Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/10.4
10.4 Het verstrekken van (bank)gegevens van de beslagene
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS498264:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Toelichting op het voorstel Europees bankbeslag, p. 8.
Voorts kan ingevolge artikel 720 Rv (slot) in geval van een verzoek tot het leggen van conservatoir beslag op een vordering tot een in artikel 475c Rv vermelde periodieke betaling slechts worden verleend, nadat de schuldenaar is gehoord of hij de gelegenheid te worden gehoord, ongebruikt aan zich voorbij heeft laten gaan. Zie ook p. 21 Beslagsyllabus augustus 2012.
Wetsvoorstel inzake Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Gerechtsdeurwaarderswet in verband met de bevoegdheid van deurwaarders om informatie op te vragen en elektronisch te betekenen in geval van derdenbeslag, Kamerstukken I, 2008-09, 31 240, nr. C, p. 1.
HR 20 september 1991, rov. 4.1, LJN ZC0338, NJ 1992, 552 m.nt. J.B.M. Vranken (Tripels/Masson). Zie ook Jongbloed 2011, p. 106-116.
Parlementaire behandeling van het eerste gedeelte van de Invoeringswet van de Boeken 3, 5 en 6 NBW, (Kamerstukken II, 1981-82, 16 593, nr. 5, p. 11 en 12). Deze door de HR aangehaalde passage in de MvA heeft betrekking op de vraag in hoeverre de geëxecuteerde verplicht is tot medewerking aan de tenuitvoerlegging. Uit het toenmalige BW, noch uit Rv kon een zodanige verplichting worden afgeleid. In het ongeschreven recht werd echter wel een grond gevonden. Voor het NBW wordt uitgegaan van een verplichting tot medewerking die voortvloeit uit de verplichting om aan de executoriale titel te voldoen, zoals deze door de rechter die de veroordeling uitsprak, is vastgesteld. Er is toen voor gekozen geen uitdrukkelijke bepaling hieromtrent in de wet op te nemen in verband met het gebrek aan een redelijke praktische uitwerking: schadevergoeding, een veroordeling tot nakoming, dwangsom en lijfsdwang werden in dit verband niet zinvol of ongewenst geacht.De voorzieningenrechter oordeelde anders, zodat gedaagde Masson bij mondeling vonnis van de President van rechtbank ’s-Gravenhage, onmiddellijk na afloop van de zitting, in gijzeling werd gesteld. Zie ook Stein 2010, p. 30 die uit het arrest Tripels/Masson concludeert dat, indien een schuldenaar weigert informatie te verschaffen, hieraan een veroordeling tot uitvoerbaarheid bij lijfsdwang kan worden verbonden. Ik betwijfel of deze conclusie uit genoemd arrest kan worden getrokken, nu het toepassen van lijfsdwang geen onderdeel van de beoordeling in de procedures in appèl en cassatie is geweest. Jongbloed & Van den Heuvel 2012 menen dat uit de aard van lijfsdwang een restrictieve interpretatie volgt. Zij verwijzen in aant. 1. bij artikel 585 Rv naar gerechtshof Leeuwarden 30 maart 2010, LJN BL9953: afwijzing vordering om op straffe van lijfsdwang inzicht te geven in inkomsten en vermogen in Nederland en buitenland.
Dit op grond van rechtssystematische redenen. Zo is geen sprake van een rechtsverhouding op grond waarvan een zo vergaande informatieverplichting kan worden gebaseerd. Ook de wet biedt hiertoe geen houvast: de omstandigheden van de artikelen 771 Rv (rekening en verantwoording) en 11 K (overlegging boekhouding) zijn hier niet aan de orde.
