Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/5.2.3.d
5.2.3.d Late middeleeuwen tot in de negentiende eeuw: statutenleer en territorialiteit
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS465272:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hierover uitvoerig: Meijers 1934, p. 558-566.
Vogel 1965, p. 44 e.v.
Hierover nader Vogel 1965, p. 46.
Strikwerda 2008 (Inleiding), p. 15; Kegel & Schurig 2004, p. 171.
Zie ook par. 1.1.2.
Strikwerda 1978, p. 113. Vgl. ook Kegel & Schurig 2004, p. 174. Tot traditionele hoofdonderscheiding kristalliseerde zich in de loop der tijd de indeling in statuta personalia, statuta realia en statuta mixta uit. De statuta personalia waren de regels van personenrecht in enge zin; zij waren van toepassing ten aanzien van de eigen onderdanen. De statuta realia waren de regels van goederenrecht; zij bestreken alle op het eigen territoir gelegen onroerende goederen. De statuta mixta vormden een restgroep, die — evenals de statuta realia — territoriaal geaard waren. De definitie van deze derde categorie stond niet vast; sommigen rekenden hiertoe regels betreffende rechtshandelingen, volgens anderen ging het om regels die zowel op personen als op goederen betrekking hebben, weer anderen kozen voor regels van vormenrecht. Zie Von Bar 1889, Bd. I, p. 42.
Die bereidheid (erkenning van vreemd recht) wordt tegenwoordig wel als een kenmerk van conflictenrecht gezien, en met name om die reden wordt dan gezegd dat de geschiedenis van het conflictenrecht ongeveer hier begint, en dat zij in ieder geval niet in de oudheid begon (vgl. onder meer Niederer 1952, p. 131; Schwind 1990, p. 4). Daarmee wordt in feite de definitie van conflictenrecht versmald; ten onrechte, want het (opvullen van het) rechtsvacuüm wordt als conflictenrechtelijke mogelijkheid miskend. Die definitieversmalling is onbewust, zij is het gevolg van onze onbewust-Savigniaanse perceptie.
Nadruk werd gelegd, met name door de Hollandse statutisten, op de relatie tussen de (steeds meer territoriaal opgevatte) soevereiniteit van de machthebber en het toepassingsbereik van zijn wetgeving. Wetgeving — uitdrukkelijk opgevat als een soevereine bevoegdheid van de staat — reikt zover als de soevereiniteit van de staat reikt. Vgl. Strikwerda 1978, p. 112 en p. 5; Vogel 1965, p. 50 e.v.; Joerges 1971, p. 9
Huber 1686, I.BI. 4-6.
Vgl. Vogel 1965, p. 28 e.v. De benaming formele-territorialiteitsbeginsel is, zo is eerder in deze studie al werd opgemerkt, overigens van later datum en ook nu nog geen vaste terminologie (zie noot 35 van hoofdstuk 1).
Vogel 1965, p. 35 e.v.
Zie onder meer gezaghebbende handboeken uit die tijd, zoals Foelix 1843, p. 12 e.v. (Foelix/Demangeat 1866, p. 19 e.v.); Story 1841, p. 25 e.v. Vgl. Strikwerda 1978, p. 5. Vogel 1965, p. 89-90 illustreert hoe sterk de territorialiteitsgedachte in deze tijd leefde.
Vgl. Vogel 1965, p. 60-64.
Von Bar 1889, Bd. I, p. 33-34 en p. 47.
De Groot 1631, 1.13.3. Zie ook Kosters 1914, p. 287-288; Kosters 1917, p. 65.
Von Wächter 1841, p. 253; Von Savigny 1849, p. 25 en p. 114.
Dit is niet verwonderlijk. In deze rechtsgebieden hebben lang de sleutels tot macht en rijkdom gelegen, en die men gaf niet graag uit handen. Vererving was in vroeger tijden immers de belangrijkste manier om eigendom te vergaren, terwijl onroerende zaken de belangrijkste vermogensbestanddelen vormden (grondbezit).
Wij moeten daarbij overigens niet vergeten dat het vreemdelingenrecht ook een rol speelde in de materieel-rechtelijke fase, die in deze excursie buiten beschouwing blijft (zie noot 339 van dit hoofdstuk 5).
