Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.2.4.1
3.2.4.1 Absoluut (of objectief) en relatief (of subjectief) toekomstige goederen
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS473185:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/20 en 307; Snijders & Rank-Berenschot 2012/62 en 420; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/81, 95 en 247. Zie reeds Wiarda 1940, p. 8-9.
Zie bijvoorbeeld reeds Asser II 1896, p. 19; en Asser/Scholten II 1905, p. 23.
(Kennelijk) anders: R. Jansen 2009/448. Volgens Jansen bestaat een absoluut toekomstige zaak “niet materialiter in de werkelijkheid, maar slechts als idee”.
Vgl. art. 3:3 lid 1 en 5:20 onder b BW.
Vgl. art. 3:9 lid 4 BW.
Vgl. Verhagen/Rongen 2000, p. 54; Hijma & Olthof 2014/138; en Rongen 2012/859. Zie reeds Wiarda 1940, p. 7-8 en 58.
52. Toekomstige goederen worden onderscheiden in absoluut toekomstige goederen en relatief toekomstige goederen.1 Van oudsher worden deze categorieën toekomstige goederen onderkend.2
Onder absoluut toekomstige goederen worden begrepen goederen die in het geheel niet bestaan. Te denken valt aan een stoel die nog gefabriceerd moet worden, een appel uit de oogst van volgend jaar of een vordering uit een nog te sluiten overeenkomst. Het verdient opmerking dat het gaat om goederen die in juridische zin niet bestaan. Doorgaans zal een juridische non-existentie samenlopen met de feitelijke toestand. De nog te fabriceren stoel en de appel uit de oogst van een volgend jaar zijn hier voorbeelden van. Deze goederen bestaan noch in juridische, noch in fysieke zin. Het is echter niet uitgesloten dat een object in fysieke zin al bestaat, maar in juridische zin (vooralsnog) non-existent is.3 Dit zal het geval zijn indien het object geen goederenrechtelijke zelfstandigheid heeft. Te denken valt aan een object dat een bestanddeel vormt van een andere zaak, zoals een dakpan die deel uitmaakt van het dak van een huis.4 Andere voorbeelden zijn delfstoffen die zich in de bodem bevinden, maar die nog moeten worden gewonnen;5 of natuurlijke vruchten die nog niet zijn afgescheiden, zoals een appel die nog in de boom hangt.6 Nu absoluut toekomstige goederen als zodanig nog niet bestaan, kunnen zij aan niemand toebehoren.
Onder relatief toekomstige goederen worden begrepen goederen die reeds bestaan, maar waarop een bepaald persoon niet de rechthebbende is. Daarvan is sprake indien het goed aan een ander toebehoort, maar ook indien het goed vooralsnog aan niemand toebehoort. Dit laatste kan zich overigens slechts voordoen bij roerende zaken.7 Behoort het goed aan een ander toe, dan is het goed voor deze andere persoon uiteraard geen toekomstig goed. Het goed maakt immers deel uit van zijn vermogen. In verhouding tot alle andere personen is het desbetreffende goed wel degelijk aan te merken als een toekomstig goed. De toekomstigheid van een reeds bestaand goed is daarmee steeds relatief. Zij is afhankelijk van de verhouding van een bepaalde persoon tot het desbetreffende goed.
Door sommigen wordt de voorkeur gegeven aan de begrippen objectief en subjectief toekomstig goed, in plaats van absoluut en relatief toekomstig goed.8 Deze terminologie zou beter tot uitdrukking brengen waarin de toekomstigheid van het goed is gelegen: in het ontbreken van het goed als rechtsobject, of in het niet-toebehoren van een goed aan een bepaald rechtssubject. Deze terminologie voorkomt verwarring met de hierna de behandelen categorie van absoluut (of dubbel) toekomstige vorderingen en relatief (of enkel) toekomstige vorderingen.