Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 73) 2010/4.3.2:4.3.2 Wijziging van art. 2:9 BW gewenst?
Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 73) 2010/4.3.2
4.3.2 Wijziging van art. 2:9 BW gewenst?
Documentgegevens:
mr. D.A.M.H.W. Strik, datum 20-07-2010
- Datum
20-07-2010
- Auteur
mr. D.A.M.H.W. Strik
- JCDI
JCDI:ADS434658:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Antilliaans Publicatieblad 2004/6, Landverordening van de 29ste December 2003 houdende vaststelling van de tekst van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Zie mijn interventie tijdens het Congres Vereenvoudiging en flexibilisering van het Nederlandse BV-recht 7-8 mei 2004, in: Mezias 2005, p. 152-153.
Zie Van Schilfgaarde 1986a, p. 18.
In deze zin: Mezias 2005, p. 64.
Zie Mezias 2005, p. 153.
Zie MvT 1998/1999 bij art. 39 van de Landsverordening inzake Besloten Vennootschap.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gezien de discussie daarover kan de vraag worden gesteld of de wettelijke regeling van art. 2:9 BW voldoet. In dit verband is de keuze van de Antilliaanse wetgever interessant. Art. 2:14 NABW bepaalt1:
1.Iedere bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de binnen zijn werkkring gelegen taak
2.Tot de werkkring van een bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de statuten aan één of meer andere bestuurders zijn toegedeeld.
3.Iedere bestuurder draagt niettemin verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken en is gehouden zoveel mogelijk bij te dragen tot het afwenden van de gevolgen van een schadetoebrengend feit, ook al behoort de aangelegenheid niet tot zijn werkkring. De bestuurders aan wie ingevolge het tweede lid bepaalde taken zijn toegedeeld houden de overige bestuurders regelmatig op de hoogte van de stand van zaken op dat taakgebied.
4.De aansprakelijkheid ter zake van het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid van dit artikel is een hoofdelijke voor alle bestuurders. Niet aansprakelijk is echter de bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling, mede gelet op zijn werkkring en de periode gedurende welke hij in functie is geweest, niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.
[...]"
Kent de tekst van art. 2:14 NABW nu een grotere rol toe aan de taakverdeling bij de vaststelling van aansprakelijkheid dan de regeling van art. 2:9 BW? Ik meen van niet.2 Uitgangspunt is hoofdelijke aansprakelijkheid voor alle bestuurders (zie lid 4). De disculpatiegronden (lid 4) zijn dezelfde als in art. 2:9 BW, met dien verstande dat de werkkring (en de periode gedurende welke de bestuurder in functie is geweest) is vastgelegd als relevante — maar niet noodzakelijkerwijs doorslaggevende — omstandigheid bij de beoordeling.
Het valt op dat art. 14 lid 3 NABW de Van Schilfgaarde-leer codificeert, volgens welke iedere bestuurder gehouden is zoveel mogelijk bij te dragen tot het afwenden van de gevolgen van een schadetoebrengend feit, ook al behoort de aangelegenheid niet tot zijn werkkring.3 Er is voor gekozen om dit zowel op te nemen als verplichting van iedere bestuurder (lid 3), alsmede als disculpatiegrond (lid 4). Dit lijkt een doublure: als vaststaat dat een bestuurder niet heeft voldaan aan zijn verplichting zoveel mogelijk bij te dragen aan het afwenden van de gevolgen van een schadetoebrengend feit, is hij voor de gevolgen daarvan aansprakelijk op grond van lid 4. Aan de disculpatiegrond dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden kan dan niet meer worden toegekomen. Ik zal hierna in hoofdstuk 5, par. 5.6.3. nog terugkomen op de problematiek van de schadebeperking.
Ten slotte bepaalt art. 2:14 lid 3 NABW dat iedere bestuurder verantwoordelijk is voor de algemene gang van zaken.
Waarom wordt de Antilliaanse regeling bestempeld als milder, soepeler, dan de Nederlandse, waardoor bestuurders op de Antillen in de praktijk minder snel aansprakelijk zouden zijn dan in Nederland?4 De crux van de Antilliaanse regeling is niet terug te vinden in de tekst van art. 14 NABW, maar in de memorie van toelichting.5 Daarin wordt vermeld dat de Antilliaanse wetgever bedoeld heeft om taakverdeling op betrekkelijk ruimere schaal mogelijk te maken dan in Nederland.6 Onduidelijk is hoe dat in de praktijk zal uitwerken.