type:coll:
Rb. Rotterdam, 07-09-2022, nr. C/10/615958 / HA ZA 21-293
ECLI:NL:RBROT:2025:6647
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
07-09-2022
- Zaaknummer
C/10/615958 / HA ZA 21-293
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2025:6647, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 28‑05‑2025; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2022:8133, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 07‑09‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 28‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Na getuigenbewijs en -waardering komt vast te staan dat partijen gebonden zijn aan de door hen getekende overeenkomst. De persoonlijke garantstelling in de overeenkomst wordt vernietigd op grond van artikel 1:88 BW. Een van gedaagden in conventie is tijdens de procedure failliet verklaard. Het geding in conventie tussen eiseres en de failliet is van rechtswege geschorst (art. 29 Fw). Het geding in conventie tussen eiseres en de overige gedaagden is voortgezet. De procedure in reconventie tussen de failliet en verweerster is niet overnomen door de curator (art. 27 Fw) en voortgezet. De veroordeling van de failliet in reconventie heeft geen rechtskracht tegenover de failliete boedel (art. 25 lid 2 Fw).
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/615958 / HA ZA 21-293
Vonnis van 28 mei 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ECP FACTORING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. S. Remers te Amsterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 1] (in faillissement),
gevestigd te [plaats 1] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 2] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 3] ,
gevestigd te [plaats 2] , en
4. [gedaagde 4],
wonende te [plaats 3] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. D.R.D. van Lenningh te Rotterdam, die zich als advocaat van [gedaagde 1] heeft onttrokken.
Eiseres zal hierna ECP Factoring worden genoemd. [gedaagde 1] (in faillissement), [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zullen hierna [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden genoemd. [gedaagde 4] zal worden aangeduid als [gedaagde 4] . [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zullen gezamenlijk ook wel de overige gedaagden worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 7 september 2022 (hierna: het tussenvonnis) en de daarin genoemde processtukken;
- -
het e-mailbericht van de curator van [gedaagde 1] van 13 september 2022;
- -
de akte uitlaten, tevens overleggen productie 50, van de overige gedaagden van 2 november 2022;
- -
het proces-verbaal van getuigenverhoor van 8 februari 2023;
- -
het proces-verbaal van getuigenverhoor van 7 juni 2023;
- -
het proces-verbaal van getuigenverhoor van 11 oktober 2023;
- -
de conclusie na enquête van de overige gedaagden van 12 juni 2024;
- -
de conclusie na enquête met productie 35 van ECP Factoring van 21 augustus 2024; en
- -
de akte uitlaten van de overige gedaagden van 9 oktober 2024.
1.2.
Op 15 maart 2022 is [gedaagde 1] door de rechtbank in staat van faillissement verklaard. Omdat de vorderingen in conventie tegen [gedaagde 1] verifieerbare vorderingen zijn, is het geding in conventie tegen [gedaagde 1] door de faillietverklaring van [gedaagde 1] op 15 maart 2022 van rechtswege geschorst (artikel 29 Fw). De procedure stond toen al voor vonnis. Dit vonnis (het tussenvonnis) is gewezen op 7 september 2022.
1.3.
In de procedure in reconventie heeft ECP Factoring geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 27 Fw. biedt om schorsing van het geding te verzoeken en de curator van [gedaagde 1] tot overneming van het geding op te roepen. De curator van [gedaagde 1] heeft die procedure evenmin eigener beweging overgenomen, maar heeft bij brief van 13 september 2022 te kennen gegeven dat hij er geen bezwaar tegen heeft dat die procedure buiten bezwaar van de boedel wordt voortgezet. De procedure in reconventie is dus na het faillissement van [gedaagde 1] tussen alle partijen, inclusief [gedaagde 1] , voortgezet.
1.4.
Op 18 oktober 2022 heeft mr. Van Lenningh zich onttrokken als advocaat van [gedaagde 1] . Er heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld voor [gedaagde 1] . Daardoor heeft [gedaagde 1] na 18 oktober 2022 geen proceshandelingen meer verricht in de procedure in reconventie.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Wat staat er in het tussenvonnis en wat is er daarna gebeurd?
2.1.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis overwogen dat [gedaagde 1] in elk geval (dus onafhankelijk van de bewijslevering) € 526.395,61 aan ECP Factoring verschuldigd is vanwege betalingen die door ECP Factoring ten behoeve van [gedaagde 1] zijn gedaan (zie 4.8 van het tussenvonnis). De rechtbank heeft ook overwogen dat de persoonlijke garantie van [gedaagde 4] , als daarvan sprake is, rechtsgeldig is vernietigd (4.18 en 4.34 van het tussenvonnis).
2.2.
De vraag die nu voorligt is of partijen gebonden zijn aan de op 6 maart 2019 door hen getekende factoringovereenkomst (hierna: de factoringovereenkomst). Die vraag is relevant voor de verschuldigdheid van het factorloon en de contractuele boetes en voor de aansprakelijkheid van FGP en [gedaagde 3] .
2.3.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis in conventie (onder 5.1) beslist dat gedaagden worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen met de inhoud van de factoringovereenkomst, en heeft hen in reconventie (onder 5.2) opgedragen te bewijzen dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen met de inhoud van de factoringovereenkomst.
2.4.
De overige gedaagden hebben in conventie en in reconventie zeven getuigen laten horen, te weten:
- -
[gedaagde 4] ;
- -
de heer [getuige 2] (hierna: [getuige 2] );
- -
de heer [getuige 3] (hierna: [getuige 3] );
- -
de heer [getuige 4] (hierna: [getuige 4] );
- -
mevrouw [getuige 5] (hierna: [getuige 5] );
- -
de heer [getuige 6] ; en
- -
de heer [getuige 7] .
2.5.
ECP Factoring heeft geen getuigen laten horen.
3. De verdere beoordeling
De gevolgen van het faillissement van [gedaagde 1]
3.1.
De procedure in conventie tussen ECP Factoring en [gedaagde 1] is ingevolge artikel 29 Fw. geschorst en blijft geschorst tenzij de vorderingen van ECP Factoring bij de verificatie worden betwist. De rechtbank zal in die procedure iedere verdere beslissing aanhouden en zal die procedure verwijzen naar de parkeerrol.
3.2.
De procedure in conventie tussen ECP Factoring en de overige gedaagden is door het faillissement van [gedaagde 1] niet geraakt. De rechtbank zal in dit vonnis dus beslissen op de vorderingen van ECP Factoring tegen de overige gedaagden.
3.3.
Zoals overwogen in 1.3 is de procedure in reconventie na het faillissement van [gedaagde 1] tussen alle partijen voortgezet. De rechtbank zal dus in reconventie tussen alle partijen, inclusief [gedaagde 1] , vonnis wijzen. Een veroordeling van [gedaagde 1] in reconventie heeft echter geen rechtskracht tegenover de failliete boedel van [gedaagde 1] . Dit volgt uit artikel 25 lid 2 Fw.
De bewijswaardering in conventie en in reconventie
3.4.
Voor de beslissingen in conventie en in reconventie is doorslaggevend of het in 2.3 bedoelde (tegen)bewijs is geleverd. Er zijn zeven getuigen gehoord. De rechtbank zal hierna aan de hand van de relevante delen van de getuigenverklaringen beoordelen of het in 2.3 bedoelde (tegen)bewijs is geleverd.
3.5.
[gedaagde 4] , (indirect) bestuurder van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en in 2019 ook (indirect) bestuurder van [gedaagde 1] , heeft als getuige onder meer verklaard:
“Zowel de heer [persoon A] als de heer [persoon B] [van ECP Factoring, rechtbank] heeft tegen mij gezegd dat er feitelijk geen gebruik zou worden gemaakt van de factoringovereenkomst”.
Hij heeft ook verklaard:
“De bedoeling van een factoringovereenkomst is het bevoorschotten van facturen en dat is nooit gebeurd en dat zou ook nooit gebeuren.”
Voorts heeft [gedaagde 4] verklaard dat de factoringovereenkomst eigenlijk een “fake-contract” is. Volgens de getuigenverklaring van [gedaagde 4] was dus bij ondertekening van de factoringovereenkomst voor partijen al duidelijk dat de factoringovereenkomst niet uitgevoerd zou worden. Echter, naast [gedaagde 4] is geen van de personen die als getuigen zijn gehoord, betrokken geweest bij de besprekingen die hebben geleid tot de ondertekening van de factoringovereenkomst. Volgens [getuige 2] , de broer van [gedaagde 4] , die in 2019 medewerker was van [gedaagde 1] , was [getuige 3] bij die besprekingen betrokken, maar [getuige 3] (die in 2019, evenals [gedaagde 4] , indirect bestuurder was van [gedaagde 1] ) heeft als getuige verklaard dat de overeenkomst al definitief was toen hij ernaar vroeg. Dit is bevestigd door [gedaagde 4] die heeft verklaard dat hij de factoringovereenkomst, voordat hij die tekende, niet met [getuige 3] heeft besproken. [gedaagde 4] is dus de enige getuige die heeft kunnen verklaren over wat er is besproken tijdens de besprekingen die hebben geleid tot de totstandkoming van de factoringovereenkomst. [gedaagde 4] is een partij-getuige. Zijn verklaring omtrent hetgeen in die besprekingen is besproken kan dus slechts als steunbewijs dienen. Ander bewijs dat het bij ondertekening van de factoringovereenkomst de bedoeling van partijen was dat de overeenkomst niet zou worden uitgevoerd, is echter niet geleverd.
