Procestaal: Nederlands.
HvJ EU, 12-12-2019, nr. C-627/19 PPU
ECLI:EU:C:2019:1079
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
12-12-2019
- Magistraten
J.-C. Bonichot, M. Safjan, L. Bay Larsen, C. Toader, N. Jääskinen
- Zaaknummer
C-627/19 PPU
- Conclusie
M. Campos sánchez-bordona
- Roepnaam
Openbaar Ministerie (Procureur du Roi de Bruxelles)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2019:1079, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 12‑12‑2019
ECLI:EU:C:2019:1014, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 26‑11‑2019
Uitspraak 12‑12‑2019
J.-C. Bonichot, M. Safjan, L. Bay Larsen, C. Toader, N. Jääskinen
Partij(en)
In zaak C-627/19 PPU*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de rechtbank Amsterdam (Nederland) bij tussenuitspraak van 22 augustus 2019, ingekomen bij het Hof op 22 augustus 2019, in de procedure voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd tegen
ZB,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J.-C. Bonichot, kamerpresident, M. Safjan, L. Bay Larsen, C. Toader (rapporteur) en N. Jääskinen, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 oktober 2019,
gelet op de opmerkingen van:
- —
ZB, vertegenwoordigd door M. A. C. de Bruijn, advocaat,
- —
het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door K. van der Schaft en N. Bakkenes,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. Langer als gemachtigden,
- —
de Belgische regering, vertegenwoordigd door C. Van Lul, C. Pochet en J.-C. Halleux als gemachtigden,
- —
Ierland, vertegenwoordigd door G. Hodge en M. Browne als gemachtigden, bijgestaan door R. Kennedy, SC,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz als gemachtigde,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door A. Daniel en A.-L. Desjonquères als gemachtigden,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door L. Fiandaca, avvocato dello Stato,
- —
de Finse regering, vertegenwoordigd door M. Pere als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid en R. Troosters als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 november 2019,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: ‘kaderbesluit 2002/584’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van de tenuitvoerlegging in Nederland van een Europees aanhoudingsbevel dat op 24 april 2019 door de Procureur des Konings te Brussel (België) is uitgevaardigd met het oog op uitvoering van twee tegen ZB uitgesproken vrijheidsstraffen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 5, 6, 10 en 12 van kaderbesluit 2002/584 luiden als volgt:
- ‘(5)
De opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te worden, brengt mee dat uitlevering tussen de lidstaten moet worden afgeschaft en vervangen door een regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten. Met de invoering van een nieuwe en vereenvoudigde regeling van overlevering van veroordeelde of verdachte personen ter fine van tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en vervolging kan tevens een oplossing worden gevonden voor de complexiteit en het tijdverlies die inherent zijn aan de huidige uitleveringsprocedures. De klassieke samenwerking die tot dusverre in de betrekkingen tussen de lidstaten overheerste, moet worden vervangen door een vrij verkeer van beslissingen in strafzaken, zowel in de onderzoeks- als in de berechtingsfase, in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.
- (6)
Het Europees aanhoudingsbevel waarin dit kaderbesluit voorziet, vormt de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied van het beginsel van wederzijdse erkenning, welk beginsel de Europese Raad als hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking beschouwt.
[…]
- (10)
De regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. De toepassing ervan kan slechts worden opgeschort in geval van een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de in artikel 6, lid 1, [EU] neergelegde beginselen, welke schending door de Raad is geconstateerd overeenkomstig artikel 7, lid 1, en volgens de procedure van artikel 7, lid 2, [EU].
[…]
- (12)
Dit kaderbesluit eerbiedigt de grondrechten en voldoet aan de beginselen die worden erkend bij artikel 6 [EU] en zijn weergegeven in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie […], met name in hoofdstuk VI. […]’
4
Artikel 1 van dat kaderbesluit, met het opschrift ‘Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel’, luidt:
- ‘1.
Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.
- 2.
De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.
- 3.
Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 [EU], wordt aangetast.’
5
Artikel 2 van genoemd kaderbesluit, ‘Toepassingsgebied van het Europees aanhoudingsbevel’, bepaalt in lid 1:
‘Een Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd wegens feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, met een maximum van ten minste twaalf maanden of, wanneer een straf of een maatregel is opgelegd, wegens opgelegde sancties met een duur van ten minste vier maanden.’
6
Artikel 6 van kaderbesluit 2002/584, ‘Bevoegde rechterlijke autoriteiten’, luidt als volgt:
- ‘1.
De uitvaardigende rechterlijke autoriteit is de rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende lidstaat die bevoegd is om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen krachtens het recht van de uitvaardigende lidstaat.
