FED 2025/18
Van toepassing zijnde socialezekerheidswetgeving. Criteria beoordelen of substantieel gedeelte van werkzaamheden in woonstaat zijn verricht. Prejudiciële vragen.
HR 15-03-2024, ECLI:NL:HR:2024:390, m.nt. dr. F.M. Werger
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15 maart 2024
- Magistraten
Mrs. Koopman, Feteris, Faase, Cools, Van der Voort Maarschalk
- Zaaknummer
22/02795
- Noot
dr. F.M. Werger
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS998653:1
- Vakgebied(en)
Internationale sociale zekerheid / Verzekeringsplicht
Internationale sociale zekerheid / Bijzondere onderwerpen
Europees belastingrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:390, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑03‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑03‑2024
ECLI:NL:PHR:2023:197, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑02‑2023
- Wetingang
Art. 13 lid 1 Verordening EU 883/2004 (Basisverordening); art. 14 lid 8 en 10 Verordening EU 987/2009 (Toepassingsverordening)
Essentie
Van toepassing zijnde socialezekerheidswetgeving. Criteria beoordelen of substantieel gedeelte van werkzaamheden in woonstaat zijn verricht. Prejudiciële vragen.
Samenvatting
Belanghebbende woonde in 2016 in Nederland. Van 4 februari 2016 tot en met 31 december 2016 was hij werkzaam op een binnenvaartschip dat in Nederland is geregistreerd. Een in Nederland geregistreerd en gevestigd scheepvaartbedrijf is eigenaar en exploitant van het schip. Belanghebbende stond in deze periode op de loonlijst van een werkgever in Liechtenstein. Hij verrichtte toen werkzaamheden in België, Duitsland en Nederland. Het schip heeft in het jaar 2016 volgens het vaartijdenboek ongeveer 22% van de tijd in Nederland ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.