3.6.
Integendeel, uit de door ECP Factoring als productie 35 overgelegde e-mail die [gedaagde 4] op 22 april 2024, dus ná het getuigenverhoor, heeft gestuurd aan ECP Factoring en NIBC, blijkt dat het bij ondertekening wel degelijk de bedoeling van partijen was dat de factoringovereenkomst zou worden uitgevoerd. [gedaagde 4] schrijft in die e-mail onder meer:
“Tijdens de getuigenverhoren is aan de orde gekomen dat het factoringscontract zoals het is getekend - kort gezegd - niet bedoeld zou zijn geweest om factoring uit te voeren. Dit geldt echter in die zin niet voor mij/ [gedaagde 1] (voorzover ik daar invloed op had). Het nakomen van de overeenkomst was wel degelijk door ons beoogd, zij het met de beperkingen in ogenschouw dat Bovemij [= Care4Lease B.V., rechtbank] wegens haar wijze van financiering alreeds rechten kon doen gelden op het bestaande wagenpark”.
Volgens deze e-mail van [gedaagde 4] was het dus de bedoeling dat [gedaagde 1] aan ECP Factoring al díe vorderingen zou gaan cederen waar Care4Lease B.V. (hierna: Care4Lease) geen rechten op kon doen gelden. Dit strookt met de tekst van de factoringovereenkomst. In de allonge bij de factoringovereenkomst staat immers dat [gedaagde 1] vorderingen op klanten wegens verschuldigde leasetermijnen (zogenaamde “Uitgesloten Vorderingen”) niet behoeft te cederen omdat die vorderingen aan Care4Lease verpand moeten worden, maar dat zij vorderingen wegens de verkoop van auto’s, dus vorderingen óp Care4Lease, wel moet cederen. De factoringovereenkomst geeft dus volgens de e-mail van [gedaagde 4] van 22 april 2024 de bedoeling van partijen wél juist weer: [gedaagde 1] moest haar vorderingen op Care4Lease gaan cederen.
3.7.
Ook [getuige 2] verklaart dat het na ondertekening van de factoringovereenkomst de bedoeling was dat [gedaagde 1] vorderingen aan ECP Factoring zou gaan cederen:
“U houdt mij voor mijn e-mail van 28 maart 2019 aan [persoon C] (in productie 33 van ECP) waarin ik vraag om een voorbeeld van een cessietekst. U vraagt mij waarom ik daarom vroeg. Ik vroeg dat omdat er op dat moment nog sprake van was dat we wel zouden gaan factoren. Later bleek dat dat niet kon. ECP wilde dat we voor de facturen van de voertuigen die we aan Care4Lease stuurden een aparte nummering zouden hanteren die anders was dan de nummering van de facturen van de maantermijnen die we aan de klanten stuurden. De bedoeling was dan dat de ene soort facturen wel gefactored zou worden en de ander niet, maar uiteindelijk bleek dat allebei niet kon.”
3.8.
Uit het voorgaande volgt dat niet bewezen is dat het bij ondertekening van de factoringovereenkomst de bedoeling van partijen was om geen uitvoering te geven aan die overeenkomst. Evenmin is tegenbewijs van die strekking geleverd.
3.9.
[gedaagde 4] heeft als getuige ook het volgende verklaard:
“De factoringovereenkomst zoals die is opgeschreven, kon niet worden nagekomen. In de eerste plaats omdat de facturen al waren verpand aan een andere financier, Care4Lease, en in de tweede plaats omdat Care4Lease de facturen van [gedaagde 1] altijd direct betaalde zodat er niets te factoren viel.”
Volgens deze verklaring was nakoming van de factoringovereenkomst door [gedaagde 1] onmogelijk omdat al haar vorderingen al verpand waren. Ook gedaagden hebben dat bepleit. Dit strookt echter niet met de feiten. [gedaagde 1] had twee soorten vorderingen: vorderingen op Care4Lease als gevolg van aan Care4Lease verkochte auto’s, en vorderingen op klanten in verband met aan die klanten geleaste auto’s. Van die laatste vorderingen staat vast dat ze niet gecedeerd mochten worden omdat ze verpand moesten worden aan Care4Lease/Bovemij (dit is ook zo opgenomen is de allonge bij de factoringovereenkomst). Maar op de vorderingen op Care4Lease uit hoofde van verkoopfacturen voor verkochte auto’s rustte geen cessieverbod; deze vorderingen mocht [gedaagde 1] dus vrijelijk cederen aan ECP Factoring (en moest zij ook cederen aan ECP Factoring volgens de allonge bij de factoringovereenkomst). De verklaring van [gedaagde 4] dat de factoringovereenkomst niet kon worden nagekomen door [gedaagde 1] , is dus niet juist.
3.10.
Volgens de in 3.9 geciteerde verklaring van [gedaagde 4] leenden de vorderingen van [gedaagde 1] zich ook niet voor factoring/bevoorschotting omdat het (zeer) kortlopende vorderingen waren. [getuige 2] heeft een soortgelijke verklaring afgelegd:
“Er kon niet gefactored worden omdat de verkoopfacturen van de voertuigen door Care4Lease altijd binnen een dag betaald werden en omdat de facturen voor de leasetermijnen naar de klant een betaaltermijn van maar vijf dagen hadden.”
Volgens gedaagden was het, mede vanwege die korte looptijd van de facturen van [gedaagde 1] , voor partijen een vaststaand gegeven dat geen uitvoering zou worden gegeven aan de factoringovereenkomst. Dat de verkoopfacturen van [gedaagde 1] doorgaans een korte looptijd hadden, maakt echter niet dat ECP Factoring geen belang had bij cessie van die vorderingen. Door een openbare cessie, dus mét mededeling aan de debiteuren (zoals afgesproken in de factoringovereenkomst) zou immers zeker gesteld worden dat Care4Lease uitsluitend bevrijdend kon betalen op de door ECP Factoring aangewezen rekening. De overeengekomen cessie bood ECP Factoring zo bescherming tegen het “omleiden” van de betalingen van Care4Lease door [gedaagde 1] . Dat Care4Lease doorgaans snel betaalde, betekent dus niet dat [gedaagde 1] ervan uit mocht gaan dat de cessieverplichting geen gelding had.
3.11.
[getuige 4] , die in 2019 bij ECP Factoring belast was met het doen van uitbetalingen richting klanten, heeft over de wijze van financiering van [gedaagde 1] door ECP Factoring het volgende verklaard:
“Standaard is dat wij uitbetalingen deden voor de klant op basis van facturen, dat is het factoringgedeelte, maar we deden ook wel betalingen op grond van overboekingsverzoeken waar geen factuur aan ten grondslag lag. Die betalingen op grond van overboekingsverzoeken werden dan later verrekend met uitbetalingen die we moesten doen op grond van ingediende facturen. Wanneer ik spreek over ‘wij’ dan bedoel ik ECP Nederland B.V.. Begin 2019 hadden wij ook zo’n rekening voor [gedaagde 1] . Vanaf die rekening betaalden wij overboekingsverzoeken die [gedaagde 1] indiende. Bij mijn weten werden er op dat moment geen uitbetalingen op grond van ingediende facturen gedaan. Bij mijn weten hebben wij ook later nooit facturen van [gedaagde 1] bevoorschot. Er werden alleen maar betalingen op grond van overboekingsverzoeken gedaan. Althans, dat is wat ik weet. Ik had niet een dusdanig hoge positie dat ik alles zag wat er in het bedrijf gebeurde.”
3.12.
Volgens deze verklaring is in de wijze van financiering van [gedaagde 1] door ECP Factoring na de ondertekening van de factoringovereenkomst geen verandering gekomen, in die zin dat na die ondertekening nog steeds werd gefinancierd op basis van overboekingsverzoeken (verzoeken tot betaling aan schuldeisers van [gedaagde 1] ) en niet op basis van ingediende facturen. Dit is bevestigd door [getuige 5] , die in 2019 als adviseur betrokken was bij de ECP-groep. Zij heeft verklaard dat [gedaagde 1] haar geld op basis van overboekingsverzoeken kreeg. En [getuige 3] heeft verklaard:
“ [gedaagde 1] stuurde gewoon overboekingsverzoeken in en die werden dan uitbetaald. Bij [gedaagde 1] werd dus gewoon op basis van de vraag naar geld uitbetaald en niet op basis van de beschikbaarheid daarvan”.
3.13.
Volgens gedaagden had deze wijze van financiering níet als grondslag de factoringovereenkomst, en is dus ook door ECP Factoring geen uitvoering gegeven aan de factoringovereenkomst. Zij miskennen daarmee echter dat de mogelijkheid van het honoreren van betalingsverzoeken zonder voorafgaande cessie van vorderingen, dus het verstrekken van voorschotten, uitdrukkelijk is vastgelegd in artikel 5.7 van de factoringovereenkomst. In dat artikel staat onder meer:
“[…] ECP kan een voorschot verstrekken aan Opdrachtgever op Vorderingen die zij nog van Opdrachtgever zal overnemen. Dat voorschot wordt dan onderdeel van het Factoringplafond en het saldo, zodat deze Overeenkomst, de Algemene Voorwaarden, de Bijlagen en de Pandakte van toepassing zijn op dat voorschot. […]”
3.14.