Vzr. rb. ’s-Hertogenbosch 15 september 2011, LJN BT1703. ABN Amro vorderde van twee gedaagden – naast veroordeling tot betaling van vorderingen uit hoofde van kredietovereenkomsten en borgstellingen en de medewerking aan het vestigen van aanvullende zekerheden – informatie omtrent inkomens- en vermogensposities en alle voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen. De vorderingen en de verplichting tot medewerking aan het stellen van aanvullende zekerheden werden toegewezen, de vordering tot informatieverstrekking werd afgewezen onder verwijzing naar het arrest Tripels/Masson. Tussen partijen was geen verplichting tot het verstrekken van informatie overeengekomen.
Gerechtshof Amsterdam 20 december 2011, LJN BV0492, NJF 2012, 78. Het betrof een vordering tussen ex-echtgenoten die reeds vele jaren niet was voldaan. Het gerechtshof veroordeelde de man tot inzage van en controle door een Registeraccountant van aangiften en aanslagen IB in Nederland en Zwitserland, hetgeen door het gerechtshof als minder ingrijpend werd beschouwd dan het (gevorderde) verstrekken van schriftelijke bewijsstukken over een aantal jaren. Een vordering tot gedocumenteerde opgave van iedere substantiële wijziging van inkomen en vermogen beschouwt het gerechtshof als een opgave tot het doen van rekening en verantwoording, en wordt afgewezen omdat het zich in deze vorm en verhouding niet verdraagt met het wettelijke stelsel.
Vos wijst in dit verband op het bovendien bestaande risico dat eenmaal verstrekte rekeninginformatie een eigen leven gaat leiden, onafhankelijk van de (on)rechtmatigheid van een EAPO. Vos 2012, p. 29.
Beantwoording vragen Groenboek over efficiëntere tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissing in de Europese Unie: Transparantie van het vermogen van schuldenaars COM (2008) 128 definitief, hierna ook: beantwoording Nederlandse regering Groenboek transparantie, nr. 21, p. 6.
Anders: Van den Heuvel & de Lange, die geen onoverkomelijke bezwaren zien en het wenselijk vinden om te komen tot een regeling die het mogelijk maakt om als schuldeiser informatie te verkrijgen bij welke banken een schuldeiser rekeningen aanhoudt, opdat de huidige praktijk dat onder zoveel mogelijk banken conservatoir beslag wordt gelegd overbodig wordt. Van den Heuvel & de Lange 2011, p. 35.
The transparency of the debtor's assets before obtaining an enforceable title (p. 26-34) en The transparency of a debtor's assets on the basis of an enforceable title (p. 34-47).
De afdelingen een en twee van hoofdstuk twee van het voorstel Europees bankbeslag.
Rechtsvergelijkend Hess-onderzoek, p. 34-47.
Niet in alle lidstaten aanwezig of toegankelijk voor tenuitvoerleggingsinstanties.
Als alternatief wordt genoemd toegang van tenuitvoerleggingsinstanties tot politie- sociale zekerheids- of gegevens van de belastingdienst. Hierbij voorziet men echter het probleem omdat niet alle lidstaten verplichte toegang tot deze gegevens zullen toestaan.
Rechtsvergelijkend Hess-onderzoek p. 52-53.
Sanctie op niet of onjuist verklaren vaak lijfsdwang of strafrechtelijke vervolging.
Een wijze van verkrijging van informatie die in alle lidstaten bekend is en toegepast wordt.
Rechtsvergelijkend Hess-onderzoek p. 54-60.
Rechtsvergelijkend Hess-onderzoek, p. 59.
Kort samengevat: zijn maatregelen met betrekking tot de transparantie van het vermogen van een schuldenaar op Europees niveau aangewezen, is een handleiding nuttig? Moet toegang tot bevolkingregisters verbeterd worden? Moet toegang van tenuitvoerleggingsinstanties tot sociale zekerheids- en belastingregisters verbeterd worden? Moet er meer informatieuitwisseling tussen tenuitvoerleggingsinstanties komen? Moet een Europese vermogensverklaring (voor de debiteur) ingevoerd worden, onder welke voorwaarden en met welke sancties, in hoeverre geharmoniseerd? Zijn eventuele andere maatregelen wenselijk?