- 2.
De uitvoerende rechterlijke autoriteit is de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat die bevoegd is het Europees aanhoudingsbevel uit te voeren krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat.
- 3.
Iedere lidstaat deelt het secretariaat-generaal van de Raad mee welke rechterlijke autoriteit volgens zijn interne recht bevoegd is.’
7
Artikel 8 van dat kaderbesluit heeft als opschrift ‘Inhoud en vorm van het Europees aanhoudingsbevel’ en bepaalt in lid 1:
‘In het Europees aanhoudingsbevel worden overeenkomstig het als bijlage bij dit kaderbesluit gevoegde model de navolgende gegevens vermeld:
[…]
- c)
de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat, zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2;
[…]
- f)
de opgelegde straf, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafmaat;
[…]’
Belgisch recht
Belgische Grondwet
8
Artikel 151, § 1, eerste alinea, van de Belgische Grondwet bepaalt het volgende:
‘De rechters zijn onafhankelijk in de uitoefening van hun rechtsprekende bevoegdheden. Het openbaar ministerie is onafhankelijk in de individuele opsporing en vervolging onverminderd het recht van de bevoegde minister om de vervolging te bevelen en om de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, vast te leggen.’
Wet betreffende het Europees aanhoudingsbevel
9
Artikel 32, § 2, van de wet betreffende het Europees aanhoudingsbevel van 19 december 2003 (Belgisch Staatsblad, 22 december 2003, blz. 60075) luidt als volgt:
‘Indien grond bestaat te denken dat een persoon gezocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of van een veiligheidsmaatregel zich op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie bevindt, vaardigt de procureur des Konings een Europees aanhoudingsbevel uit in de vormen en onder de voorwaarden omschreven in de artikelen 2 en 3.
Indien in dit geval de straf of de veiligheidsmaatregel is uitgesproken bij wege van een bij verstek gewezen beslissing en de gezochte persoon niet persoonlijk is gedagvaard of op een andere wijze in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting waarop voornoemde beslissing is gewezen, wordt in het Europees aanhoudingsbevel vermeld dat de gezochte persoon in België verzet kan doen tegen de beslissing en in zijn aanwezigheid kan worden berecht.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10
Op 24 april 2019 heeft de Procureur des Konings te Brussel tegen ZB een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd ten behoeve van tenuitvoerlegging van een vonnis dat op 7 februari 2019 door de Tribunal de première instance francophone de Bruxelles (Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, België) is gewezen en waarbij ZB is veroordeeld tot gevangenisstraffen voor de duur van 30 maanden en van één jaar.
11
Op 3 mei 2019 is ZB in Nederland aangehouden op basis van het Europees aanhoudingsbevel.
12
Dezelfde dag heeft het Openbaar Ministerie (Nederland) overeenkomstig artikel 23 van de Overleveringswet van 29 april 2004, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, de rechtbank Amsterdam (Nederland) aangezocht voor de toetsing van dat Europees aanhoudingsbevel.
13
De verwijzende rechter stelt enerzijds dat blijkens de informatie die door de Belgische autoriteiten in het kader van het hoofdgeding is verstrekt, een Belgische officier van justitie deelneemt aan de rechtsbedeling en onafhankelijk optreedt, zonder dat hij het risico loopt dat hij in een individueel geval rechtstreeks of indirect wordt aangestuurd door of instructies ontvangt van de uitvoerende macht.
14
Anderzijds stelt die rechter vast dat de Belgische regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel niet voorziet in de mogelijkheid om afzonderlijk beroep in te stellen tegen de beslissing tot uitvaardiging van een dergelijk bevel.
15
Bijgevolg vraagt die rechter zich af of de voorwaarde in punt 75 van het arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456), volgens hetwelk de beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen en met name de evenredigheid van een dergelijke beslissing het voorwerp moet kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming, ook geldt indien het Europees aanhoudingsbevel strekt tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf.
16
Hoewel de verwijzende rechter van oordeel is dat aan de vereisten die zijn gesteld in de arresten van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456), en 27 mei 2019, PF (Procureur-generaal van Litouwen) (C-509/18, EU:C:2019:457), moet zijn voldaan voor alle Europese aanhoudingsbevelen, ongeacht of deze zijn uitgevaardigd met het oog op strafvervolging of ter uitvoering van een straf, en dit ook wanneer aan dit bevel een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis van een rechter ten grondslag ligt, merkt hij niettemin op dat in casu de uitvaardigende rechterlijke autoriteit en de Nederlandse officier van justitie zich beide op het tegengestelde standpunt hebben gesteld.