De factoringovereenkomst heeft aan de praktijk van het betalen op overboekingsverzoeken dus een formele basis gegeven. Het uitbetalen op grond van overboekingsverzoeken (zonder voorafgaande cessie van vorderingen) was ook niet ongebruikelijk, blijkt uit de verklaring van [getuige 4] . Ook [getuige 5] heeft verklaard dat het financieren op basis van overboekingsverzoeken “niet uniek” was. Uit het feit dat ECP Factoring betalingen verrichtte zonder voorafgaande cessie van vorderingen kan dus niet worden afgeleid dat ECP Factoring geen uitvoering heeft gegeven of heeft willen geven aan de factoringovereenkomst.
3.15.
[gedaagde 4] heeft ook verklaard:
“Toen de factoringovereenkomst eenmaal getekend was veranderde er niets in onze wijze van factureren. De facturen van [gedaagde 1] werden meestal door mijn broer [getuige 2] opgemaakt. Die maakte de facturen gewoon zoals voorheen zonder cessietekst op en zo werden de facturen dan naar de klant gestuurd. ECP heeft bij mij nooit gereclameerd over het feit dat er geen cessietekst op onze facturen stond en bij mijn weten hebben ze dat ook niet bij iemand anders binnen [gedaagde 1] gedaan.”
En [getuige 2] heeft verklaard:
“Na de ondertekening van de factoringovereenkomst werden er geen vorderingen gecedeerd door [gedaagde 1] . Dat kon in feite ook niet want de vorderingen waren verpand aan Care4Lease.”
en:
“Wij maakten de facturen. Wij hadden daar een computerprogramma voor, ‘Carwise’, en daar kwamen de facturen kant en klaar als pdf uit. De facturen gingen dan ook automatisch naar de klant. Daar stond dan geen cessietekst op. Wij stuurden die facturen ook naar ECP en daar werd vervolgens een cessietekst op de facturen geprint zodat zij voor de administratie een factuur met cessietekst hadden.”
Volgens deze verklaringen heeft [gedaagde 1] na de ondertekening van de factoringovereenkomst nooit een cessietekst op haar (verkoop)facturen geprint, en gebeurde dat met (stilzwijgende) instemming van ECP Factoring. Uit de feiten blijkt echter dat ECP Factoring wel degelijk om facturen met cessietekst gevraagd, zoals hierna zal worden toegelicht.
3.16.
De factoringovereenkomst is op 6 maart 2019 getekend. Op 26 maart 2019 schrijft [getuige 3] aan onder anderen [getuige 2] :
“Allen,
Vanmorgen hebben wij met elkaar gesproken over de facturatie vanuit [gedaagde 1] . Vanuit ECP was aangegeven dat een aantal zaken in de facturatie nog niet op een juiste wijze ingeregeld waren. Gezamenlijk hebben wij de routing nu vastgesteld.
Afgesproken is:
- alle facturen worden bij ECP in het platform ingebracht.
- ECP ontvangt afschrift van alle verzonden facturen (zodat een bewijs is dat de facturen ook verzonden zijn en opgevolgd kunnen worden).
- onderzocht wordt of de termijn (lease) facturen een andere nummering kunnen krijgen waardoor deze op een eenvoudige wijze gesepareerd kunnen worden. Deze facturen zullen niet bevoorschot worden. Wel zal hierop de incasso plaatsvinden, Deze worden op de 'on hold' gezet en zullen na ontvangst doorgestort worden.
- overige facturen worden cf. eisen van ECP naar ECP verzonden en kunnen daarna bevoorschot worden. […]”
[getuige 3] heeft als getuige over deze e-mail verklaard:
“Eén van die afspraken was dat de facturen die geen leasefacturen waren conform de eisen van ECP naar ECP verzonden zouden worden en daarna bevoorschot zouden worden. Ik heb dat geschreven omdat ik wilde dat het allemaal formeel juist gedaan zou worden. Het was mijn bedoeling dat op die facturen van [gedaagde 1] de cessietekst geprint zou worden en dat die facturen met de cessietekst erop door [gedaagde 1] naar de klanten verstuurd zouden worden. “
Als vervolg op deze e-mail schrijft mevrouw [persoon C] van ECP Factoring op 28 maart 2019 aan dezelfde groep:
“Kunnen wij een update ontvangen over een separate nummering voor de leasetermijnen?
Daarnaast is er onduidelijkheid over de cessietekst op de facturen. Volgens mij moet op alle facturen vanaf 105 de cessietekst behalve de leasetermijnen. Klopt dat?”
In antwoord op die e-mail schrijft [getuige 2] op dezelfde dag:
“zou je mij even een voorbeeld willen sturen van die cessietekst? Dan kunnen wij dat in het systeem zetten.
Lease termijn apart nummeren moeten we regelen met de leverancier van de software, die kunnen dat.”
Mevrouw [persoon C] reageert op dezelfde dag met:
“Hierbij de cessietekst:
De vordering en/of de inningsbevoegdheid die uit deze factuur voortvloeit, is in juridische zin overgedragen aan ECP Factoring BV. U kunt deze factuur uitsluitend bevrijdend betalen op [rekeningnummer] ten name van Stichting ECPay. Deze mededeling dient beschouwd te worden als een mededeling in de zin van artikel 3:94 BW dan wel artikel 3:246 BW.”
Op 30 maart 2019 schrijft [getuige 2] :
“ik zal de facturen genummerd vanaf 105 van de cessietekst voorzien waar nodig, maandag zullen alle op het platform geuploade facturen hiervan voorzien zijn. […]”
Op dinsdag 2 april 2019 schrijft mevrouw [persoon C] van ECP Factoring:
“Wij hebben facturen bij concept staan die geen cessietekst bevatten, terwijl dat wel zouden moeten. Het zijn facturen na 105 en betreffende bijv verkoop van auto's (geen leasetermijn). Een aantal voorbeelden zijn factuur 122, 118 en 119. Graag de facturen aanleveren inclusief cessietekst.”
En dezelfde dag reageert [getuige 2] met:
“deze ben ik naar [persoon D] door aan het mailen, wij kunnen zelf niet meer bij de facturen wanneer deze eenmaal geupload zijn. Heb dit juist vanmorgen met [persoon D] besproken.”
3.17.
Uit het hiervoor geciteerde e-mailverkeer blijkt dat ECP Factoring, anders dan [gedaagde 4] heeft verklaard, wel degelijk heeft gereclameerd over het feit dat er geen cessietekst op de facturen met betrekking tot de verkoop van auto’s stond. ECP Factoring heeft [gedaagde 1] verzocht om alle facturen met betrekking tot de verkoop van auto’s vanaf nummer 105 van de cessietekst te voorzien, en [getuige 2] heeft namens [gedaagde 1] bevestigd dat hij dit zou doen.
3.18.
Over zijn e-mail van 2 april 2019 heeft [getuige 2] als getuige het volgende verklaard:
“ [persoon E] houdt mij voor de e-mail van [persoon C] aan mij van 2 april 2019 en mijn reactie daarop van dezelfde datum. Deze beide e-mails bevinden zich in productie 33 van ECP. Ik verklaar dat ik met die reactie bedoelde dat ECP zelf de cessietekst op de facturen moest zetten en dat ik dat niet zou doen. Ik wist dat ECP een cessietekst op de facturen zou zetten, maar ik wist dat er wel meer gerommeld werd bij ECP. De facturen waar we het over hebben waren overigens al betaald. Daaruit blijkt uit naar mijn mening dat er van factoring geen sprake was.”
Deze verklaring doet niet af aan het feit dat ECP Factoring, anders dan [gedaagde 4] heeft verklaard, wel degelijk heeft gereclameerd over het feit dat er geen cessietekst op de facturen met betrekking tot de verkoop van auto’s stond. Dat het de bedoeling was dat ECP Factoring zelf de cessietekst op de facturen zou zetten, wordt door geen enkele andere getuigenverklaring bevestigd en wordt tegengesproken door de e-mail van [getuige 2] zelf van 30 maart 2019, waarin hij schrijft dat hij “de facturen vanaf 105 van de cessietekst zal voorzien waar nodig”. ECP Factoring heeft er dus niet (stilzwijgend) mee ingestemd dat [gedaagde 1] verkoopfacturen zonder cessietekst verzond.
3.19.
Uit al het voorgaande volgt dat het in 2.3 bedoelde (tegen) bewijs niet is geleverd. Daarmee staat vast dat tussen partijen een overeenkomst met de inhoud van de factoringovereenkomst tot stand is gekomen.
De gevolgen van de bewijswaardering voor de vorderingen in conventie
3.20.
Omdat vaststaat dat tussen partijen een overeenkomst met de inhoud van de factoringovereenkomst tot stand is gekomen, is [gedaagde 1] , naast het negatieve saldo van € 526.395,61, ook de bedragen verschuldigd waar ECP Factoring op grond van de factoringovereenkomst aanspraak op kan maken. De factoringovereenkomst is immers niet vernietigbaar wegens dwaling of bedrog, het beroep van ECP Factoring op de factoringovereenkomst is ook niet onrechtmatig of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, en aan gedaagden komt geen beroep op opschorting of verrekening toe. Dit volgt uit 4.12, 4.13 en 4.14 van het tussenvonnis.
3.21.
