Einde inhoudsopgave
Forumkeuze in het Nederlandse IPR (R&P nr. 159) 2008/11.2.7.2
11.2.7.2 Wijziging woonplaats van partijen
mr. P.H.L.M. Kuypers, datum 29-02-2008
- Datum
29-02-2008
- Auteur
mr. P.H.L.M. Kuypers
- JCDI
JCDI:ADS420507:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Anders: Kropholler, EZPR, 5e druk, p. 205 (Verdrag) en 7e druk (EEX-V°), p. 277.
In art. 17 Verdrag dient in plaats van 'lidstaat' te worden gelezen 'verdragsluitende staat'.
HvJ EG 19 juni 1984, zaak 71/83, Tilly Russ/Nova, Jur. 1984, p. 2417, NJ 1984, 735.
HvJ EG 19 juni 1984, zaak 71/83, Tilly Russ/Nova, Jur. 1984, p. 2417; NJ 1984, 735, r.o. 13.
HvJ EG 19 juni 1984, zaak 71/83, Tilly Russ/Nova, Jur. 1984, p. 2417, NJ 1984, 735.
AG Slynn voor HvJ EG 19 juni 1984, zaak 71/83, Tilly Russ/Nova, Jur. 1984, p. 2417, NJ 1984, 735; zie p. 2440.
Idem, Jur. 1984, p. 2440.
Geimer, NJW 1985, p. 533.
HvJ EG 19 juni 1984, zaak 71/83, Tilly Russ/Nova, Jur. 1984, p. 2417, NJ 1984, 735, r.o. 24.
HvJ EG 16 maart 1999, zaak 159/97, CastellettifTrumpy, Jur. 1999, p. 1-1597, NJ 2001, 116.
HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem, Jur. 2000, p. 1-9337, NJ 2001, 599, r.o. 20.
Zie hierover verder par. 11.2.9 en 13.8.
De eerste voorwaarde is een probleem, indien ten tijde van het totstandkomen van de forumkeuze een andere situatie bestaat dan bij het inleiden van de procedure. Bijv.: Een Amerikaanse afzender sluit met een Canadese vervoerder een (zee)vervoerovereenkomst op grond waarvan zaken naar Rotterdam worden getransporteerd. In het cognossement is de rechter te Antwerpen als (uitsluitend) bevoegd aangewezen. De Duitse ontvanger/derde-houder van het cognossement constateert ladingschade en wil de Canadese vervoerder op grond van cognossement dagvaarden. Moet de procedure in Antwerpen of Rotterdam worden gevoerd? Dat hangt allereerst af van de vraag of art. 23 EEX-V° van toepassing is. Zo ja, dan is de Antwerpse rechter bij uitsluiting bevoegd. Zo nee, dan kan worden gedagvaard voor de rechter te Rotterdam.
De vraag luidt (anders geformuleerd en toegespitst op art. 23 EEX-V°/17 Verdrag): moet één van de partijen bij de forumkeuze of — indien de partijen bij de forumkeuze niet identiek zijn aan de procespartij en — één van de procespartijen woonplaats hebben in een EG-lidstaat respectievelijk verdragsluitende staat?
Een grammaticale uitleg lijkt erop te duiden dat het moet gaan om één van de oorspronkelijke partijen bij de forumkeuze.1Art. 23 EEX-V° luidt voor zover relevant:
`Wanneer de partijen, van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of gerechten van een lidstaat hebben aangewezen (...)' .2
Het gaat om de woonplaats van de partijen die de bevoegde rechter hebben aangewezen. Uit de rapporten over art. 17 EEX en EVEX valt op dit punt niets af te leiden. Het Hof van Justitie laat dit hete hangijzer in het arrest Tilly Russ/Nova3 rusten. Een oordeel hierover laat het Hof van Justitie over aan de nationale rechter.4 In het arrest Tilly Russ/Nova5 bestond over de toepasselijkheid van art. 17 EEX geen twijfel, hoewel geen van de oorspronkelijke partijen woonplaats leek te hebben in een verdragsluitende staat.6 Op dit punt had het Belgische Hof van Cassatie geen prejudiciële vraag gesteld, zodat het Hof van Justitie daarover geen uitspraak kon doen. Met AG Slynn7 ben ik van mening dat één van de oorspronkelijke partijen bij de forumkeuze woonplaats op het grondgebied van een EG-lidstaat c.q. verdragsluitende staat moet hebben. Treedt een derde met woonplaats in een EG-lidstaat c.q. verdragsluitende staat in de plaats van één of meer partijen die beide geen woonplaats hebben in een EG-lidstaat c.q. verdragsluitende staat, dan is art. 23 EEX-V°/17 Verdrag niet van toepassing. De woonplaats van de derde doet derhalve niet ter zake.8 Deze opvatting zou wellicht in strijd kunnen worden geacht met de liberalere mening die ik heb verdedigd in par. 7.2. Daar heb ik mij op het standpunt gesteld dat voldoende is dat één van de partijen (proces- of contractspartij en) bij de forumkeuze woonplaats heeft ten tijde van de totstandkoming van de forumkeuze of op het moment van het inleiden van de procedure. In par. 7.2 gaat het om dezelfde partijen. De procespartij is dezelfde als de (oorspronkelijke) partij bij de forumkeuze. Essentieel verschil is dat bij derdenwerking de partijen verschillend zijn op de meetmomenten. Bij zetelverplaatsing of wijziging van woonplaats blijven partijen dezelfde.
Voorts meen ik dat een andere opvatting tot bijna volledige uitholling van het woonplaatsvereiste zou leiden. Indien de forumkeuze overgaat door overdracht op een derde zouden partijen de toepasselijkheid volledig kunnen sturen. Overgang op een partij in een EG-lidstaat c.q. verdragsluitende staat zou toepasselijkheid van art. 23 EEX-V°/17 Verdrag tot gevolg hebben. De overgang zou op deze wijze tot uitbreiding van rechten van de derde kunnen leiden, indien de forumkeuze (nog) niet geldig was, maar door 23 EEX-V°/17 Verdrag geldig wordt.
Ten derde doet de voorwaarde derhalve (dat het moet gaan om één van de partijen bij de forumkeuze) recht aan het contractuele karakter van de forumkeuze. Niemand kan meer rechten verkrijgen dan zijn voorganger had. Nu de forumkeuze zonder overgang niet werd beheerst door art. 23 EEX-V°/17 Verdrag, zou het in strijd met de nemo plus regel zijn, indien de derde plotseling wel een beroep toekomt op een geldige forumkeuze in de zin van art. 23 EEX-V°/17 Verdrag. Dat geldt ook voor de situatie dat de forumkeuze aanvankelijk volgens het commune internationale privaatrecht geldig was en onder art. 23 EEX-V°/17 Verdrag na opvolging door de derde ongeldig zou worden.
Ten slotte vind ik voor de verplichte gelding van art. 23 EEX-V°/17 Verdrag in de oorspronkelijke verhouding steun in de arresten Tilly Russ/Nova,9 Castelletti/ Trumpy10 en Coreck Maritime/Handelsveem.11
De rechtsoverwegingen in deze arresten bevatten twee oordelen:
Art. 23 EEX-V°/17 Verdrag is in de verhouding tussen de oorspronkelijke partijen van toepassing; en
Bij een forumkeuze in de internationale handel, in een vorm die wordt toegelaten door de gebruiker en die partijen kennen of geacht worden te kennen, moet dit vormvoorschrift in de verhouding tussen de oorspronkelijke partijen worden beoordeeld.12