17
Daarop heeft de rechtbank Amsterdam (Nederland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Geldt, als een [Europees aanhoudingsbevel] strekt tot de tenuitvoerlegging van een bij voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van een rechter of rechterlijke instantie opgelegde vrijheidsstraf, terwijl het [Europees aanhoudingsbevel] is uitgevaardigd door een officier van justitie die deelneemt aan de rechtsbedeling in de uitvaardigende lidstaat en gewaarborgd is dat hij in de uitoefening van zijn met de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel inherent verbonden taken, op onafhankelijke wijze optreedt, ook de voorwaarde dat een beroep in rechte tegen de beslissing om een [Europees aanhoudingsbevel] uit te vaardigen — in het bijzonder de evenredigheid daarvan — dat volledig voldoet aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming mogelijk moet zijn?’
Spoedprocedure
18
Op 17 september 2019 heeft de Eerste kamer van het Hof, op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, besloten om de verwijzing in zaak C-627/19 PPU te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure.
19
Na erop te hebben gewezen dat de verwijzing de uitlegging betreft van kaderbesluit 2002/584, dat valt onder titel V van het derde deel van het VWEU, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, en dus, conform het verzoek van de verwijzende rechter, kan worden behandeld volgens de prejudiciële spoedprocedure van artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, heeft de Eerste kamer van het Hof zich namelijk gebaseerd op de omstandigheid dat ZB sinds 3 mei 2019 in overleveringsdetentie is geplaatst in afwachting van een beslissing over de uitvoering van het tegen hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel, en dat zijn verdere detentie afhangt van de beslechting van het hoofdgeding.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
20
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een wettelijke regeling van een lidstaat die de bevoegdheid om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen met het oog op uitvoering van een straf toekent aan een autoriteit die weliswaar aan de rechtsbedeling in die lidstaat deelneemt maar zelf geen rechterlijke instantie is, doch niet voorziet in een afzonderlijk beroep in rechte tegen de beslissing van die autoriteit om een dergelijk Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen.
21
In dat verband moet meteen in herinnering worden gebracht dat het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en het beginsel van wederzijdse erkenning, dat zelf op het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten berust, in het Unierecht van fundamenteel belang zijn, aangezien zij de mogelijkheid bieden om een ruimte zonder binnengrenzen te verwezenlijken en in stand te houden. Meer in het bijzonder vereist het beginsel van wederzijds vertrouwen, met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht betreft, dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en in het bijzonder de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen [arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C-216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
22
Tevens moet worden opgemerkt dat kaderbesluit 2002/584, blijkens overweging 6 ervan, de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied vormt van het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen, dat is verankerd in artikel 82, lid 1, VWEU, dat in de plaats is gekomen van artikel 31 EU, op grondslag waarvan dit kaderbesluit is vastgesteld. Sindsdien is de gerechtelijke samenwerking in strafzaken geleidelijk aan voorzien van juridische instrumenten waarvan de gecoördineerde toepassing ertoe strekt het vertrouwen van de lidstaten ten aanzien van hun respectieve nationale rechtsorden te versterken met het doel de erkenning en de tenuitvoerlegging in de Unie van strafrechtelijke uitspraken te verzekeren om te voorkomen dat daders van strafbare feiten straffeloos blijven.
23
Het beginsel van wederzijdse erkenning, dat ten grondslag ligt aan de opzet van kaderbesluit 2002/584, impliceert krachtens artikel 1, lid 2, ervan dat de lidstaten in beginsel gehouden zijn gevolg te geven aan een Europees aanhoudingsbevel (arrest van 16 november 2010, Mantello, C-261/09, EU:C:2010:683, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24
Volgens kaderbesluit 2002/584 kunnen de lidstaten immers slechts weigeren een dergelijk bevel ten uitvoer te leggen in de gevallen waarin zij volgens artikel 3 van dat besluit de tenuitvoerlegging moeten weigeren of de gevallen waarin zij deze volgens de artikelen 4 en 4 bis ervan mogen weigeren. Daarenboven mag de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel slechts afhankelijk stellen van de in artikel 5 van het kaderbesluit vermelde voorwaarden (arrest van 29 januari 2013, Radu, C-396/11, EU:C:2013:39, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25
Het Hof heeft tevens geoordeeld dat alleen Europese aanhoudingsbevelen in de zin van artikel 1, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 in overeenstemming met de bepalingen van dat besluit ten uitvoer moeten worden gelegd. Blijkens dit artikel is een dergelijk aanhoudingsbevel een ‘rechterlijke beslissing’, hetgeen uitvaardiging door een ‘rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 1, van dit kaderbesluit vereist [arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
26
In casu betoogt de verwijzende rechter dat uit de door de Belgische autoriteiten in het hoofdgeding verstrekte informatie volgt dat Belgische officieren van justitie voldoen aan de uit de punten 51 en 74 van het arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456), voortvloeiende vereisten om te worden aangemerkt als ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’, aangezien zij deelnemen aan de strafrechtsbedeling in die lidstaat en zij in de uitoefening van de met de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel inherent verbonden taken onafhankelijk optreden.