[gedaagde 1] is op grond van de factoringovereenkomst aan contractuele boetes een totaal van € 48.750,- aan ECP Factoring verschuldigd. Zoals overwogen in 4.24 van het tussenvonnis, heeft [gedaagde 1] Care4Lease bewogen om dertien facturen die aan ECP Factoring gecedeerd hadden moeten worden, te betalen op een andere rekening dan de door ECP Factoring aangewezen rekening. Daarmee heeft [gedaagde 1] in strijd gehandeld met artikel 7.4 van de factoringovereenkomst en heeft zij, zoals overwogen in 4.25 van het tussenvonnis, op grond van artikel 17 van de bij de factoringovereenkomst behorende algemene voorwaarden, dertien keer een boete van € 3.750,- verbeurd. Dat is een totaalbedrag van € 48.750,-.
3.22.
[gedaagde 1] moet ook de beheerskosten, het factorloon en de toeslagen (hierna: de contractuele vergoedingen) betalen die ECP Factoring heeft gefactureerd op grond van bijlage 1 bij de factoringovereenkomst. Dit betreft een bedrag van € 53.251,51. Dat [gedaagde 1] op enig moment uit het kantoorpand van ECP is vertrokken, doet voor de verschuldigdheid van deze vergoedingen niet ter zake; het betreft immers geen vergoedingen die verband houden met het (mede)gebruik van dat pand. Ook doet niet ter zake dat, zoals de overige gedaagden hebben aangevoerd, na 17 april 2019 geen betalingen meer hebben plaatsgevonden. Immers, gesteld noch gebleken is dat de door ECP Factoring in rekening gebrachte vergoedingen betrekking hebben op betalingen na 17 april 2019. [gedaagde 1] is dus, naast het negatieve saldo van € 526.395,61 genoemd in 4.8 van het tussenvonnis en de boetes van € 48.750,- ook € 53.251,51 ter zake van de contractuele vergoedingen aan ECP Factoring verschuldigd. Daarmee komt de totale hoofdsom die [gedaagde 1] aan ECP Factoring verschuldigd is op het door ECP Factoring gevorderde bedrag van € 628.397,12.
3.23.
Dat partijen gebonden zijn aan de factoringovereenkomst betekent ook dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor deze schuld. Dit is immers zo bepaald in artikel 5.9 van de factoringovereenkomst. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn dus met [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van € 628.397,12.
3.24.
Omdat de procedure in conventie tussen ECP Factoring en [gedaagde 1] is geschorst, zullen in dit vonnis alleen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk tot betaling van het bedrag van € 628.397,12 worden veroordeeld. In de procedure tussen ECP Factoring en [gedaagde 1] zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.
3.25.
De in de factoringovereenkomst opgenomen persoonlijke garantie van [gedaagde 4] is, zoals overwogen in 4.18 van het tussenvonnis, rechtsgeldig vernietigd, zodat de rechtbank de vordering tegen [gedaagde 4] in conventie zal afwijzen.
Wettelijke rente
3.26.
ECP Factoring maakt in conventie aanspraak op vergoeding van de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over een deel van het door haar gevorderde bedrag, namelijk over € 238.475,88, met ingang van 17 augustus 2019. Tegen deze vordering is geen specifiek verweer gevoerd zodat deze vordering als niet, althans onvoldoende betwist, tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zal worden toegewezen.
Proceskosten in conventie
3.27.
Omdat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in conventie jegens ECP Factoring in het ongelijk worden gesteld, moeten zij de proceskosten (inclusief nakosten) van ECP Factoring betalen. Die proceskosten worden begroot op:
- dagvaarding € 106,73
- griffierecht € 3.533,00
- salaris advocaat € 15.759,00 (4,5 punten × tarief VII)
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in 4.2)
Totaal € 19.576,73
3.28.
De beslagen die ECP Factoring ten laste van [gedaagde 1] heeft gelegd, zijn niet nietig, onnodig of onrechtmatig. ECP Factoring heeft dus op grond van artikel 706 Rv. in beginsel recht op vergoeding van haar beslagkosten jegens [gedaagde 1] . Zij kan die beslagkosten ook verhalen op [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . De beslagkosten zijn immers een gevolg van de niet-nakoming door [gedaagde 1] van de factoringovereenkomst, en volgens artikel 5.9 van de factoringovereenkomst zijn [gedaagde 2] en [gedaagde 3] met [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk voor dergelijke kosten. De beslagkosten bedragen volgens ECP Factoring € 3.862,79 plus
€ 6.009,46 voor salaris advocaat, dus een totaal van € 9.872,25. Dit bedrag is niet betwist. Voor salaris advocaat in verband met een conservatoir beslag plus rekest geldt echter het liquidatietarief van 1 punt x het toepasselijke tarief, dus in dit geval een bedrag van € 3.502,00, zodat de rechtbank [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zal veroordelen tot betaling van (€ 3.862,79 + € 3.502,00 =) € 7.364,76 aan beslagkosten.
3.29.
De totale proceskosten, inclusief beslagkosten, waarin [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden veroordeeld, bedragen dus (€ 19.576,73 + € 7.364,76 =) € 26.941,49. De gevorderde wettelijke rente over die proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in 4.2.
3.30.
ECP Factoring wordt in conventie jegens [gedaagde 4] in het ongelijk gesteld en moet daarom in beginsel de proceskosten van [gedaagde 4] in conventie betalen. Omdat [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] dezelfde advocaat hebben en grotendeels dezelfde verweren hebben gevoerd, gaat de rechtbank er echter van uit dat [gedaagde 4] geen eigen proceskosten heeft gemaakt. Er is dus geen grond voor een proceskostenveroordeling van ECP Factoring.
De gevolgen van de bewijswaardering voor de vorderingen in reconventie
3.31.
Nu vaststaat dat tussen partijen een overeenkomst met de inhoud van de factoringovereenkomst tot stand is gekomen, zullen de vorderingen in reconventie worden afgewezen, met uitzondering van de gevorderde verklaring voor recht dat de garantie van [gedaagde 4] rechtsgeldig is vernietigd. Dit volgt uit 4.28 tot en met 4.34 van het tussenvonnis.
Proceskosten in reconventie
3.32.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden in conventie jegens ECP Factoring in het ongelijk gesteld en moeten dus de proceskosten (inclusief nakosten) van ECP Factoring betalen. Die proceskosten zijn dezelfde als de proceskosten van ECP Factoring in conventie, met uitzondering van de kosten van de conclusie van antwoord in reconventie (1 punt). De proceskosten van ECP Factoring in reconventie worden daarom begroot op:
- salaris advocaat € 3.502,00 (1 punt × tarief VII)
- nakosten € 100,00
Totaal € 3.602,00
3.33.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in 4.8.
3.34.
ECP Factoring wordt in reconventie jegens [gedaagde 4] grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom in beginsel de proceskosten van [gedaagde 4] in reconventie betalen. Omdat [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] dezelfde advocaat hebben en grotendeels dezelfde vorderingen in reconventie hebben ingesteld en daar grotendeels dezelfde stellingen aan ten grondslag hebben gelegd, gaat de rechtbank er echter van uit dat [gedaagde 4] geen eigen proceskosten in reconventie heeft gemaakt. Er is dus geen grond voor een proceskostenveroordeling van ECP Factoring.
4. De beslissing
De rechtbank
in conventie:
4.1.
veroordeelt FGP en [gedaagde 3] hoofdelijk tot betaling van € 628.397,12 aan ECP Factoring, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een gedeelte van dat bedrag groot € 238.475,88 vanaf 17 augustus 2019 tot aan de dag van volledige betaling van dat gedeelte;
4.2.
veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk in de proceskosten van ECP Factoring, inclusief beslagkosten, vastgesteld op € 26.941,49, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na datum van dit vonnis, en te vermeerderen met € 92 plus de kosten van betekening indien het vonnis na niet-tijdige betaling wordt betekend;
4.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijs het meer of anders gevorderde tegen [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] af;
4.5.
houdt in de procedure tussen ECP Factoring en [gedaagde 1] iedere verdere beslissing aan en verwijst die procedure naar de parkeerrol van 4 maart 2026;
in reconventie
4.6.
verklaart voor recht dat de persoonlijke garantstelling van [gedaagde 4] in de factoringovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd;
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af;
4.8.
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk in de proceskosten van ECP Factoring, vastgesteld op € 3.602,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na datum van dit vonnis;
4.9.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;
4.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. Schellekens. Het is getekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2025.
3246/2334/3310
Uitspraak 07‑09‑2022
Inhoudsindicatie
Totstandkoming factoringovereenkomst. Artikel 157 lid 2 Rv. De getekende factoringovereenkomst levert dwingend bewijs op - behoudens tegenbewijs - van de waarheid van hetgeen partijen daarin hebben verklaard. Voorshands - behoudens tegenbewijs - is bewezen dat de factoringovereenkomst de partijbedoeling weergeeft en dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen met de inhoud van de getekende overeenkomst. Gedaagden mogen tegenbewijs leveren.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/615958 / HA ZA 21-293
Vonnis van 7 september 2022
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ECP FACTORING B.V. ,
gevestigd te AMSTERDAM,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. S. Remers te Amsterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde01] ,
gevestigd te [vestigingsplaats01],
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde02] ,
gevestigd te [vestigingsplaats02],
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde03] ,
gevestigd te [vestigingsplaats03] ,
4. [gedaagde04] ,
wonende te [woonplaats01] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. D.R.D. van Lenningh te Rotterdam.
