2011, nr. 53261/08 (Bulfracht Ltd./Kroatie) (civiel); EHRM 21 juni 2011, nr. 2611/07 & 15276/07 (Dobrić/Servië); EHRM 27 november 2012, nr. 37569/06 (Bayar & Gürbüz/Turkije) en EHRM 3 februari 2015, nr. 33037/07 (Bayar & Gürbüz/Turkije); zie hierover ook Van Dijk, Van Hoof e.a. 2006, p. 574-575.
EHRM (GK) 29 juli 1998, nr. 25201/94 (Guérin/Frankrijk); EHRM (GK) 29 juli 1998, nr. 24767/94 (Omar/Frankrijk); EHRM 14 december 1999, nr. 34791/97 (Khalfaoui/Frankrijk); EHRM 25 juli 2002, nr. 54210/00 (Papon/Frankrijk); zie bijv. ook EHRM 22 juni 2006, nr. 6225/04 (Mavromatis/Griekenland); EHRM 12 oktober 2006, nr. 18059/03 (Tastanidis/Griekenland) zie over verplichte aanwezigheid EHRM 29 juni 2000 (ontv.), nr. 32092/96 (Poulsen/Denemarken); EHRM 16 oktober 2001, nr. 38055/97 (Eliazer/Nederland).
Dit beoordelingsschema wordt in de praktijk nogal gereserveerd toegepast. In sommige zaken overweegt het EHRM zelfs dat “if a State makes provision for an appeal to a higher instance, it is entitled to lay down the conditions for such an appeal”.1 Dit citaat geeft aan staten een vrijbrief bij de regeling van toegang tot rechtsmiddelen, ook al is artikel 6 EVRM van toepassing. In andere zaken vindt evenwel iets preciezere, getrapte toetsing plaats. Eerst wordt beoordeeld of de nationale toegangsvoorwaarden juist zijn toegepast – waarbij het EHRM in elk geval zegt enige terughoudendheid te betrachten.2 Indien aan dit legaliteitsvereiste is voldaan, volgt een open proportionaliteits- of redelijkheidstoets. De omstandigheden van het geval bepalen daarbij of het nationale recht een redelijke en doelmatige beperking vormt op het recht op toegang tot beroep. De redelijkheidstoets lijkt terughoudend te zijn, maar leidt soms toch tot de vaststelling van een schending.3 Het Hof neemt in elk geval in feite het nationale recht tot ankerpunt in plaats van dat het een eigen kader vooropstelt en beperkingen daaraan toetst.
Exemplarisch is de rechtspraak over het vereiste om op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep grieven of bezwaren in te dienen. In het algemeen accepteert het EHRM dat als toegangsvoorwaarde wordt vereist dat grieven binnen een bepaalde termijn, op een bepaalde plaats etc. worden ingediend.4 Voorts mogen eisen worden gesteld aan de inhoud van grieven. Meer specifiek is het aanvaardbaar om te vereisen dat de bezwaren voldoende precies zijn, verwijzen naar beweerdelijk geschonden regels, een uiteenzetting bevatten van de relevante feiten, of een verzoek om de gewenste uitkomst bevatten.5
Een kras voorbeeld daarvan biedt de zaak Paljic/Duitsland.6 De verdachte wordt daarin verweten op twee afzonderlijk ten laste gelegde momenten een verstandelijk gehandicapte vrouw seksueel te hebben misbruikt. Nadat in hoger beroep een eerste veroordeling is vernietigd en teruggewezen, ligt de zaak weer bij de rechtbank. Daar vordert de officier van justitie van de rechtbank afbreking van de vervolging voor het eerste misbruikgeval. De rechtbank doet dat, zonder daarvoor in het vonnis redenen te geven, waartoe zij wettelijk ook niet is verplicht. Na veroordeling voor het tweede misbruikgeval gaat de verdachte opnieuw in hoger beroep. Hij betoogt dat de redenen voor het afbreken van de vervolging ten aanzien van het eerste feit relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het tweede feit en meent dat de rechtbank daarvoor in casu toch schriftelijk redenen had moeten geven. De toegang tot beroep wordt echter geweigerd omdat dit bezwaar onvoldoende is onderbouwd. De beroepsrechter stelt voorop dat onder omstandigheden inderdaad, hoewel wettelijk niet vereist, een motiveringsverplichting bestaat voor de beslissing tot afbreking van de vervolging, maar het is volgens het hof echter gebruikelijk en aanvaardbaar dat de redenen daarvoor mondeling worden gegeven. Nu de verdachte niet heeft aangegeven wat in eerste aanleg in dat verband is besproken noch heeft gesteld dat een mondelinge motivering niet is gegeven, beschikt het Duitse hof over onvoldoende informatie om het bezwaar van de verdachte te beoordelen, en wijst het toegang tot beroep af. Het EHRM overweegt dat aldus nogal wat van de verdachte is verwacht, maar stelt geen schending vast van artikel 6 EVRM. Het acht daarbij van belang dat de verdachte door een raadsman werd bijgestaan, en dat het hof voor een tweede maal – na een eerste veroordeling te hebben vernietigd en teruggewezen – over de zaak oordeelt, in het bijzonder enkel over de vraag of het recht juist is toegepast. Een hieraan verwante klacht, inhoudende dat het Duitse hof niet van de verdachte had mogen vergen aan te geven dat het slagen van zijn bezwaar invloed zou kunnen hebben op de beoordeling van de strafzaak, faalt eveneens.