Von Wächter 1841, p. 253. Zie ook Von Savigny 1849, p. 25; Schnitzer 1950, p. 250-251.
611. Territorialiteit; verschuiving staatsbegrip. Later in de middeleeuwen begon het systeem van de persoonlijke rechten om uiteenlopende redenen af te kalven.1 De rol van het territoir, die tot dan toe van secundaire betekenis was geweest, werd steeds belangrijker. Rond het einde van de twaalfde eeuw begonnen de opvattingen over de staat geleidelijk te verschuiven. Tot die tijd — ook in de oudheid — was de staat primair een personenverband geweest: de staat heerste in de eerste plaats over personen, niet over een gebied; vandaar ook het systeem van persoonlijke rechten.2 Nu begonnen machthebbers zich echter meer en meer te richten op de beheersing van hun gebied. Dit was het eerste begin van de transformatie van de `personenverbandsstaat' in de moderne 'institutionele vlaggenstaat' van tegenwoordig.3 Zo werd ook het recht geleidelijk aan meer en meer territoriaal gedefinieerd, het werd plaatsgebonden, het gold voor een bepaald gebied.
612. Statutenleer. Daarmee dienden zich nieuwe vragen omtrent het in internationale gevallen toepasselijke recht aan. De vanzelfsprekendheid dat de rechter zijn eigen recht toepast kwam ter discussie te staan. Bartolus de Saxoferrato vatte de nieuwe problemen in de veertiende eeuw als volgt samen: kan eigen wetgeving binnen het eigen territoir ook gelding hebben ten aanzien van vreemdelingen? En: kan eigen wetgeving ook buiten het eigen territoir gelding hebben?4 Men ziet in de vraagstelling het gewijzigde perspectief terug.
613. Een nieuwe middeleeuwse wetenschap was geboren: de `collisio statutorum' (samenloop van wetgeving) was voorwerp van universitaire studie geworden in Noord-Italië en Zuid-Frankrijk. Hieruit groeide de statutenleer, welke leer het continentale conflictenrecht tot in de negentiende eeuw heeft beheerst.5
614. Centraal in de statutenleer stond, zo hebben wij al eerder gezien, het toepassingsbereik van de eigen wetgeving. Rechtsregels werden in een aantal klassen ingedeeld en iedere klasse van rechtsregels werd geacht een bepaald toepassingsbereik te hebben, dat zich uit de aard van die klasse van rechtsregels liet afleiden.6 Aldus werd het toepassingsbereik van de eigen rechtsregels vastgesteld. Het statutistische conflictenrecht was in beginsel eenzijdig; zijn primaire doel was de afbakening van het toepassingsbereik van de eigen rechtsregels. Was het eigen recht op grond van de eigen eenzijdige conflictregel niet van toepassing, dan kon — mits de eigen wet dat toeliet — op grond van diezelfde conflictregel toepassing worden gegeven aan vreemd recht; de conflictregel werd `gebilateraliseerd' (`gegeneraliseerd').
615. Analyse. Zo werden twee belangrijke stappen binnen het kader van het conflictenrecht gezet. Ten eerste ontlook de bereidheid om vreemd recht toe te passen, een revolutionaire stap in het conflictenrecht.7 Ten tweede werd het conflictenrecht een middeleeuws-wetenschappelijke discipline; hier begint dus de geschiedenis van het conflictenrecht als voorwerp van rechtsgeleerde studie.
616. Nadruk meer op territorialiteit. Binnen de statutenleer kwam het accent steeds meer te liggen op de territorialiteit van het recht.8 In de zeventiende eeuw trok Ulrik Huber de territorialiteitsgedachte tot het uiterste door. Hij kwam tot de volgende drie 'axiomata':
"Ten 1. Dat de wetten van yder vry Landschap kracht moeten hebben binnen de palen des selven Lands, ende verbinden alle de Onderdanen des selfs, sonder wijders.
Ten 2. Dat voor onderdanen moeten worden gehouden alle Persoonen die in dat Landschap worden bevonden, soo lange sy hun aldaer onthouden, het sy voor een tijt ofte voor altoos.