Partijen zullen hierna ECP Factoring en gedaagden worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk [gedaagde01], [gedaagde02], [gedaagde03] en [gedaagde04] worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding van 22 maart 2021 met producties;
- -
de conclusie van antwoord in conventie met een eis in reconventie, met producties;
- -
de conclusie van antwoord in reconventie;
- -
de brief van mr. Van Lenningh met nadere producties;
- -
de brief van mr. Remers met nadere producties;
- -
de brief van mr. Van Lenningh met een nadere productie;
- -
de spreekaantekeningen van de advocaten van ECP Factoring;
- -
de spreekaantekeningen van mr. Van Lenningh;
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling;
- -
de brief van mr. Van Lenningh met opmerkingen over het proces-verbaal;
- -
de brief van de advocaten van ECP Factoring met opmerkingen over het proces-verbaal;
- -
de akte van gedaagden;
- -
de brief van de advocaat van ECP Factoring met bezwaar tegen de akte van gedaagden;
- -
de brief van de rechtbank;
- -
de antwoordakte van ECP Factoring.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
ECP Factoring dreef tot medio 2020 een onderneming op het gebied van factoring, dat wil zeggen financiering van ondernemingen door overname van vorderingen. ECP Factoring maakte deel uit van een samenwerkingsverband van vennootschappen die samen European Credit Partners (hierna: ‘ECP’) vormden. ECP bestond naast ECP Factoring onder andere uit ECP Nederland B.V. (hierna: ‘ECP Nederland’) een vennootschap die zich bezighield met debiteurenbeheer en incasso. ECP Nederland is in maart 2020 in staat van faillissement verklaard.
2.2.
Het factoringbedrijf van ECP Factoring is in 2020 tot een einde gekomen. ECP Factoring houdt zich sindsdien nog slechts bezig met de afwikkeling van haar portefeuille.
2.3.
[gedaagde01], [gedaagde02] en [gedaagde03] zijn aan elkaar gelieerde vennootschappen. [gedaagde03] is bestuurder van [gedaagde02] en [gedaagde02] is indirect enig aandeelhouder van [gedaagde01]. [gedaagde04] is enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde03] .
2.4.
[gedaagde01] exploiteert een lease- en financieringsmaatschappij voor auto’s. Zij koopt voor haar leaseklanten auto's van leveranciers en verkoopt deze door aan Care4Lease B.V. (hierna: ‘Care4Lease’). Care4Lease verhuurt deze auto's terug aan [gedaagde01] die deze dan weer (door)verhuurt aan haar leaseklanten.
2.5.
[gedaagde01] heeft voor haar betalingsverkeer gebruik gemaakt van een client dedicated account (hierna: de ‘CDA’), een bankrekening op naam van Stichting ECPay (‘ECPay’). Deze bankrekening werd beheerd door ECP Factoring.
2.6.
Op 6 maart 2019 hebben ECP Nederland, ECP Factoring en gedaagden een schriftelijke ‘Overeenkomst Debiteurenbeheer en Factoring’ (hierna: ‘de factoringovereenkomst’) en een bijbehorende allonge (hierna: ‘de allonge’) ondertekend. Gedaagden, met uitzondering van [gedaagde04] , hebben ook een verklaring van cessie en een akte van verpanding ondertekend. De factoringovereenkomst vermeldt een duur van 24 maanden, ingaande op 1 februari 2019.
2.7.
Relevante bepalingen in de factoringovereenkomst zijn:
“5. Overname vorderingen op basis van facturen
5.1
ECP Factoring zal Vorderingen van Opdrachtgever overnemen.
(…)
5.5
Opdrachtgever is verplicht om op al haar facturen expliciet te vermelden dat de Vorderingen van Opdrachtgever in juridische zin aan ECP Factoring zijn overgedragen en dat uitsluitend bevrijdend aan ECP Factoring kan worden betaald. Het door ECP Factoring aan te wijzen rekeningnummer waarop betaald moet worden, moet ook verplicht in die mededeling worden opgenomen. De tekst van de voornoemde mededeling die Opdrachtgever dient te gebruiken op al haar facturen, is als Bijlage 2 opgenomen. (…)
(…)
5.7 (…)
ECP kan een voorschot verstrekken aan Opdrachtgever op Vorderingen die zij nog van Opdrachtgever zal overnemen. Dat voorschot wordt dan onderdeel van het Factoringplafond en het saldo, zodat deze Overeenkomst, de Algemene Voorwaarden, de Bijlagen en de Pandakte van toepassing zijn op dat voorschot. In het geval van een negatief saldo, wat het voorschot in eerste instantie zal veroorzaken, is artikel 5.12 van deze Overeenkomst van toepassing.
(…)
5.10 (…)
Opdrachtgever is aan ECP Factoring per Vordering factorloon verschuldigd.(…)
(…)
5.12
Zodra er een negatief saldo bestaat en ECP dus -om welke reden dan ook en op welke grond dan ook- een vordering heeft op Opdrachtgever, dan is die vordering van ECP direct opeisbaar en kan ECP op ieder moment terugbetaling van Opdrachtgever verlangen, binnen een door ECP te stellen termijn. Over het uitstaande negatieve saldo is Opdrachtgever 2% rente per maand verschuldigd.”
“7. Koop, verkoop en levering Debiteurenportefeuille en garanties
7.1
Opdrachtgever verkoopt en levert (bij voorbaat) de Vorderingen aan ECP Factoring in eigendom. ECP Factoring koopt hierbij van de Opdrachtgever de Vorderingen, en aanvaardt hierbij de levering in eigendom voor zover nodig bij voorbaat (tenzij de Vorderingen als Uitgesloten Vorderingen dienen te worden beschouwd). (…) Opdrachtgever mag haar Vorderingen op Debiteuren uitsluitend aan ECP Factoring verkopen, wat betekent dat overdracht van Vorderingen aan een ander dan ECP Factoring niet is toegestaan. Daarnaast is Opdrachtgever verplicht om ECP Factoring van al haar Vorderingen op Debiteuren op de hoogte te stellen en deze bij ECP Factoring in te dienen, ook indien ze direct door Debiteur betaald worden en indien op voorhand duidelijk is dat ECP Factoring die Vorderingen niet zal overnemen. Opdrachtgever is dus verplicht om al haar omzet via ECP Factoring te laten lopen, tenzij door ECP Factoring anders bepaald. Mocht blijken dat Vorderingen niet bij ECP Factoring zijn ingediend, dan zullen de gebruikelijke kosten alsnog in rekening gebracht worden over die Vorderingen, met het recht van ECP om de boete zoals genoemd in artikel 17 van de Algemene Voorwaarden te vorderen. (…).”
(…)
7.3
De gegevens om de facturen van Opdrachtgever in behandeling te nemen, worden door Opdrachtgever digitaal aan ECP opgegeven. Opdrachtgever zal hierbij gebruik maken van door ECP vastgestelde of goedgekeurde informatiedragers en communicatiemiddelen. Opdrachtgever staat er voor in dat de gegevens die Opdrachtgever aan ECP met betrekking tot de Vorderingen aanlevert, juist en volledig zijn; (…). Opdrachtgever is zich ervan bewust dat het bestaan van de Vorderingen voor ECP essentieel is om deze Overeenkomst aan te kunnen gaan en aan Opdrachtgever een Koopsom voor de overgedragen Vorderingen te kunnen voldoen.
7.4
Opdrachtgever garandeert dat zij de Debiteurenportefeuille niet bij voorbaat aan een ander dan aan ECP Factoring heeft of zal hebben verkocht en in eigendom heeft of zal hebben overgedragen en/of aan een ander dan aan ECP ter incasso uit handen heeft of za! hebben gegeven en/of de Vorderingen zal hebben bezwaard waaronder begrepen een stille of openbare verpanding. (…) Opdrachtgever verbindt zich er hierbij toe om de Vorderingen gedurende de looptijd van deze Overeenkomst en de afwikkelingsperiode niet aan een ander dan aan ECP Factoring te verkopen en/of over te dragen en/of met een pandrecht te bezwaren of om Debiteuren door wat voor mededeling ook, te bewegen om de Vorderingen op een ander bankrekeningnummer dan op die van ECP te laten betalen. Opdrachtgever is zich ervan bewust dat deze garantie voor ECP essentieel is om deze Overeenkomst aan te kunnen gaan.
7.5
Koop, verkoop en levering van de Vorderingen zal plaatsvinden door middel van deze door Partijen te ondertekenen akte van cessie en door mededeling van de cessie op de facturen van Opdrachtgever. De Vorderingen die uit de facturen voortvloeien, worden vanaf dat moment geacht door Opdrachtgever aan ECP Factoring te zijn overgedragen. De Vorderingen blijken uit de administratie van ECP Factoring.”
2.8.
De in de factoringovereenkomst van toepassing verklaarde algemene voorwaarden (hierna: de ‘algemene voorwaarden’) bevatten onder meer de volgende bepalingen:
“8.1 Opdrachtgever is tot het moment van juridische levering van de Vorderingen gehouden de
Debiteurenportefeuille op juiste wijze in haar administratie te verwerken. Opdrachtgever zal zowel voor als na de juridische levering van de Vorderingen alle bij haar aanwezige relevante stukken die betrekking op de Vorderingen hebben, waaronder doch niet uitputtend de overeenkomst(en) tussen Opdrachtgever en de Klant(en), aan ECP toezenden, telkens binnen drie dagen na verzoek van ECP. Opdrachtgever verplicht zich ertoe om op eerste verzoek daartoe, alle medewerking aan ECP te verlenen tot incasso van de Vorderingen. De bestuurders van Opdrachtgever garandeert/garanderen dat Opdrachtgever deze verplichting jegens ECP nakomt. Hiervoor zullen de bestuurders) van Opdrachtgever een borgtocht afgeven.