27
In dat verband heeft de Belgische regering in haar mondelinge en schriftelijke opmerkingen ook bevestigd dat de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie in de individuele opsporing en vervolging wordt gewaarborgd door de Belgische Grondwet. De Belgische regering heeft voorts aangegeven dat de Minister van Justitie weliswaar richtlijnen van strafrechtelijk beleid kan vastleggen, maar dat het daarbij niet gaat om aansturingen of instructies in individuele zaken.
28
De verwijzende rechter vraag zich niettemin af of, gelet op punt 75 van het arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456), tegen de beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen met het oog op uitvoering van een straf, in de uitvaardigende lidstaat beroep in rechte moet openstaan.
29
Dienaangaande omvat de regeling van het Europees aanhoudingsbevel op twee niveaus bescherming van de procedurele en grondrechten die de gezochte persoon moet genieten, aangezien bij de rechterlijke bescherming op het eerste niveau van de vaststelling van een nationale rechterlijke beslissing, zoals een nationaal aanhoudingsbevel, de bescherming komt die gewaarborgd moet zijn op het tweede niveau van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel, die in voorkomend geval kort na de vaststelling van de nationale rechterlijke beslissing kan plaatsvinden [arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
30
Wanneer het gaat om een maatregel die, zoals de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel, het recht op vrijheid van de betrokken persoon kan aantasten, houdt deze bescherming dus in dat op minstens één van de twee niveaus van die bescherming een beslissing wordt genomen die voldoet aan de vereisten die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming [arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 68].
31
In het bijzonder veronderstelt het tweede niveau van bescherming van de rechten van de betrokken persoon dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit controleert of de voor de uitvaardiging noodzakelijke voorwaarden zijn vervuld en op objectieve wijze — rekening houdend met alle belastende en ontlastende elementen en zonder daarbij het risico te lopen dat door derden, met name door de uitvoerende macht, instructies worden gegeven — onderzoekt of die uitvaardiging evenredig is [zie in die zin arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456, punten 71 en 73].
32
Wat een met het oog op strafvervolging uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel betreft, heeft het Hof hieraan toegevoegd dat, wanneer het recht van een uitvaardigende lidstaat de bevoegdheid om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, toekent aan een autoriteit die weliswaar aan de rechtsbedeling in die lidstaat deelneemt maar zelf geen rechterlijke instantie is, de beslissing om een dergelijk aanhoudingsbevel uit te vaardigen en met name de evenredigheid van een dergelijke beslissing in de betreffende lidstaat bovendien het voorwerp moet kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming [arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 75].
33
Anders dan het geval was in de situaties die hebben geleid tot de arresten van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456), en 27 mei 2019, PF (Procureur-generaal van Litouwen) (C-509/18, EU:C:2019:457), die betrekking hadden op Europese aanhoudingsbevelen die waren uitgevaardigd met het oog op strafvervolging, heeft het hoofdgeding in casu betrekking op een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op uitvoering van een straf.
34
Aan een dergelijk bevel ligt, zoals blijkt uit artikel 8, lid 1, onder c) en f), van kaderbesluit 2002/584, een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis ten grondslag, waarbij de betrokken persoon een vrijheidsstraf wordt opgelegd en waarmee het vermoeden van onschuld van deze persoon is weerlegd in een gerechtelijke procedure die moet voldoen aan de vereisten van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten.
35
In een dergelijke situatie wordt de rechterlijke toetsing waarnaar wordt verwezen in punt 75 van het arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456), en die tegemoetkomt aan de behoefte om effectieve rechterlijke bescherming te waarborgen aan de persoon die wordt gezocht op grond van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op uitvoering van een straf, verwezenlijkt middels het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis.
36
Gelet op het bestaan van een eerdere gerechtelijke procedure waarin uitspraak is gedaan over de schuld van de gezochte persoon kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit immers ervan uitgaan dat de beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen met het oog op de uitvoering van een straf voortvloeit uit een nationale procedure waarin de persoon jegens wie een voor uitvoering vatbaar vonnis is gewezen, alle waarborgen heeft genoten waarmee het vaststellen van dergelijke beslissingen is omgeven, met name die welke voortvloeien uit de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen als bedoeld in artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584.
