Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/6.7.3
6.7.3 Surseance van betaling/schuldsanering natuurlijke personen
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS480536:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Kortmann 1989, p. 61.
Vgl. Van der Feltz I, p. 336; MvA II (11 085), Kortmann/Faber 2-III 1995, p. 357 en 359; en NEV II (11 085), Kortmann/Faber 2-III 1995, p. 368.
De scheidslijn tussen beide instellingen is overigens niet zo scherp, onder meer doordat een surseance gelegenheid kan bieden tot een liquidatie en opheffing van het bedrijf en zodoende het karakter van een verzacht faillissement kan krijgen.
MvT (424), Kortmann/Faber 2-III 1995, p. 466.
HR 23 oktober 1981, NJ 1982/173, m.nt. B. Wachter (Heiloo/De Ruuk q.q.) en MvA I (16 595), Kortmann/Faber 2-III 1995, p. 85-86.
281. Hetgeen geldt voor de samenloop van een levering bij voorbaat met een faillissement geldt mutatis mutandis voor de samenloop met een (voorlopige) surseance van betaling of de wettelijke schuldsaneringsprocedure voor natuurlijke personen.
Wat betreft de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen geldt dat art. 35 lid 2 Fw krachtens art. 313 lid 1 Fw van overeenkomstige toepassing is.
De regeling van de surseance van betaling bevat noch een schakelbepaling, noch een met art. 35 lid 2 Fw te vergelijken specifiek voorschrift. Niettemin geldt ook hier de regel dat een verkrijging op grond van een levering of vestiging bij voorbaat wordt doorkruist door een tussentijdse (voorlopige) verlening van surseance aan de vervreemder. De overeenkomstige toepassing van de regel uit art. 35 lid 2 Fw op een (voorlopige) surseance van betaling, volgt uit HR 15 maart 1991, NJ 1992/605 (Veenendaal q.q./Hogeslag). De gelijkstelling van surseance en faillissement op dit punt is niet geheel vanzelfsprekend, nu het doel en de strekking van beide maatregelen uiteenlopen.1 Surseance is immers gericht op behoud van de boedel en voortzetting van het bedrijf in het belang van zowel de schuldenaar als een betere bevrediging van de schuldeisers.2 Het faillissement strekt daarentegen tot vereffening van de boedel.3 In beide gevallen wordt de schuldenaar echter beperkt in zijn bevoegdheid om zelfstandig over zijn vermogen te beschikken. Door het faillissement verliest hij deze bevoegdheid in het geheel op grond van art. 23 FW, terwijl een (voorlopige) verlening van surseance krachtens art. 228 Fw zijn bevoegdheid onderwerpt aan de medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerder. Art. 228 lid 1 Fw is in zijn opzet ook analoog aan de regeling van art. 23 Fw.4 Het strookt bovendien met eerdere rechtspraak van de Hoge Raad en met de wetsgeschiedenis van art. 35 Fw om in het geval van een surseance en bij gebreke van een specifiek voorschrift omtrent de gevolgen voortvloeiend uit art. 228 Fw, aansluiting te zoeken bij art. 35 Fw.5 Tegen deze achtergrond ligt het alleszins in de rede om de regel van art. 35 lid 2 Fw analoog toe te passen op een (voorlopige) surseanceverlening.