Een mix van deze twee systemen komt ook voor. Groenboek transparantie, p. 4.
Summary Replies Green Paper Transparency.
De beantwoording door de Nederlandse Regering geeft blijk van twijfel: punt 20 slot zegt: ‘Tevens is niet duidelijk vanaf welk moment van het proces van inning van een schuldvordering gegevens over het vermogen van een schuldenaar verkregen kunnen worden en met welk doel dit mag’ (p. 6).
Het Handelsregister speelt, naast de situatie van een tenuitvoerlegging vatbare titel, ook in de daaraan voorafgaande fase een rol.
Commission Staff Working Paper p. 46-48.
Volgens het Commission Staff Working Document (p. 16) hebben tenuitvoerleggingsinstanties in de Scandinavische landen toegang tot de registers van de belastingdienst, zodat in vrijwel alle gevallen het bankrekeningnummer van de debiteur kan worden achterhaald, indien de crediteur niet hierover beschikt. Uit de bijlagen bij het rechtsvergelijkende Hess-onderzoek met daarin de inventarisatie van de situatie in de diverse lidstaten (gesplitst naar: wel of geen voor tenuitvoerlegging vatbare titel) lees ik echter dat in Denemarken in de situatie voorafgaand aan het verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare titel (met uitzondering van alimentatieclaims) dergelijke informatie niet wordt verstrekt. Hetzelfde geldt voor Finland. Uit de cryptische gegevens van Zweden is niet op te maken wanneer welke gegevens vrij worden gegeven.
Antwoorden op vraag 5 van het Groenboek transparantie: Should access to social security and tax registers by enforcement authorities be increased?
Short Summary of the meeting with Member States’ experts, 31 maart 2011, Annex Illb bij het Commission Staff Working Paper, behorende bij het voorstel Europees bankbeslag, p. 67.
Het Europees Parlement heeft op 10 mei 2011 een resolutie aangenomen waarin aanbevelingen aan de Commissie worden gedaan inzake voorgenomen tussentijdse maatregelen voor debiteursvermogenrenseignering en -bevriezing in grensoverschrijdende zaken. Het Europees Parlement is van mening dat uiterlijk na een rechterlijke uitspraak tot vaststelling van een schuldvordering tot uitvaardiging van een Europees vermogensenseigneringbevel moet kunnen worden verzocht. De Commissie moet zich erover beraden of het bevel ook reeds in een eerder stadium van het geding voorhanden zou moeten zijn, bijvoorbeeld wanneer de terzake bevoegde rechtbank oordeelt dat er een reëel risico bestaat dat haar vonnis niet zal worden nageleefd, en welke dienovereenkomstige waarborgen er moeten worden geboden. Debiteuren moeten in de regel worden verplicht inzage te geven in al hun binnen de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht bestaande vermogensbestanddelen, zodat de schuldeiser over een zo breed mogelijke keuze aan rechtsmiddelen kan beschikken. Een dergelijke instrument dient een uitgebreid scala aan waarborgen voor debiteuren te bevatten (p. 9-10).
Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie, Kamerstukken II, 2010-11, 22112, nr. 1216
Zo wijst Vos op de risico's, met name omdat de verstrekking van rekeninginformatie een onomkeerbaar proces is: ‘de geest is uit de fles en hij kan er niet meer in terug’. Vos 2012, p. 31.