37
Daarenboven voorzien de bepalingen van kaderbesluit 2002/584 zelf reeds in een procedure conform de vereisten van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, onafhankelijk van de wijze waarop de lidstaten het kaderbesluit uitvoeren (arrest van 30 mei 2013, F, C-168/13 PPU, EU:C:2013:358, punt 47).
38
Wanneer een Europees aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd met het oog op de uitvoering van een straf, vloeit de evenredigheid ervan bovendien voort uit de uitgesproken veroordeling, die blijkens artikel 2, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 moet bestaan uit een straf of een maatregel met een duur van ten minste vier maanden.
39
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een wettelijke regeling van een lidstaat die de bevoegdheid om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen met het oog op uitvoering van een straf toekent aan een autoriteit die weliswaar aan de rechtsbedeling in die lidstaat deelneemt maar zelf geen rechterlijke instantie is, doch niet voorziet in een afzonderlijk beroep in rechte tegen de beslissing van die autoriteit om een dergelijk Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen.
Kosten
40
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een wettelijke regeling van een lidstaat die de bevoegdheid om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen met het oog op uitvoering van een straf toekent aan een autoriteit die weliswaar aan de rechtsbedeling in die lidstaat deelneemt maar zelf geen rechterlijke instantie is, doch niet voorziet in een afzonderlijk beroep in rechte tegen de beslissing van die autoriteit om een dergelijk Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑12‑2019
Conclusie 26‑11‑2019
M. Campos sánchez-bordona
Partij(en)
Zaak C-627/19 PPU1.
Openbaar Ministerie
tegen
ZB
[verzoek van de rechtbank Amsterdam (Nederland) om een prejudiciële beslissing]
1.
Het Hof krijgt — opnieuw — verzoeken om een prejudiciële beslissing voorgelegd waarin het moet beslissen of het openbaar ministerie (in casu van België) in het kader van de afgifte van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) kan worden beschouwd als een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ2..
2.
De twijfels van de verwijzende rechter in deze zaak en de zaken C-625/19 PPU en C-626/19 PPU sluiten aan bij die welke door een Luxemburgse rechter (zaak C-566/19 PPU) worden opgeworpen, en hebben met name betrekking op de uitlegging die moet worden gegeven aan het arrest van het Hof in de zaken OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau)3..
3.
Dezelfde twijfels zijn gerezen met betrekking tot het openbaar ministerie van Zweden (zaak C-625/19 PPU) en van Frankrijk (zaken C-566/19 PPU en C-626/19 PPU). In die zaken neem ik heden eveneens conclusie.
4.
Zaak C-626/19 PPU betreft EAB's die zijn uitgevaardigd met het oog op strafvervolging. In de onderhavige zaak is de aandacht van de verwijzende rechter daarentegen gericht op EAB's die zijn uitgevaardigd met het oog op uitvoering van een vrijheidsstraf, die bij voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis is opgelegd.
5.
Mijn principestandpunt is nog steeds het standpunt dat ik in de zaken OG (Openbaar ministerie van Lübeck) en PI (Openbaar ministerie van Zwickau)4. en in de zaak PF (Procureur-generaal van Litouwen)5. heb verdedigd. In de onderhavige conclusie zal ik mij echter buigen over de uitlegging van het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) en van het arrest van 9 oktober 20196. in een andere vergelijkbare zaak.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
6.
Ik verwijs naar de overwegingen 5, 6, 8, 10 en 12 en de artikelen 1 en 9 van het kaderbesluit, die zijn aangehaald in de conclusie in de zaken OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau).
B. Nationaal recht
7.
Blijkens de door de Belgische regering verstrekte informatie bepaalt de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel7. in artikel 328.:
- ‘§ 1.
Indien grond bestaat te denken dat een persoon gezocht met het oog op strafvervolging zich op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie bevindt, vaardigt de onderzoeksrechter, of de procureur des Konings ter uitvoering van een bevel tot aanhouding uitgevaardigd, naargelang van het geval, door de rechtbank of het hof, een [EAB] uit in de vormen en onder de voorwaarden omschreven in de artikelen 2 en 3. Het [EAB] uitgevaardigd met het oog op strafvervolging kan enkel worden uitgevaardigd onder de voorwaarden bepaald in de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
[…]
- § 2.
