Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/100:100 Onvoldoende belang bij dwingende bewijskracht
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/100
100 Onvoldoende belang bij dwingende bewijskracht
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS458254:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie A-G Langemeijer in zijn conclusie voor HR 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6526, RvdW 2006, 131. De Hoge Raad heeft zich over deze kwestie niet uitgelaten; het cassatieberoep is verworpen op grond van art. 81 Wet RO.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In geval van dwingende bewijskracht van een bewezen feit in een strafvonnis kan de juistheid van dat feit doorgaans niet met succes in een procedure voor de burgerlijke rechter (opnieuw) ter discussie worden gesteld. Tenzij de verzoeker in zijn verzoekschrift aangeeft dat en welke aanwijzingen bestaan voor de onjuistheid van het feit, moet een voorlopig getuigenverhoor naar mijn mening worden afgewezen vanwege onvoldoende belang. Het heeft geen zin de onjuistheid van een feit met dwingende bewijskracht te willen bewijzen als de verzoeker zelf geen of onvoldoende aanwijzingen heeft voor de onjuistheid van het feit.1