De rechtspraak van het EHRM bevat anderzijds ook uitspraken waarin het EHRM kritisch toetst of inderdaad niet aan de inhoudelijke eisen aan de bezwaren is voldaan, nadat het beroep bij een nationale rechtsmiddelinstantie op grond daarvan niet-ontvankelijk is verklaard. In een geval waarin de insteller van het beroep geen rechtsbijstand had en nota bene een appelzitting had plaatsgevonden waarop de bezwaren waren besproken, achtte het EHRM het strijdig met artikel 6 EVRM dat vanwege ‘te vage grieven’ geen toegang tot hoger beroep was verleend.7 Verder is het in het bijzonder in cassatie aanvaardbaar te vereisen dat de feitelijke grondslag van het beroep in de bezwaren wordt uiteengezet, maar in een geval waarin een eenvoudig te beoordelen bezwaar van juridische aard werd aangevoerd en een kopie van de bestreden uitspraak aan de bezwaren was gehecht, ging afwijzing van toegang tot beroep vanwege ‘onvoldoende feiten uiteengezet’ het EHRM te ver.8 Ook stelde het EHRM een schending vast van het recht op een eerlijk proces in gevallen waarin de appellant ten behoeve van het opstellen van deugdelijke bezwaren niet (tijdig) over de bestreden uitspraak had kunnen beschikken.9
Kenmerkend aan de uitspraken van het EHRM over bezwaren als ontvankelijkheidsvereiste zijn de tamelijk obligate passages over de legitimiteit van dergelijke toegangsvoorwaarden en de daaropvolgende concrete legaliteits- en evenredigheidstoetsing. Relevante factoren daarbij zijn de aanwezigheid van rechtsbijstand,10 de vraag hoe uitgebreid voorafgaande berechting is geweest (één of twee instanties),11 de voorzienbaarheid van toepassing van de (wettelijke of jurisprudentiële) bezwaareis als toegangsvoorwaarde.12 Ook wijst het EHRM er soms op dat enig inhoudelijk vereiste aan grieven niet in de wet is opgenomen maar op grond van vaste jurisprudentie toch wordt gesteld, maar onduidelijk is welke rol het deze factor zijn overwegingen toekent.13
Voor de jurisprudentie over beroepstermijnen geldt in grote lijnen hetzelfde. Het Hof acht deze toegangsvoorwaarde in het algemeen legitiem, omdat daarmee de goede procesorde en de rechtszekerheid wordt gediend.14 Wel toetst het EHRM ten eerste de toepassing van de beroepstermijn naar nationaal recht. Als nationale gerechten een termijn op verkeerde wijze hebben berekend en dat voor de klager nadelig uitpakt, dan volgt daaruit schending van artikel 6 EVRM.15 Naast deze legaliteitstoetsing treedt het EHRM in de tweede plaats corrigerend op als weliswaar conform nationaal recht is gehandeld maar (daarin) onredelijke eisen zijn gesteld.16 Bij gebrek aan eigen uitgangspunten van het EHRM voor de aanvang en duur van de beroepstermijn, komen deze en andere zaken neer op casuïstische redelijkheidstoetsing. Eenzelfde beeld vormt zich bij kennisneming van de rechtspraak over griffierechten,17 verplichte procesvertegenwoordiging,18 het aanwenden van beroep19 en financiële of bagateldrempels.20
In verschillende Franse en Griekse zaken heeft het Hof zich over één toegangsbeperking overigens streng en categorisch uitgelaten: de verplichting voor de verdachte om zich op straffe van niet-ontvankelijkheid van zijn cassatieberoep voor tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis te melden bij een detentie-inrichting, is in strijd met het recht op toegang tot de rechter.21 Ook omdat hier samenhang bestaat met het recht op vrijheid en veiligheid uit artikel 5 EVRM, kunnen deze uitspraken echter worden beschouwd als uitzondering op het uitgangspunt van coulante toetsing. Over het algemeen hebben staten dus grote vrijheid bij het stellen en toepassen van voorwaarden voor de ontvankelijkheid van hoger beroep en cassatie.