Indien grond bestaat te denken dat een persoon gezocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of van een veiligheidsmaatregel zich op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie bevindt, vaardigt de procureur des Konings een [EAB] uit in de vormen en onder de voorwaarden omschreven in de artikelen 2 en 3.
Indien in dit geval de straf of de veiligheidsmaatregel is uitgesproken bij wege van een bij verstek gewezen beslissing en de gezochte persoon niet persoonlijk is gedagvaard of op een andere wijze in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting waarop voornoemde beslissing is gewezen, wordt in het [EAB] vermeld dat de gezochte persoon in België verzet kan doen tegen de beslissing en in zijn aanwezigheid kan worden berecht.
[…]’
8.
Artikel 28/1 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis9. bepaalt:
‘De rechtbank of het hof, naargelang van het geval, kan een bevel tot aanhouding uitvaardigen in het geval dat de verdachte niet persoonlijk kan verschijnen omwille van een hechtenis in het buitenland en hijzelf gevraagd heeft om persoonlijk aanwezig te kunnen zijn.’
II. Geding en prejudiciële vraag
9.
Op 24 april 2019 heeft de Procureur des Konings te Brussel (België) een EAB uitgevaardigd ten behoeve van tenuitvoerlegging van een vonnis dat op 7 februari 2019 door de Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (België) is gewezen tegen ZB.10.
10.
Nadat ZB op 3 mei 2019 in Nederland was aangehouden, werd het EAB toegezonden aan de rechtbank Amsterdam (Nederland), die heeft beslist het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Geldt, als een EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een bij voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van een rechter of rechterlijke instantie opgelegde vrijheidsstraf, terwijl het EAB is uitgevaardigd door een officier van justitie die deelneemt aan de rechtsbedeling in de uitvaardigende lidstaat en gewaarborgd is dat hij in de uitoefening van zijn met de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel inherent verbonden taken, op onafhankelijke wijze optreedt, ook de voorwaarde dat een beroep in rechte tegen de beslissing om een EAB uit te vaardigen — in het bijzonder de evenredigheid daarvan — dat volledig voldoet aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming mogelijk moet zijn?’
III. Procedure bij het Hof
11.
De zaak is ter griffie van het Hof ingekomen op 22 augustus 2019. Aangezien ZB zich in detentie bevindt, heeft de verwijzende rechter verzocht om behandeling van deze zaak volgens de spoedprocedure. Het Hof heeft dat verzoek ingewilligd.
12.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door ZB, de Belgische en de Nederlandse regering, het Nederlandse Openbaar Ministerie en de Commissie.
13.
De openbare terechtzitting voor deze zaak heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2019, samen met die voor de zaken C-566/19 PPU, C-626/19 PPU en C-625/19 PPU. Op die terechtzitting zijn JR, YC, XD, ZB, het Luxemburgse en het Nederlandse openbaar ministerie, de Nederlandse, de Franse, de Zweedse, de Belgische, de Ierse, de Spaanse, de Italiaanse en de Finse regering alsmede de Commissie verschenen.
IV. Beoordeling
A. Voorafgaande opmerking
14.
De in deze zaak gestelde vraag vertoont raakvlakken met de vraag in zaak C-626/19 PPU, waarover ik mijn standpunt uiteenzet in de conclusie die ik eveneens heden neem.
15.
In die conclusie ga ik niet alleen in op de kwestie van de rechterlijke toetsing van een door het openbaar ministerie uitgevaardigd EAB (de kwestie waarop de onderhavige prejudiciële verwijzing betrekking heeft), maar ook op de vraag of de leden van die instelling kunnen worden beschouwd als een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van het kaderbesluit.
16.
In de onderhavige procedure gaat de rechtbank Amsterdam ervan uit dat het Belgische Openbaar Ministerie een EAB kan uitvaardigen, omdat het voldoet aan de criteria van onafhankelijkheid die kenmerkend zijn voor een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 1, van het kaderbesluit.
17.
Aangezien de onafhankelijkheid van het Belgische Openbaar Ministerie in deze zaak niet ter discussie staat, is niet de informatie verstrekt die nodig is om te beoordelen of de leden van deze instelling, volgens haar grondwettelijke status en haar organisatorische en functionele structuur, voldoen aan de vereisten die het Hof heeft vastgesteld in het arrest van 27 mei 2019, PF (Procureur-generaal van Litouwen).11. Over deze kwestie kan ik mij dus niet uitspreken.
B. Rechterlijke toetsing van het door het openbaar ministerie uitgevaardigde EAB
18.
Mijn conclusie in de gevoegde zaken C-566/19 PPU en C-626/19 PPU betreft de rechterlijke toetsing van een EAB dat is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging.