Het voorstel Europees bankbeslag introduceert een – in ieder geval voor Nederland – nieuw fenomeen: het verstrekken door de lidstaten van persoonlijke gegevens van een beoogd beslagene, waaronder de bankrekeningnummers, ten behoeve van het leggen van een conservatoir beslag. Artikel 17 voorstel Europees bankbeslag biedt de beslaglegger de mogelijkheid om, gelijktijdig met het verzoek om een EAPO te verkrijgen, ook te verzoeken om voor het leggen van dit beslag noodzakelijke persoonlijke informatie van de beoogd beslagene. Een en ander, aldus de toelichting op het voorstel Europees bankbeslag, gelet op de moeilijkheden die de schuldeiser zou kunnen (cursief MM) ondervinden om informatie over de rekening(en) van de schuldenaar te verkrijgen.1 De lidstaten wordt een keuzemogelijkheid geboden in de uitvoering van deze bepaling: ofwel alle banken op het eigen grondgebied verplichten om ten behoeve van een dergelijk verzoek te melden of de schuldenaar bij hen een rekening aanhoudt, dan wel de tenuitvoerleggingsautoriteiten (in Nederland waarschijnlijk de gerechtsdeurwaarder) toegang verlenen tot informatie waarover de overheid, onder meer in registers, beschikt (artikel 17.5 voorstel Europees bankbeslag). De idee is dat na de afgifte van een EAPO vervolgens de bevoegde autoriteit (in Nederland waarschijnlijk de gerechtsdeurwaarder) wordt ingeschakeld om informatie over het adres van de beslagene, de bank of banken waarbij een of meer rekeningen worden aangehouden en de rekeningnummers te verkrijgen, die vervolgens zorg draagt voor betekening aan de bank van deze gegevens, samen met het verlof (het EAPO) aan de bank (artikel 17.4 jo 17.6 voorstel Europees bankbeslag).
De regels in Nederland omtrent het verstrekken van gegevens
Het gaat in het Europese voorstel om een regeling inzake het verstrekken van gegevens over de beoogd beslagene die zeer veel verder gaat dan die welke de Nederlandse wet kent in artikel 475g Rv. Hierin is opgenomen dat de schuldenaar verplicht is aan een deurwaarder die gerechtigd is tegen hem beslag te leggen desgevraagd zijn bronnen van inkomsten op te geven. De deurwaarder is bevoegd om aan degene van wie hij vermoedt dat deze aan de schuldenaar periodieke betalingen verricht of schuldig is, te vragen of dat zo is. Ieder is verplicht hierop desgevraagd schriftelijk te antwoorden. Alhoewel gerangschikt in de tweede afdeling ‘Van executoriaal beslag onder derden’ maken het eerste lid van artikel 475g Rv, dat de terminologie ‘bronnen van inkomsten’ gebruikt, alsook het derde en vierde lid, welke spreken over ‘periodieke betalingen’, duidelijk dat deze bevoegdheid tot het inwinnen van informatie door de deurwaarder zich beperkt tot beslag op een periodieke uitkering zoals bedoeld in artikel 475c Rv. Op grond van artikel 720 Rv is artikel 475g Rv van overeenkomstige toepassing op de situatie van conservatoir beslag. Betekent dit nu dat ook voor een conservatoire beslaglegging door de deurwaarder gegevens zoals bedoeld in artikel 475g Rv mogen worden opgevraagd? Het antwoord is ontkennend. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat hierbij bepalend is, dat in het beslagrekest met een verzoek om conservatoir beslag te mogen leggen, wordt aangegeven onder wie de schuldeiser conservatoir beslag wil laten leggen, en het verlof tot het leggen van conservatoir derdenbeslag slechts wordt verleend als bekend is wie die derde is.2 Nadat het verlof is verkregen is het vragen naar de gegevens die vereist zijn voor het vaststellen van de identiteit van degene die de periodieke betalingen aan de schuldenaar verricht, niet meer aan de orde, aldus de MvA.3 In de Nederlandse situatie is het opvragen van gegevens door de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 475g Rv derhalve beperkt tot het opvragen van gegevens:
die vereist zijn voor het vaststellen van de identiteit van de degene die periodieke betalingen aan de schuldenaar verricht en
indien de deurwaarder gerechtigd is tegen deze schuldenaar executoriaal beslag op een periodieke uitkering te leggen.