(…)
18.2
Opdrachtgever is niet gerechtigd om haar betalingsverplichtingen jegens ECP op te schorten en Opdrachtgever komt op geen enkele wijze een beroep op verrekening toe. Eventuele (overige] verweermiddelen die Opdrachtgever zou kunnen inroepen jegens ECP Nederland kunnen niet jegens ECP Factoring worden ingeroepen en vice versa.”
2.9.
[gedaagde04] heeft zich in de factoringovereenkomst persoonlijk garant gesteld voor de nakoming van de verplichtingen bedoeld in de artikelen 7.3 en 7.4 van de factoringovereenkomst en in artikel 8.1 van de algemene voorwaarden. Hij heeft zich verbonden als hoofdelijk medeschuldenaar voor schade als gevolg van een schending van die bepalingen tot maximaal € 350.000,- met rente en kosten.
2.10.
In de allonge staat dat facturen van [gedaagde01] die betrekking hebben op leasetermijnen niet aan ECP Factoring worden gecedeerd en dat op deze facturen niet de cessietekst van ECP behoeft te worden vermeld, maar dat op de in- en verkoopfacturen van [gedaagde01] wel de cessietekst moet worden vermeld.
2.11.
ECP Factoring heeft financiering aan [gedaagde01] verstrekt. De financiering vond plaats door middel van overboekingsverzoeken waarin [gedaagde01] verzocht om bepaalde aan haar gerichte facturen namens haar te betalen. ECP Factoring heeft ook betalingen van debiteuren van [gedaagde01] geïnd.
2.12.
ECP Factoring heeft in het kader van de afwikkeling van haar portefeuille getracht verschillende facturen van [gedaagde01] uit 2019 met een totaalbedrag van € 491.052,22 te innen bij Care4Lease. Care4Lease heeft zich op het standpunt gesteld dat zij deze facturen, waarop geen cessietekst vermeld stond, bevrijdend heeft betaald aan [naam bedrijf01] Deze vennootschap is gelieerd aan [gedaagde04] en diens broer [naam01] .
3. Het geschil
In conventie
3.1.
ECP Factoring vordert samengevat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
I. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 399.793,49;
II [gedaagde01], [gedaagde02] en [gedaagde03] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 238.475,88 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 17 augustus 2019, althans een in goede justitie te bepalen datum;
met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proceskosten met wettelijke rente en de nakosten.
3.2.
ECP Factoring legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. ECP Factoring heeft op basis van de factoringovereenkomst betalingen ten behoeve van [gedaagde01] verricht en bedragen ten behoeve van [gedaagde01] geïnd. Dit heeft geresulteerd in een negatief saldo. [gedaagde01] is op grond van de factoringovereenkomst (artikelen 5.7 en 5.12) verplicht tot aanzuivering van dit negatieve saldo en tot betaling van factorloon. [gedaagde01] is voorts tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen onder de factoringovereenkomst door vorderingen op Care4Lease, die [gedaagde01] aan ECP Factoring had moeten overdragen, zelf te incasseren. Daarom is [gedaagde01] op grond van de factoringovereenkomst boetes verschuldigd. [gedaagde02] en [gedaagde03] zijn op grond van de factoringovereenkomst hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen van [gedaagde01]. [gedaagde04] is hoofdelijk aansprakelijk tot een bedrag van € 350.000,- met rente en kosten op grond van de door hem in de factoringovereenkomst verstrekte garantie, dan wel op grond van onrechtmatige daad.
3.3.
Gedaagden hebben verweer gevoerd en concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van ECP Factoring in haar vorderingen, althans afwijzing dan wel matiging van die vorderingen met veroordeling van ECP Factoring in de proceskosten en de nakosten. Zij betwisten dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen met de door ECP Factoring gestelde inhoud. De factoringovereenkomst diende slechts voor verantwoording van ECP Factoring in het concern en tegenover de financier van ECP Factoring en zou tussen partijen niet bindend / niet-existent zijn. Als al een overeenkomst met de inhoud van de factoringovereenkomst tot stand is gekomen, dan is deze vernietigbaar vanwege bedrog dan wel dwaling. Het beroep van ECP Factoring op de factoringovereenkomst is onrechtmatig, dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het gevorderde negatieve saldo is niet juist berekend. Gedaagden hebben geen vorderingen geïnd die op grond van de overeenkomst aan ECP Factoring overgedragen hadden moeten worden. De betreffende vorderingen vallen niet onder de factoringovereenkomst zodat [gedaagde01] deze bedragen zelf mocht innen. Van een tekortkoming in de nakoming van de factoringovereenkomst is daarom geen sprake en gedaagden zijn geen boetes verschuldigd. Verder beroepen gedaagden zich op opschorting dan wel verrekening.
3.4.
Op de stellingen en weren van partijen in conventie zal hierna onder 4, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
In reconventie
3.5.
Gedaagden vorderen samengevat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
primair:
a. voor recht te verklaren dat de factoringovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van bedrog althans dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten;
b. de factoringovereenkomst te vernietigen;
subsidiair
a. voor recht te verklaren dat ECP Factoring toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiend uit de factoringovereenkomst althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens gedaagden;
b. te verklaren voor recht dat de factoringovereenkomst althans de garant-/borgstelling van [eiser01] rechtsgeldig is vernietigd,
met veroordeling van ECP Factoring in de proceskosten.
3.6.
ECP Factoring heeft verweer gevoerd en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van gedaagden in hun vorderingen, althans afwijzing van die vorderingen met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van gedaagden in de proceskosten met wettelijke rente.
3.7.
Op de stellingen en weren van partijen in reconventie zal hierna onder 4, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
4. De beoordeling
In conventie
Het negatieve saldo
4.1.
Gedaagden hebben erkend dat ECP Factoring betalingen voor [gedaagde01] heeft verricht en betalingen voor [gedaagde01] in ontvangst heeft genomen en dat het verschil tussen de betaalde bedragen en de ontvangen bedragen, indien dat negatief is, een vordering van ECP Factoring op [gedaagde01] oplevert. Ook niet in geschil is dat betalingen die vanaf de CDA zijn gedaan, gelden als betalingen die ECP Factoring ten behoeve van [gedaagde01] heeft verricht en dat betalingen die op de CDA zijn ontvangen gelden als betalingen die ECP Factoring ten behoeve van [gedaagde01] heeft ontvangen.
4.2.
Volgens ECP Factoring bedraagt het negatieve saldo van de door haar ten behoeve van [gedaagde01] betaalde en ontvangen bedragen (€ 1.578.976,91 -/- € 1.052.581,30 =)
€ 526.395,61. Ter onderbouwing van deze stelling heeft ECP Factoring onder meer de navolgende stukken overgelegd:
- -
als productie 32: een lijst van 73 door [gedaagde01] ingediende overboekingsverzoeken die optellen tot een bedrag van € 1.578.976,91, kopieën van de 73 op de lijst genoemde overboekingsverzoeken met bijlagen, en een overzicht van de mutaties op de CDA die betrekking hebben op de overboekingsverzoeken;
- -
als onderdeel van productie 34: een overzicht van de mutaties op de CDA met betrekking tot ontvangen debiteurenbetalingen, die optellen tot totaal € 1.052.581,30; en
- -
als productie 22: dagafschriften van de CDA over de periode van 7 februari 2019 tot en met 20 juli 2020.
4.3.
Na de mondelinge behandeling zijn gedaagden in de gelegenheid gesteld om - uitgesplitst per overboekingsverzoek en gemotiveerd met stukken - toe te lichten wat volgens hen niet juist is aan de berekening van ECP Factoring die leidt tot een totaalbedrag aan uitgevoerde overboekingsverzoeken van € 1.578.976,91, en - uitgesplitst per gestelde debiteurenbetaling en gemotiveerd met stukken - toe te lichten wat volgens hen niet juist is aan de berekening van ECP Factoring die leidt tot een totaalbedrag aan ontvangen debiteurenbetalingen van € 1.052.581,30.
4.4.
Gedaagden hebben naar aanleiding daarvan bij akte het volgende aangevoerd met betrekking tot producties 32 en 22 van ECP Factoring:
- -
de betalingen genoemd in producties 32 en 22 van ECP Factoring betroffen betalingen aan crediteuren van [gedaagde01] - en geen bevoorschotting van uitstaande debiteuren van [gedaagde01] - en deze vallen niet onder de door ECP Factoring gestelde overeenkomst, maar gelden naar het oordeel van gedaagden als lening aan [gedaagde01];
- -
bepaalde overboekingsverzoeken zijn niet aan ECP Factoring gericht, maar aan “[gedaagde02]” of aan “Juristen”;
- -
op sommige overboekingsverzoeken staat bij "Intern administratief rekeningnummer" het rekeningnummer van Stichting ECPayment vermeld.
4.5.
Gedaagden hebben aldus niet betwist dat de 73 betalingsverzoeken die zijn opgenomen in productie 32 en optellen tot € 1.578.976,91, zijn betaald vanaf de CDA en dus door ECP Factoring ten behoeve van [gedaagde01] zijn betaald. Of deze betalingen al dan niet hebben plaatsgevonden onder de door ECP Factoring gestelde overeenkomst, doet voor de vraag of [gedaagde01] de betaalde bedragen moet terugbetalen niet ter zake. Dit wordt ook door gedaagden erkend. Zij stellen immers dat deze bedragen gelden als lening aan [gedaagde01].