19.
In die context stel ik mij op het standpunt dat de rechterlijke toetsing die is uitgevoerd ten tijde van de vaststelling van het nationale aanhoudingsbevel (hierna: ‘NAB’) naar haar aard niet kan voldoen aan ‘de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming’ zoals bedoeld in punt 75 van het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau). Het is immers altijd de betrokkene die verzoekt om een dergelijke bescherming, die wordt verzekerd door middel van een procedure waarin hij kan optreden en deelnemen en zijn recht van verdediging kan uitoefenen.12.
20.
Bijgevolg kan voor een EAB dat wordt vastgesteld door een officier van justitie die als een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 1, van het kaderbesluit kan worden aangemerkt, vóór de afgifte van het EAB worden gecontroleerd of is voldaan aan de voorwaarden voor de uitvaardiging daarvan, maar dit ontneemt de gezochte persoon niet het recht om beroep in rechte in te stellen tegen dat EAB zodra het is uitgevaardigd.
21.
Dit geldt niet alleen voor een EAB dat wordt uitgevaardigd ten behoeve van strafvervolging, maar ook voor een EAB dat wordt uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vonnis.
22.
Bij de uitvaardiging van een EAB ten behoeve van tenuitvoerlegging van een vonnis speelt het opportuniteitsbeginsel gewoonlijk geen rol — wél het beginsel van strikte toepassing van de wet (namelijk de tenuitvoerlegging van een vonnis waarbij de wet wordt toegepast op een specifieke situatie).
23.
Er zou dus van kunnen worden uitgegaan dat zodra een vonnis is gewezen, over de tenuitvoerlegging daarvan niet kan worden onderhandeld en dat dus automatisch een EAB moet worden uitgevaardigd indien de veroordeelde persoon zich in een andere lidstaat bevindt.
24.
Het bestaan van een NAB of, zoals hier het geval is, van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis tot vrijheidsbeneming is echter niet de enige noodzakelijke voorwaarde voor de afgifte van een EAB. De uitvaardiging daarvan moet namelijk ook evenredig zijn. Het is de taak van de rechters en rechterlijke instanties om die evenredigheid te controleren, hetzij ambtshalve of middels bekrachtiging van de eerdere beslissing van het openbaar ministerie13., hetzij in het kader van een door de betrokkene ingesteld beroep in rechte.
25.
Het klopt dat de wetgever zelf al in ruime mate een voorafgaande evenredigheidstoetsing heeft verricht. Zo sluit het kaderbesluit de uitvaardiging van EAB's uit voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van minder dan vier maanden.14.
26.
De evenredigheid van de uitvaardiging van een EAB wordt evenwel niet uitsluitend bepaald door de duur van de bij een vonnis opgelegde vrijheidsstraf. Een andere, niet minder relevante factor is namelijk de duur van de detentie die de behandeling van een EAB in de uitvoerende lidstaat naar verwachting met zich mee kan brengen. In voorkomend geval moet rekening worden gehouden met de ‘gevolgen [die] de overleveringsprocedure en de overbrenging van de in een andere lidstaat […] verblijvende betrokken persoon hebben voor diens sociale relaties en familiebanden’15..
27.
Het is juist dat de tijd die in de uitvoerende lidstaat in detentie is doorgebracht in mindering moet komen op de straf die in de uitvaardigende lidstaat is opgelegd.16. Naargelang van de omstandigheden kan die tijd echter ook in detentie zijn doorgebracht hoewel de straf die ten uitvoer moet worden gelegd naar haar aard in de uitvaardigende lidstaat niet noodzakelijkerwijs gepaard gaat met vrijheidsbeneming.
28.
Er zijn immers niet noodzakelijkerwijs redenen voor de rechter of rechterlijke instantie die de veroordeling uitspreekt om op dat moment rekening te houden met de mogelijkheid om ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het vonnis een EAB uit te vaardigen. Het komt — niet zelden — voor dat een NAB wordt vastgesteld om te verzekeren dat de veroordeelde persoon in rechte verschijnt waarna, op basis van een gegrond verzoek van die persoon of om andere redenen van nationaal recht, de in het vonnis vastgestelde gevangenisstraf wordt verminderd of opgeschort mits, in voorkomend geval, de betrokkene bepaalde garanties biedt.
29.
Na een veroordeling volgt dus niet noodzakelijkerwijs een EAB: als rechter die een effectieve rechterlijke bescherming moet waarborgen, beslist de vonnissende rechter (of een andere ter zake bevoegde gerechtelijke instantie) op grond van het evenredigheidsbeginsel of hij zich al dan niet tot de uitvoerende lidstaat wendt om de veroordeelde persoon te laten overleveren.