Daarnaast wordt op grond van rechtspraak van de Hoge Raad in de zaak Tripels/Masson uitgegaan van een in beginsel bestaande (algemene) informatieplicht van de schuldenaar tot het verstrekken van gegevens over zijn inkomens- en vermogenspositie, in geval van een in rechte vastgestelde vordering en betalingsonmacht.4 In deze uitspraak, waarin de vraag aan de orde was hoe ver die verplichting van de schuldenaar tot het verstrekken van informatie in dergelijke omstandigheden gaat, haalt de Hoge Raad de parlementaire geschiedenis5 en het later ingevoerde artikel 475g Rv aan, dat volgens de Hoge Raad uitdrukking geeft aan een in beginsel bestaande verplichting van de schuldenaar tot het verschaffen van inlichtingen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen. Anders dan de uitspraak in eerste aanleg van de President van de rechtbank ’s-Gravenhage in kort geding is de Hoge Raad, in navolging van het gerechtshof ’s-Gravenhage, van oordeel dat deze verplichting niet zo ver gaat dat feitelijk rekening en verantwoording moet worden afgelegd dan wel overlegging van de boekhouding over een periode van enkele jaren kan worden verlangd. 6 Annotator Vranken stelt de vraag aan de orde welke inlichtingen de schuldenaar dan wel dient te verstrekken (de Hoge Raad laat zich hier niet over uit). Vranken zegt zich niet te kunnen voorstellen dat een debiteur verplicht is om nummers van een bank- of girorekening kenbaar te maken opdat de crediteur derdenbeslag kan leggen. Hij komt tot de conclusie dat vooralsnog alleen het principe is geformuleerd dat een debiteur (in ieder geval in de executiefase) een inlichtingenplicht jegens zijn crediteur heeft. Ik deel die conclusie. Recent sprak de voorzieningenrechter van rechtbank ’s-Hertogenbosch zich in soortgelijke zin uit in een vergelijkbare situatie als die welke in de zaak Tripels/Masson aan de orde was.7 Gerechtshof Amsterdam oordeelde (ook recent) op grond van ‘als uitzonderlijk te kwalificeren omstandigheden’ tot een (afgebakende) informatieplicht in executoriale omstandigheden. Deze bestonden uit het structureel negeren van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak door niet te betalen, terwijl vaststond dat dit wel mogelijk was, in combinatie met het nemen van maatregelen, naar moest worden aangenomen met geen ander doel dan het ontgaan van verhaal.8
Het Europese voorstel inzake gegevensverstrekking vormt, omdat de bepalingen inzake het verstrekken van gegevens niet alleen betrekking hebben op de situatie waarin een voor tenuitvoerlegging vatbare uitspraak voorhanden is, zeker in vergelijking met de in Nederland staande praktijk, een grote inbreuk op de privacy van de beslagene. Dit is het geval omdat in de situatie dat sprake is van een vermeende vordering en ex-parte afgegeven verlof, uitsluitend op grond van gegevens die door de beslaglegger zijn verstrekt, gegevens van de beoogd beslagene door de overheid beschikbaar worden gesteld ten behoeve van beslaglegging.9 De reactie van de Nederlandse regering op het Groenboek transparantie van het vermogen van de schuldenaar vermeldt dat het een ‘ongerijmd gevolg zou zijn als nieuwe Europese regelgeving ertoe zou leiden dat de toegankelijkheid tot informatie over vermogen van schuldenaars groter zou zijn voor grensoverschrijdende zaken dan voor nationale zaken’.10 Het huidige artikel 17 voorstel Europees bankbeslag leidt tot een dergelijke (aanzienlijk) grotere toegankelijkheid van gegevens.
Een spontaan opkomende vraag is hoe men bij de totstandkoming van het voorstel Europees bankbeslag tot de idee van het toestaan van een zo zeer vergaande inbreuk op privacy gevoelige persoonlijke gegevens van burgers en bedrijven heeft kunnen komen.11 In een poging die vraag te beantwoorden zal ik hierna op hoofdlijnen aandacht besteden aan hetgeen hieromtrent aan het voorstel Europees bankbeslag vooraf ging.
