Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.3.2.1
10.3.2.1 Betekenis van art. 6:145 BW
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS587135:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zoals bedingen tussen de schuldenaar en de oude schuldeiser overeengekomen. Ook derden, waaronder de nieuwe schuldeiser zijn hieraan gebonden. Vgl. o.a. r.o. 3.4., HR 29 januari 1993, NJ 1994, 171 (Van Schaik q.q./ABN Amro), m.nt. PvS.
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 264; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 276; Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 286; Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 4; T&C 2002 (T.J. Mellema-Kranenburg), art. 6:145, aant. 1. Vgl. ook E. Groot, noot (sub 11) onder HR 28 januari 2005, JBPR 2005/32. De passage in Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 267 ziet niet op de verweermiddelen, maar op de bevoegdheden van de schuldenaar (in het bijzonder diens bevoegdheden tot verrekening en opschorting). Van Achterberg, en in navolging daarvan ook Wibier, schrijft dat de schuldenaar op grond van art. 6:145 BW ook verweren kan inroepen die pas na de overgang zouden ontstaan en die hun grondslag hebben in de tussen de oude schuldeiser en de schuldenaar bestaande rechtsverhouding. Zie Van Achterberg 1999, nr. 17; Wibier 2009a, nr. 25; vgl. Wiarda 1937, p. 255 e.v. Uit de gegeven voorbeelden blijkt even wel dat zij alleen doelt op de verweermiddelen die reeds bestonden op het moment van de overgang van de vordering.
Het is uiteraard niet uitgesloten dat voor de schuldenaar uiteindelijk dezelfde verweren ontstaan als die hij (ook) zou hebben gehad als de vordering niet was overgegaan.
Zie hierna nr. 630 e.v.
Zie o.a. Van Achterberg 1999, nr. 17 (fine); Wibier 2009a, nr. 25; Verdaas 2008a, nr. 435 en 437; H.J. Snijders 2007, art. 1020, aant. 7, met verdere literatuurverwijzingen. Zie ook hiervóór nr. 19.
564. Art. 6:145 BW bepaalt dat de overgang van een vordering de verweermiddelen van de schuldenaar onverlet laat. De bepaling heeft betrekking op de op het moment van de overgang reeds bestaande verweermiddelen van de schuldenaar, ongeacht of zij zijn ontleend aan de wet, een rechterlijke uitspraak of de rechtsverhouding tussen de schuldenaar en de oude schuldeiser.1 De schuldenaar dient de verweermiddelen in te roepen jegens zijn nieuwe schuldeiser. Art. 6:145 BW ziet niet op de bevoegdheden van de schuldenaar. Art. 6:145 BW ziet evenmin op de verweermiddelen van de schuldenaar, die pas na het moment van overgang (zouden kunnen) ontstaan.2 Art. 6:145 BW beschermt met andere woorden niet de verwachting van de schuldenaar dat na de overgang van de vordering dezelfde verweermiddelen zullen ontstaan, zoals die zouden zijn ontstaan als de vordering niet was overgegaan.3 De bepaling bevestigt alleen dat de bestaande verweermiddelen van de schuldenaar onveranderd blijven.
Uit het voorgaande volgt onder meer dat een verweermiddel dat de schuldenaar ontleent aan de uitoefening van een bevoegdheid na de overgang van de vordering, geen verweermiddel is in de zin van art. 6:145 BW. De schuldenaar heeft dit verweermiddel nog niet op het moment van de overgang van de vordering. Het ontstaan van het verweermiddel is afhankelijk van het bestaan en de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid. Denk bijvoorbeeld aan de verweermiddelen die de schuldenaar ontleent aan een door hemzelf verrichte rechtshandeling, zoals betaling, opschorting, verrekening of ontbinding, alsook voor de verweermiddelen die hij ontleent aan (mede) door andere personen verrichte rechtshandelingen, zoals afstand, vernietiging, ontbinding, verrekening of (toestemming aan) schuldoverneming. Als art. 6:145 BW ook betrekking zou hebben op deze verweermiddelen, zouden de regelingen inzake de bevoegdheden overbodig zijn.
Ook de verweermiddelen jegens de nieuwe schuldeiser die gegrond zijn op de stelling dat geen overgang heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld omdat een gebrek in de leveringshandeling bestaat of omdat de vordering krachtens partijbeding onoverdraagbaar is, zijn geen verweermiddelen in de zin van art. 6:145 BW.4
Omdat de vordering en de nevenrechten onveranderd op de nieuwe schuldeiser overgaan, behoudt de schuldenaar ook zonder art. 6:145 BW zijn verweermiddelen. Aan de vordering ontleent de schuldenaar in zoverre een recht, omdat de schuldeiser niet meer van hem kan vragen dan uit de vordering voortvloeit. Ook aan een beding dat de inhoud van de vordering bepaalt, en dat als nevenrecht op de nieuwe schuldeiser overgaat en voortaan tussen hem en de schuldenaar geldt, ontleent de schuldenaar een recht. Er is sprake van de overgang van een nevenrecht waarop beide partijen een beroep kunnen doen. De schuldenaar kan kort gezegd de inhoud van de vordering aan de nieuwe schuldeiser tegenwerpen.5