30.
In dit verband kan van belang zijn hoeveel tijd tussen het vonnis en de uitvaardiging van het EAB verstrijkt. Soms bestaat het risico dat er te veel tijd verstrijkt, ook wanneer de toetsing van de evenredigheid van het EAB in het veroordelende vonnis zelf is verricht.17.
31.
Indien de uitvaardiging van het EAB op zich laat wachten, kan de impliciete of expliciete evenredigheidstoetsing in het vonnis achterhaald zijn. Een van de bepalende factoren bij de beoordeling van de evenredigheid van het EAB is de mogelijke duur van de detentie in de uitvoerende lidstaat — tijd die niet buiten beschouwing kan worden gelaten bij de beoordeling of de uitvaardiging van een EAB evenredig is in het licht van de situatie van de gezochte persoon en de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt gezocht.
32.
In dezelfde geest kan niet worden uitgesloten dat de gezochte persoon op het tijdstip van uitvaardiging van het EAB een voldoende sterke band met de uitvoerende lidstaat heeft opgebouwd, zodat kaderbesluit 2008/909/JBZ van toepassing wordt.18. Indien dat het geval is, moet worden nagegaan of de straf voor de tenuitvoerlegging waarvan het EAB wordt uitgevaardigd, in die lidstaat kan worden uitgezeten.
33.
Uit het voorgaande volgt dat EAB's die worden uitgevaardigd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een veroordelend vonnis bijkomende problemen kunnen opleveren, die niet beperkt zijn tot de loutere constatering van het bestaan van een dergelijk vonnis en van de vrijheidsbeneming die uit hoofde daarvan wordt opgelegd. Indien die EAB's worden uitgevaardigd door een lid van het openbaar ministerie, moet de betrokkene de mogelijkheid hebben om die beslissing ter controle aan een rechter voor te leggen.
34.
Derhalve ben ik van mening dat het recht op een beroep in rechte, dat geldt voor EAB's die zijn uitgevaardigd met het oog op strafvervolging, ook van toepassing is wanneer EAB's worden uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vonnis.
V. Conclusie
35.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de vraag van de rechtbank Amsterdam (Nederland) te beantwoorden als volgt:
‘Tegen Europese aanhoudingsbevelen die door het openbaar ministerie worden uitgevaardigd met het oog op de uitvoering van een vrijheidsstraf die is opgelegd bij een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis moet op soortgelijke wijze beroep in rechte kunnen worden ingesteld als tegen EAB's die zijn uitgevaardigd met het oog op strafvervolging.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑11‑2019
Oorspronkelijke taal: Spaans.
Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: ‘kaderbesluit’).
Arrest van 27 mei 2019, C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456; hierna: ‘arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau)’.
Gevoegde zaken C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:337; hierna: ‘conclusie in de zaken OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau)’.
Zaak C-509/18, EU:C:2019:338; hierna: ‘conclusie in de zaak PF (Procureur-generaal van Litouwen)’.
Zaak C-489/19 PPU, NJ (Openbaar ministerie Wenen), EU:C:2019:849; hierna: ‘arrest NJ (Openbaar ministerie Wenen)’.
Belgisch Staatsblad van 22 december 2003, blz. 60075.
Zoals gewijzigd bij artikel 13 van de wet van 11 juli 2018 houdende diverse bepalingen in strafzaken (Belgisch Staatsblad van 18 juli 2018, blz. 57582; hierna: ‘wet van 2018’).
Bepaling ingevoegd bij artikel 12 van de wet van 2018.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat ZB is veroordeeld tot gevangenisstraffen voor de duur van 30 maanden en van één jaar.
Zaak C-509/18, EU:C:2019:457; hierna: ‘arrest PF (Procureur-generaal van Litouwen)’.
Conclusie in de zaken C-566/19 PPU en C-626/19 PPU, punt 84.
Dit was het geval in de zaak NJ (Openbaar ministerie Wenen).
Artikel 2, lid 1, van het kaderbesluit.
Arrest NJ (Openbaar ministerie Wenen), punt 44.
Artikel 26, lid 1, van het kaderbesluit.
Dit is ook het geval wanneer het EAB niet meteen wordt uitgevaardigd na de vaststelling van het NAB waarvan de rechterlijke autoriteit de evenredigheid heeft onderzocht. Dit geval bespreek ik in punt 80 van mijn conclusie in de zaken C-566/19 PPU en C-626/19 PPU.
Kaderbesluit van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB 2008, L 327, blz. 27).