Het rechtsvergelijkend Hess-onderzoek uit 2004 hanteert met betrekking tot de transparantie van het vermogen van de debiteur – conform de regelingen in de diverse lidstaten – bij de inventarisatie van de omstandigheden in de diverse lidstaten, een onderscheid tussen situaties waarin wel, en waarin geen voor tenuitvoerlegging vatbare titel voorhanden is12 (eenzelfde onderscheid derhalve als wordt gehanteerd in het voorstel Europees bankbeslag).13 Hetzelfde geldt voor de beleidsaanbevelingen die in de rapportage van het rechtsvergelijkende Hess-onderzoek zijn opgenomen. Hieruit komt het volgende beeld naar voren ten aanzien van de bronnen die toegang geven tot persoonlijke en vermogensgegevens van de debiteur:14
Zonder voor tenuitvoerlegging vatbare uitspraak
Registers, zoals handelsregister, Kadaster, RDW, insolventieregisters, burgerlijke stand- en huwelijksregisters,15 op Europees niveau het European Business Register. Daarnaast informatie van particuliere organisaties, vaak tegen betaling, en in aantal gevallen alleen met toestemming betrokkene, zoals bankers references, BKR-achtige organisaties.
Aanbevelingen: verbetering/uitbreiding en Europese toegankelijkheid van de informatie in handelsregisters, Europese toegang tot bevolkingsregisters (maar moeilijk omdat niet overal beschikbaar)16 en Europese toegang voor kredietinstellingen, tenuitvoerleggingsinstanties en crediteuren tot BKR-achtige krediet informatie.17
Met voor tenuitvoerlegging vatbare uitspraak.
Uiteraard zijn de bronnen, zoals vermeld onder a., ook hier beschikbaar. Daarnaast: mondelinge debiteurenverklaring (voor gerecht) of schriftelijk via formulier,18 informatie uit overheidsregisters,19 verklaring van derde beslagene.20
Beleidsaanbevelingen: introductie van een door de schuldenaar af te geven verklaring over diens vermogen (European Assets Declaration), een verklaring van de derde beslagene over het vermogen van de debiteur (European garnishee's declaration) en een uitwisseling van informatie over schuldenaren tussen Europese tenuitvoerleggingsinstanties.21 Deze laatste mogelijkheid, waarbij een autoriteit op verzoek van een tenuitvoerleggingsautoriteit in een ander EU land onderzoek doet in de registers die onder nationaal recht worden geraadpleegd en de verkregen informatie aan de verzoekende autoriteit verstrekt22 vertoont overeenkomsten met de gemeenschappelijke bepaling in artikel 17 van het voorstel Europees bankbeslag. Met dien verstande dat er ook een groot verschil is omdat deze aanbeveling uitsluitend ziet op situaties waarin een voor tenuitvoerlegging vatbare titel beschikbaar is.
De vergaande mogelijkheden om rekeninginformatie van de beoogd beslagene te verkrijgen (althans, zo luidt de aanhef van artikel 17 voorstel Europees bankbeslag, eigenlijk is het een verzoek tot opvragen van persoonlijke gegevens) zijn geplaatst in afdeling 3 (gemeenschappelijke bepalingen) en daarmee van toepassing op beide situaties. Het onderscheid tussen situaties met en zonder voor tenuitvoerlegging vatbare titel is hiermee verdwenen. Domme fout of bewuste keuze?