Ten 3. De Hooge machten van yder Landt bieden elkander de handt, ten einde, de Rechten van yder, op elk sijn onderdanen, schoon elders zijnde, soo verre gelden, als het niet is strijdig met de Macht of het Recht des anderen in sijn bedrijf."9
617. Formele-territorialiteitsbeginsel. Daarmee zien wij bij Huber voor het eerst het formele-territorialiteitsbeginsel als uitgangspunt van het conflictenrecht: het toepassingsbereik van het recht is afgebakend tot het eigen territoir en de rechter past slechts zijn eigen recht toe.10 Hubers axiomata hebben lange tijd grote invloed gehad.11 Het conflictenrecht in de achttiende en negentiende eeuw nam het formele-territorialiteitsbeginsel tot algemeen uitgangspunt.12
618. Invloed vreemdelingenrecht op conflictenrecht. Al met al had het conflictenrecht zich steeds verder ontworsteld uit zijn verstrengeling met het vreemdelingenrecht. In de rechtsbevoegdheidsfase werd de rechtsbevoegdheid van de vreemdeling steeds groter, waardoor de interferentie van het vreemdelingenrecht vanuit die hoek steeds kleiner werd. En ook in de conflictenrechtelijke fase zelf werd de invloed van het vreemdelingenrecht verder teruggedrongen: binnen het statutistisch-territoriale conflictenrecht brak de gedachte door dat de lokale wet toepasselijk is ten aanzien van iedereen die zich op het territoir bevindt, dus ook ten aanzien van de vreemdeling. Vreemdelingen werden steeds meer beschouwd als `cives temporarii', tijdelijke onderdanen — men denke aan Hubers tweede axioma.13 Dit axioma is in feite, in combinatie met het eerste axioma, een soort beginsel van nationale behandeling avant la lettre: conflictregel (formele-territorialiteitsbeginsel) en non-discriminatiebeginsel tegelijk.
619. Zo werd de positie van de vreemdeling, die in de late middeleeuwen nog veelvuldig werd achtergesteld, in de loop der eeuwen steeds verder verbeterd.14 Achter die verbetering gaat een complex van politieke, filosofische en economische gedachten schuil, dat hier kortheidshalve onbesproken blijft. Vermeld zij slechts de opmerking van Hugo de Groot anno 1631, waaruit blijkt dat ook welbegrepen eigenbelang een rol speelde: "Maer met lanckheid van tijden deze landen in koophandel ende neeringhe door de toe-komste van vremden zeer aennemende, is zodanigen ruim onderscheid on-oorboir gevonden."15
620. In de eerste helft van de negentiende eeuw was de ontvlechting van conflictenrecht en vreemdelingenrecht aardig gevorderd — maar zeker nog niet compleet.
621. De invloed van het vreemdelingenrecht op het conflictenrecht via de preliminaire rechtsbevoegdheidsfase was ver teruggedrongen: de rechtsbevoegdheid van de vreemdeling was grotendeels compleet.16 Zij werd nog op enkele, overigens niet onbelangrijke punten beknot. Erfrecht en recht van eigendom van onroerende zaken waren zulke knelpunten.17 In het intellectuele-eigendomsrecht daarentegen werd de rechtsbevoegdheid van vreemdelingen algemeen aangenomen, zo hebben wij gezien; slechts in enkele landen was op dit punt sprake van een beperking van de rechtsbevoegdheid — met rechteloosheid als gevolg.
622. En in de conflictenrechtelijke fase was het vreemdelingenrecht ook steeds verder teruggedrongen. Zoals wij hebben gezien deed zich hier in het intellectuele-eigendomsrecht echter een uitzondering voor: zo werd het toepassingsbereik van intellectuele-eigendomswetten zodanig afgebakend dat vreemde werken, auteurs, merkhouders, enz. tussen wal en schip vielen — met rechteloosheid als gevolg.
623. Positie vreemdeling. Hoewel, tezamen genomen, de vreemdeling nog steeds niet op gelijke voet met de onderdaan stond, was volledige rechteloosheid voor hem een uitzondering geworden.18 Zo kon Von Wkhter in 1841 vaststellen dat "der alte Grundsatz der Rechtlosigkeit" in het privaatrecht nagenoeg verdwenen was, uitgezonderd "nur einzelne Particularrechte."19