Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.4.3.3
12.4.3.3 Art. 6:162 lid 2 BW: inbreuk op een recht?
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS368546:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 8.3.2.2 en 8.3.2.3.
Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-IV, nr. 46.
Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-IV, nr. 46.
Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-IV, nr. 46.
Zie hierover HR 2 december 1004, NJ 1995, 288 m.nt. Maeijer (Poot/ABP): “Een aandeel in een vennootschap is weliswaar een vermogensrecht , doch het toebrengen van schade aan de vennootschap kan, hoezeer het ook een inbreuk op de rechten van de vennootschap oplevert, mede in het licht van het in 3.4.1 overwogene niet tevens worden gezien als een inbreuk op dit – door de aandeelhouder jegens de vennootschap uit te oefenen – vermo- gensrecht.” [onderstreping toegevoegd]
Zie hierover HR 2 december 1004, NJ 1995, 288 m.nt. Maeijer (Poot/ABP). In gelijke zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa, nr. 286.
Hiervoor in par. 12.2.3.3 kwam ter sprake dat de tenuitvoerlegging van gewone civielrechtelijke uitspraken veelal gepaard gaat met rechtsinbreuken die een onrechtmatige daad opleveren, indien deze niet meer kunnen worden gerechtvaardigd door de vernietigde uitspraak.
Ook het – achteraf bezien: ten onrechte – treffen van (onmiddellijke) voorzieningen gaat veelal gepaard met inbreuken op rechten. Het (rechts)gevolg van (onmiddellijke) voorzieningen is immers altijd, of vrijwel altijd, dat de rechten van de bij de organisatie van de rechtspersoon tijdelijk worden gewijzigd.1 Daarvoor bestaat met terugwerkende kracht geen rechtvaardiging, indien de desbetreffende beschikking wordt vernietigd. Althans met terugwerkende kracht moet worden geconstateerd dat de (toch niet) gewijzigde rechten niet zijn gerespecteerd.
Toch zal niet altijd sprake zijn van een onrechtmatige daad. Zo is niet in alle gevallen sprake van een inbreuk op een recht in de zin van art. 6:162 lid 2 BW. In dat kader wordt onder “recht” verstaan een zogeheten subjectief recht.2 De wet(sgeschiedenis), jurisprudentie en literatuur geven geen heldere definitief van de term “subjectief recht”.3 Duidelijk is wel dat subjectieve rechten uiteenvallen in absolute vermogensrechten en persoonlijkheidsrechten (zijnde onder meer het recht op lichamelijke integriteit, op vrijheid, op eer en goede naam, op bescherming van de persoonlijke levenssfeer).4 Een aandeel is een absoluut vermogensrecht,5 dat bestaat uit een bundel van (afhankelijke) rechten, zoals het stemrecht, voorkeursrecht en agenderingsrecht. Deze rechten kwalificeren mijns inziens eveneens subjectief recht, althans indien afbreuk wordt gedaan aan deze rechten wordt eveneens afbreuk gedaan aan het subjectieve recht aandeel. De (indirecte) aanspraak die het aandeel op het vermogen van de vennootschap biedt, vormt echter geen subjectief recht.6
Niet alle rechten die gelden binnen de deelrechtsorde kwalificeren als een subjectief recht. Zo zijn de (beslissings)rechten van bestuurders geen persoonlijkheidsrecht en ook geen absoluut vermogensrecht dat aan bestuurders toekomt. In par. 12.4.4 zal deze problematiek nader worden uitgewerkt.