Het Groenboek transparantie van het vermogen van schuldenaars brengt op dit punt weinig helderheid. Het onderscheid tussen vorderingen waarvoor wel of geen voor tenuitvoerlegging vatbare titel beschikbaar is wordt niet geadresseerd. Vanuit het uitgangspunt dat een verbetering van de tenuitvoerlegging door de overheid van rechterlijke beslissingen kan worden gerealiseerd door meer transparantie van het vermogen van schuldenaars wordt in het Groenboek een aantal vragen gesteld over de vraag of, en zo ja, welke maatregelen op Europees niveau daartoe gewenst zijn.23 Uit de inleiding zou begrepen kunnen worden dat dit Groenboek transparantie slechts ziet op situaties met voor tenuitvoerlegging vatbare titel. De inleiding vermeldt namelijk dat lidstaten vanuit rechtsvergelijkend perspectief twee verschillende soorten systemen inzake tot toegang van informatie kennen, te weten een verklaring van de schuldenaar over diens volledige of een deel van het vermogen, en lidstaten die toegang verlenen tot databanken waarin specifieke informatie kan worden opgezocht.24 Er wordt daarmee – in termen van de onderzoeksresultaten van het rechtsvergelijkende Hess-onderzoek – slechts gesproken over informatievergaring met betrekking tot de categorie ‘beschikbaarheid van een voor tenuitvoerlegging vatbare titel’. Ook de samenvatting van reacties op het Groenboek inzake transparantie maakt niet duidelijk hoe wordt gedacht over de vraag in welke omstandigheden welke instrumenten zouden moeten worden toegepast en wanneer niet.25 Gezien de op dit punt niet expliciete vraagstelling wekt dit nauwelijks verbazing, zodat men zich sterk moet afvragen welke situatie de lidstaten en andere geïnteresseerde partijen bij het beantwoorden van de vragen voor ogen hebben gehad.26 Op grond van het hierboven geschetste referentiekader, waarbij in eerdere stukken op basis van de situatie in de lidstaten steeds een helder onderscheid is gemaakt, is het niet uit te sluiten dat lidstaten hebben verondersteld dat de vragen (met name) betrekking hadden op de situatie van een voor tenuitvoerlegging vatbare uitspraak, omdat juist de instrumenten uit die categorie in het Groenboek transparantie aan de orde komen.27 Wat hier ook van zij, de samenvatting bevat opvallend veel reacties die betrekking hebben op (zorgen omtrent) proportionaliteit en de meeste respondenten vermelden dat er sprake moet zijn van een juiste balans tussen de belangen van de debiteur en de crediteur.
De lidstaten die in beginsel positief staan tegenover een uitbreiding van de toegang van tenuitvoerleggingsinstanties tot fiscale en sociale zekerheidsbestanden, geven aan dat hieraan duidelijke beperkingen dienen te worden gesteld, zoals het verbinden van voorwaarden aan toegang op grond van het soort rechtelijke uitspraak, de hoogte van de vordering en de tenuitvoerleggingsinstantie, toegang beperken tot situaties waarin de debiteur geen minnelijke regeling heeft getroffen of meewerkt aan de tenuitvoerlegging, slechts toegang tot gegevens voor verhaal van de vordering, tot strikt noodzakelijke gegevens, geen toegang tot vertrouwelijke fiscale gegevens. De lidstaten die geen voorstander zijn van het uitbreiden van toegang wijzen op de vertrouwelijkheid van dergelijke gegevens en het feit dat gegevensbestanden voor een ander doel worden ingezet dan waarvoor zij verzameld zijn. Verder is opgemerkt dat het recht op privacy niet opzij kan worden gezet ten behoeve van tenuitvoerleggingsbelangen, en wordt een dergelijke verruiming van toegang beschouwd als disproportioneel en in strijd met de rechten van de debiteur en de burgerrechten in het algemeen.