4.6.
Met betrekking tot productie 34 van ECP Factoring hebben gedaagden het volgende aangevoerd:
- er zijn ook betalingen bij ECP Nederland, [gedaagde02], Juristen, en Stichting ECPayment
binnengekomen die niet in productie 34 van ECP Factoring vermeld staan;
- de in productie 34 opgenomen facturen ter zake van factorloon moeten buiten beschouwing worden gelaten; deze facturen vloeien voort uit de factoringovereenkomst die niet bedoeld was om gesloten te worden en niet bedoeld was om nagekomen te worden.
4.7.
Ook hier geldt dat uit de door ECP Factoring overgelegde stukken blijkt – en door gedaagden niet is betwist – dat op de CDA een bedrag van in totaal € 1.052.581,30 aan debiteurenbetalingen is binnengekomen die door ECP Factoring ten behoeve van [gedaagde01] zijn ontvangen. Gesteld noch gebleken is dat ECP Factoring méér betalingen ten behoeve van [gedaagde01] in ontvangst heeft genomen. De facturen ter zake van factorloon zijn niet meegenomen bij de overboekingen in productie 32 en zijn dus ook niet meegenomen bij de berekening van het negatieve saldo van € 526.395,61
4.8.
Uit het voorgaande volgt dat als niet of onvoldoende gemotiveerd betwist vaststaat dat het negatieve saldo van de door ECP Factoring ten behoeve van [gedaagde01] betaalde bedragen en de door ECP Factoring ten behoeve van [gedaagde01] ontvangen bedragen € 526.395,61 bedraagt. [gedaagde01] is dit bedrag aan ECP Factoring verschuldigd, onafhankelijk van de vraag of partijen gebonden zijn aan de factoringovereenkomst. Deze vraag is wel relevant voor het beroep op opschorting en verrekening van gedaagden, voor de verschuldigdheid van het factorloon en de contractuele boete, en voor de aansprakelijkheid van [gedaagde02], [gedaagde03] en [gedaagde04] . De rechtbank zal daarom hierna op deze vraag ingaan.
Zijn partijen gebonden aan de factoringovereenkomst?
4.9.
Gedaagden betwisten dat zij gebonden zijn aan de factoringovereenkomst en motiveren dit als volgt. De factoringovereenkomst geeft niet de bedoeling van partijen weer. Weliswaar is de factoringovereenkomst door gedaagden getekend, maar dit stuk was alleen bedoeld als fictieve titel om betalingen van ECP Factoring aan [gedaagde01] intern en tegenover de financier van ECP Factoring te verantwoorden. Partijen hebben nooit de bedoeling gehad de factoringovereenkomst werkelijk uit te voeren en dat is ook niet gebeurd. ECP Factoring heeft alleen geld geleend aan [gedaagde01].
4.10.
Gelet op de gemotiveerde betwisting door gedaagden rust in beginsel, ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv, op ECP Factoring de bewijslast van de stelling dat de factoringovereenkomst de partijbedoeling weergeeft. Echter, de getekende factoringovereenkomst levert ingevolge artikel 157 lid 2 Rv dwingend bewijs op - behoudens tegenbewijs - van de waarheid van hetgeen partijen daarin hebben verklaard. In de getekende overeenkomst hebben partijen verklaard dat zij zijn overeengekomen hetgeen in de overeenkomst staat vermeld. Dit betekent dat voorshands - behoudens tegenbewijs - is bewezen dat de factoringovereenkomst de partijbedoeling weergeeft en dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen met de inhoud van de getekende overeenkomst. De rechtbank zal gedaagden daarom toelaten tot het leveren van tegenbewijs zoals hierna in 5.1 bepaald.
4.11.
Voor het geval komt vast te staan dat een overeenkomst met de inhoud van de factoringovereenkomst tot stand is gekomen, hebben gedaagden de volgende verweren gevoerd:
- -
aan gedaagden komt een beroep op opschorting dan wel verrekening toe;
- -
de factoringovereenkomst is vernietigbaar wegens dwaling of bedrog;
- -
een beroep op de factoringovereenkomst is onrechtmatig, dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar;
- -
de persoonlijke garant-/borgstelling van [gedaagde04] is rechtsgeldig vernietigd;
- -
er zijn geen boetes verbeurd want gedaagden hebben niet in strijd met de factoringovereenkomst gehandeld.
De rechtbank zal deze verweren hierna bespreken.
Het beroep op verrekening en opschorting
4.12.
Gedaagden hebben als verweer gevoerd dat ECP Factoring is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de factoringovereenkomst en dat zij daarom gerechtigd zijn de nakoming van enige op hen rustende verplichting op te schorten dan wel te verrekenen met dat wat zij nu of later van ECP Factoring te vorderen hebben. Dit verweer slaagt niet. Gedaagden hebben niet betwist dat, indien tussen partijen een overeenkomst met de inhoud van de factoringovereenkomst tot stand is gekomen, op deze overeenkomst de algemene voorwaarden van toepassing zijn. Op grond van artikel 18.2 van de algemene voorwaarden is verrekening en opschorting voor gedaagden uitgesloten. Indien sprake is van een tekortkoming van ECP Factoring in de nakoming van de factoringovereenkomst, komt aan gedaagden dus geen beroep op opschorting of verrekening toe.
Het beroep op dwaling en bedrog
4.13.
Het verweer dat de factoringovereenkomst, als die tot stand is gekomen, vernietigbaar is wegens dwaling of bedrog, wordt verworpen. Aan het beroep op dwaling en bedrog leggen gedaagden ten grondslag dat ECP Factoring hen heeft misleid door hen voor te houden dat de factoringovereenkomst niet bindend zou zijn. Als na (tegen)bewijslevering wordt geoordeeld dat de factoringovereenkomst de partijbedoeling weergeeft, is echter van misleiding geen sprake geweest en ontvalt dus de grond aan het beroep op dwaling en bedrog.
Het verweer dat een beroep op de overeenkomst onrechtmatig, dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is
4.14.
Als wordt geoordeeld dat een overeenkomst met de inhoud van de factoringovereenkomst tot stand is gekomen, faalt het verweer dat een beroep op de overeenkomst onrechtmatig, dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook indien juist zou zijn dat ECP Factoring haar verplichtingen uit de factoringovereenkomst (deels) niet is nagekomen, maakt dit het beroep van ECP Factoring op de factoringovereenkomst nog niet onrechtmatig of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarvoor zijn bijzondere feiten en omstandigheden nodig die door gedaagden niet, althans onvoldoende zijn gesteld.
Het verweer dat de persoonlijke garant-/borgstelling van [gedaagde04] rechtsgeldig is vernietigd
4.15.
De rechtbank begrijpt de stellingen van gedaagden aldus dat de in de factoringovereenkomst opgenomen garant-/borgstelling van [gedaagde04] (hierna: de garantie) kwalificeert als een overeenkomst als bedoeld in artikel 1:88 lid 1 onder c BW, waarvoor toestemming van de echtgenote van [gedaagde04] vereist is, en dat niet is voldaan aan de uitzondering van artikel 1:88 lid 5 BW. Op die grond heeft [naam02] (hierna: [naam02] ) bij brief van 12 april 2021 de garantie vernietigd.
4.16.
ECP Factoring heeft bij gebrek aan wetenschap betwist dat [gedaagde04] ten tijde van de ondertekening van de factoringovereenkomst (6 maart 2019) gehuwd was met [naam02] . Volgend op die betwisting hebben gedaagden een uittreksel uit een huwelijksakte overgelegd waaruit blijkt dat [gedaagde04] op 15 september 2006 is getrouwd met [naam02] . ECP Factoring heeft daarop niet gereageerd zodat de rechtbank ervan uitgaat dat ECP Factoring haar betwisting niet heeft gehandhaafd. Dit betekent dat tussen partijen vaststaat dat voor het aangaan van de garantie door [gedaagde04] de toestemming van [naam02] vereist was.
4.17.
ECP Factoring heeft ook aangevoerd dat een beroep op artikel 1:88 BW, gelet op de handelwijze van [gedaagde01] en [gedaagde04] , naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. ECP Factoring heeft die stelling echter op geen enkele wijze onderbouwd zodat hieraan wordt voorbijgegaan.
4.18.
Gelet op het voorgaande, staat vast dat de garantie rechtsgeldig is vernietigd. [gedaagde04] kan dus niet op grond van de garantie worden aangesproken.
4.19.
ECP Factoring heeft nog aangevoerd dat [gedaagde04] onrechtmatig heeft gehandeld door haar te misleiden en doelbewust bepalingen van de factoringovereenkomst te schenden en dat [gedaagde04] daarom, ook als de garantie rechtsgeldig is vernietigd, aansprakelijk is voor het door ECP Factoring op grond van de garantie gevorderde bedrag, maar dit is door gedaagden gemotiveerd betwist en door ECP Factoring onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd zodat hieraan voorbij zal worden gegaan.
Het verweer dat niet in strijd met de factoringovereenkomst is gehandeld
4.20.