Ook in het Commission Staff Working Paper behorende bij het voorstel Europees bankbeslag wordt geen onderscheid gemaakt in situaties zonder en met voor tenuitvoerlegging vatbare titel, noch wordt een verklaring gegeven voor het verlaten van deze in de rechtssystemen van alle lidstaten bestaande tweedeling. Het Commission Staff Working Paper bespreekt zonder voornoemd onderscheid opties waaruit een keuze is gemaakt met betrekking tot de regeling voor het verkrijgen van informatie over de bankrekening van de beoogd beslagene. Deze zijn:28
overlaten aan nationaal recht;
de introductie van een bevel tot openbaarmaking waarbij de crediteur een gerechtelijk bevel kan vragen tot het vrijgeven van de bankgegevens van de debiteur door de banken in de betreffende lidstaat, in combinatie met optie 3;
het gerecht en de tenuitvoerleggingsinstanties toegang geven tot openbare gegevensbestanden (‘public registers’). Hier is sprake van een (vertaal?)fout in de tekst, omdat als voorbeeld gegevensbestanden van de belastingdienst worden genoemd: dit zijn uiteraard niet-openbare gegevens.29
Deze opties worden vervolgens getoetst aan een beleidsdoel, dat bestaat uit het faciliteren van verkrijging van rekeninginformatie van de debiteur. Met de (wijze van) vraagstelling en beantwoording van de vragen in het Groenboek transparantie in het achterhoofd kan men zich de vraag stellen in hoeverre het logisch is om het verkrijgen van informatie over de debiteur, zeker in het geval van een situatie waarin geen voor tenuitvoerlegging vatbare titel beschikbaar is, als zelfstandig beleidsdoel te formuleren. Zoals hiervoor al is gebleken staat de helft van de lidstaten immers niet positief tegenover toegang van tenuitvoerleggingsinstanties tot belasting- en sociale zekerheidsgegevens, en ook de andere helft heeft nogal wat bedenkingen die liggen op het vlak van de vertrouwelijkheid van de betreffende gegevens.30 De tweede en derde optie zijn ook nimmer als zodanig in – althans openbare – beleidsstukken aan de orde geweest.
In het Commission Staff Working Paper wordt de conclusie getrokken dat de eerste optie niet aan voornoemde beleidsdoelstelling voldoet, de tweede en de derde wel. Een gemotiveerde afweging of het wel wenselijk is om – zeker in de situatie van afwezigheid van een voor tenuitvoerlegging vatbare titel – een zo vergaande inbreuk op de privacy van de beoogd beslagene mogelijk te maken wordt, naar mijn oordeel ten onrechte, niet gemaakt. De ernstige bezorgdheid die in een bijeenkomst met deskundigen van de lidstaten over de bekendmaking van bankgegevens werd uitgesproken31 wordt weliswaar in het Commission Staff Working Paper genoemd maar vervolgens terzijde geschoven onder verwijzing naar een resolutie van het Europees Parlement waarin onder meer wordt aanbevolen om een bevel waarin de debiteur zijn gehele vermogen bekend moet maken in het leven te roepen. De aanbeveling ziet vooralsnog echter alleen op situaties waarin een rechterlijke uitspraak over het bestaan van de vordering voorhanden is en verbindt hieraan bovendien de voorwaarde van een uitgebreid scala aan waarborgen voor debiteuren.32
Al met al wordt uit het voortraject van het voorstel Europees bankbeslag niet duidelijk waarom is gekozen voor het loslaten van het fundamentele onderscheid dat de rechtssystemen van de lidstaten kennen met betrekking tot het verstrekken van informatie over het vermogen van de debiteur, voor situaties waarin nog geen dan wel al wel een voor tenuitvoerlegging vatbare uitspraak over de vordering van de beslaglegger voorhanden is.
De aanbiedingsbrief van het voorstel Europees bankbeslag van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken aan de Tweede Kamer vermeldt dat de voorziene verplichting tot het verstrekken van inlichtingen over individuele rekeningen zonder dat er al beslag is gelegd ‘een nadere kritische bestudering verdient’, voordat hierover een standpunt kan worden ingenomen.33 Een zeer kritische benadering van dit onderdeel van het voorstel Europees bankbeslag komt mij inderdaad voor als beslist noodzakelijk. Het risico van misbruik van door of namens de overheid verstrekte rekeninggegevens is voor een ieder met enige bancaire kennis evident.34