Op grond van artikel 7.4 van de factoringovereenkomst is het [gedaagde01] verboden om debiteuren door wat voor mededeling dan ook te bewegen om de Vorderingen (als bedoeld in de factoringovereenkomst) op een andere rekening dan de CDA te betalen. Schending van deze verplichting leidt tot verschuldigdheid van een boete van € 3.750,- per vordering waarop de overtreding ziet, onverminderd het recht van ECP Factoring op volledige schadevergoeding (artikel 17 van de algemene voorwaarden).
4.21.
Onder Vorderingen als bedoeld in de factoringovereenkomst vallen kortweg alle vorderingen van [gedaagde01] met uitzondering van Uitgesloten Vorderingen. Uitgesloten Vorderingen zijn (volgens de allonge) alle vorderingen die betrekking hebben op leasetermijnen.
4.22.
ECP Factoring stelt dat [gedaagde01] Care4Lease heeft bewogen om dertien facturen van [gedaagde01], die betrekking hebben op de verkoop van auto’s door [gedaagde01] aan Care4Lease, op een andere rekening dan de CDA te betalen. Daarmee heeft [gedaagde01] gehandeld in strijd met artikel 7.4 van de factoringovereenkomst en heeft zij dertien boetes van € 3.750,- verbeurd.
4.23.
Gedaagden voeren aan dat alle vorderingen van [gedaagde01] aan Care4Lease verpand zijn en dat daarom is afgesproken dat [gedaagde01] geen vorderingen aan ECP Factoring zou overdragen. Daarnaast is volgens gedaagden Care4Lease eigenaar van het hele wagenpark en vallen de vorderingen van [gedaagde01] en het wagenpark daarom niet onder de werkingssfeer van de factoringovereenkomst.
4.24.
Onbetwist is dat [gedaagde01] Care4Lease heeft bewogen om de betreffende dertien facturen op een andere rekening dan de CDA te betalen. Ook onbetwist is dat deze facturen geen betrekking hebben op leasetermijnen. Volgens de factoringovereenkomst hadden de vorderingen uit deze facturen dus door [gedaagde01] aan ECP Factoring gecedeerd moeten worden en hadden betalingen op deze facturen op de CDA geïnd moeten worden. Dat een andersluidende afspraak is gemaakt omdat [gedaagde01] al haar vorderingen aan Care4Lease zou verpanden, is niet gebleken. Uit de allonge blijkt bovendien dat [gedaagde01] niet ál haar vorderingen aan Care4Lease zou verpanden, maar uitsluitend haar vorderingen die betrekking hebben op leasetermijnen. In de allonge is daarom de afspraak gemaakt dat [gedaagde01] haar vorderingen die betrekking hebben op leasetermijnen niet aan ECP Factoring zou cederen, maar dat zij haar overige vorderingen (zoals vorderingen die betrekking hebben op de verkoop van auto’s) wel aan ECP Factoring zou cederen. Daarmee staat wel vast dat [gedaagde01] volgens de factoringovereenkomst de betreffende dertien vorderingen (die betrekking hebben op de verkoop van auto’s) aan ECP Factoring moest cederen en niet zelf mocht innen. Dat Care4Lease eigenaar is van “het volledige wagenpark”, zoals gedaagden hebben aangevoerd, doet daar niet aan af. Dit staat er immers niet aan in de weg dat [gedaagde01] de vorderingen die zij uit hoofde van de verkoop van de auto’s op Care4Lease heeft, aan ECP Factoring overdraagt.
4.25.
Indien een overeenkomst met de inhoud van de factoringovereenkomst tot stand is gekomen, heeft [gedaagde01] dus in strijd gehandeld met artikel 7.4 van de factoringovereenkomst en heeft zij, nu de tekortkoming ziet op dertien vorderingen, ingevolge artikel 17 van de algemene voorwaarden dertien keer een boete van € 3.750,- verbeurd.
Slotsom
4.26.
Uit het voorgaande volgt dat de verweren die gedaagden hebben aangevoerd voor het geval komt vast te staan dat een overeenkomst met de inhoud van de factoringovereenkomst tot stand is gekomen, falen, met uitzondering van het verweer met betrekking tot de garantie van [gedaagde04] . De vorderingen tegen [gedaagde04] zullen dus worden afgewezen.
4.27.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
In reconventie
Vernietiging van de overeenkomst wegens bedrog of dwaling?
4.28.
De primair gevorderde verklaring voor recht dat de factoringovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van bedrog althans dwaling, en de op basis daarvan gevorderde vernietiging van de factoringovereenkomst, worden, gelet op hetgeen onder 4.13 is overwogen, afgewezen.
Verklaring voor recht dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming?
4.29.
De subsidiair gevorderde verklaring voor recht dat ECP Factoring is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen onder de overeenkomst, wordt afgewezen. Voor de ontvankelijkheid van een vordering tot verklaring voor recht is vereist dat de eiser een concreet belang in de zin van artikel 3:303 BW bij die vordering heeft. Een dergelijk belang is door gedaagden niet gesteld. Onbetwist is dat de factoringovereenkomst - als die tot stand gekomen is - inmiddels is geëindigd, zodat een tekortkoming in de nakoming, mocht die worden vastgesteld, nog slechts tot schadevergoeding kan leiden. ECP Factoring heeft echter betoogd dat van schadevergoeding geen sprake kan zijn omdat van enige schade als gevolg van de gestelde tekortkoming in de nakoming geen sprake is. Zij heeft dus het belang van gedaagden bij de gevorderde verklaring voor recht betwist. Gedaagden hebben hierop verzuimd aan te geven welk belang zij bij de gevorderde verklaring voor recht hebben. Zij hebben niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat zij door de gestelde tekortkoming (mogelijk) schade hebben geleden, en zij hebben evenmin enig ander belang dan het verkrijgen van schadevergoeding gesteld. Zij hebben aldus niet aan hun stelplicht voldaan. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen.
Verklaring voor recht dat sprake is van onrechtmatig handelen?
4.30.
Meer subsidiair vorderen gedaagden een verklaring voor recht dat ECP Factoring onrechtmatig heeft gehandeld. Aan de stelling dat ECP Factoring onrechtmatig heeft gehandeld leggen gedaagden ten grondslag dat het niet de bedoeling van partijen was om uitvoering te geven aan de factoringovereenkomst en dat eiseres, door uitvoering van de factoringovereenkomst te vorderen, onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Eiseres stelt daartegenover dat het wel de bedoeling was om uitvoering te geven aan de factoringovereenkomst.
4.31.
Indien komt vast te staan dat het niet de bedoeling van partijen was om uitvoering te geven aan de factoringovereenkomst, dan is sprake van een (stilzwijgende) afspraak om geen uitvoering aan de factoringovereenkomst te geven en dan heeft eiseres, door nakoming van de factoringovereenkomst te vorderen, in strijd gehandeld met die (stilzwijgende) afspraak. Eiseres is dan tekortgeschoten in de nakoming van die (stilzwijgende) afspraak. In dat geval is ook sprake van onrechtmatig handelen van eiseres. Immers, eiseres heeft dan in elk geval gehandeld in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv door de rechtbank voor te houden dat het de bedoeling van partijen was om uitvoering te geven aan de factoringovereenkomst.
4.32.
Gedaagden hebben geen belang in de zin van artikel 3:303 BW bij de gevorderde verklaring voor recht gesteld, maar eiseres heeft dat belang evenmin betwist. In het bijzonder heeft eiseres niet betwist dat gedaagden mogelijk schade hebben geleden als gevolg van het gestelde onrechtmatig handelen van eiseres. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat gedaagden belang hebben bij de gevorderde verklaring voor recht.
4.33.
Nu eiseres betwist dat het niet de bedoeling van partijen was om uitvoering te geven aan de factoringovereenkomst, zullen gedaagden dit, overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv, moeten bewijzen. Dit komt erop neer dat gedaagden moeten bewijzen dat tussen partijen géén overeenkomst tot stand is gekomen met de inhoud van de factoringovereenkomst. De rechtbank zal gedaagden een bewijsopdracht in die zin geven.
Verklaring voor recht dat de persoonlijke garant-/borgstelling van [eiser01] rechtsgeldig is vernietigd?
4.34.
Uit hetgeen in 4.15 tot en met 4.18 is overwogen volgt dat de verklaring voor recht dat de garantie rechtsgeldig is vernietigd, zal worden toegewezen indien komt vast te staan dat een overeenkomst met de inhoud van de factoringovereenkomst tot stand is gekomen.
4.35.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie:
5.1.
laat gedaagden toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen met de inhoud van de factoringovereenkomst;
in reconventie:
5.2.
draagt gedaagden op te bewijzen dat tussen partijen géén overeenkomst tot stand is gekomen met de inhoud van de factoringovereenkomst;
in conventie en in reconventie:
5.3.
bepaalt dat gedaagden zich op de rolzitting van 19 oktober 2022 schriftelijk kunnen uitlaten over de vraag of en, zo ja, hoe zij (tegen)bewijs willen leveren;
5.4.
bepaalt dat, als gedaagden (tegen)bewijs willen leveren door middel van schriftelijke stukken, zij deze stukken op de hiervoor vermelde rolzitting moeten overleggen;
5.5.
bepaalt dat, als gedaagden getuigen willen laten horen, zij de namen van de getuigen op de hiervoor vermelde rolzitting moeten opgeven, evenals de verhinderdata van partijen, hun advocaten en de getuigen tot en met februari 2023, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;
5.6.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de op de terechtzitting van mr. W.A.M. Schellekens in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125;
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. Schellekens. Het is getekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2022.1.
3168/3310/2054
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑09‑2022