Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.4.2.2
11.4.2.2 Het delegatiekader
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491588:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bij een afsplitsing dient dus een vergelijking te worden gemaakt met de fiscale implicaties van de overdrachts- en verbondenheidsfictie. Bij een zuivere splitsing moeten daarnaast de fiscale gevolgen van de stakingsfictie in de beschouwing meegenomen worden. Zie ook Boulogne & Brandsma 2019, onderdeel 3.4.2, p. 47-48. Simonis & Van der Velden in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 13.5.1.3, p. 364, schrijven dat de staatssecretaris het vereiste dat de latere heffing moet zijn verzekerd (art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969), ruimer uitlegt dan de vennootschapsbelasting die verschuldigd is bij een ruisende splitsing. Mijns inziens laat dat onverlet dat de staatssecretaris is gebonden aan het delegatiekader.
Aldus ook Van den Brande-Boomsluiter, 2004, onderdeel 4.8.6, p. 148-149. Zie ook Van Scheijndel & De Vries, WFR 1999/1673, onderdeel 6.4. Het is goed hierbij op te merken dat de delegatiebepaling met ingang van 2001 is aangepast. Dit is gebeurd om onduidelijkheden in de praktijk weg te nemen. Zie Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. 3, p. 53. Vóór 2001 bestond discussie over de vraag of de toenmalige expliciet genoemde voorwaarden zonder meer verbindend waren. Zie HR BNB 2004/13 en onderdeel 3 van de noot van De Vries bij dat arrest. Door de aangepaste delegatiebepaling speelt die discussie volgens mij niet met betrekking tot het huidige delegatiekader.
In deze zin ook Van Scheijndel & De Vries, WFR 1999/1673, onderdeel 6.4. Zie ook onderdeel 12.3.
In BNB 2001/329, rechtsoverweging 5.1, oordeelde de Hoge Raad dat hierbij in het bijzonder valt te denken aan art. 3:3 Awb (détournement de pouvoir) en art. 3:4 Awb (belangenafweging door bestuursorgaan).
Vgl. ook HR BNB 2006/192.
Art. 14a, lid 5, Wet VPB 1969 bevat een delegatiekader. Dat is een begrenzing voor de in art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969 bedoelde standaardvoorwaarden. Deze standaardvoorwaarden mogen volgens art. 14a, lid 5, eerste volzin, Wet VPB 1969 slechts strekken ter verzekering van de heffing en de invordering van (vennootschaps)belasting die verschuldigd zou zijn of zou worden indien de doorschuifregeling op verzoek als bedoeld in art. 14a, lid 3, eerste volzin, Wet VPB 1969 buiten toepassing zou blijven. De standaardvoorwaarden mogen dus in beginsel (zie echter hierna) niet verder gaan dan de fiscale gevolgen van een splitsing met fiscale afrekening.1
Art. 14a, lid 5, tweede volzin, Wet VPB 1969 bepaalt dat voorts voorwaarden kunnen worden gesteld die betrekking hebben op: (1) het bepalen van de in een jaar genoten winst van de verkrijgende rechtspersonen, (2) de toelaatbare reserves, (3) de verrekening van verliezen, (4) de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten, (5) de toepassing van de innovatiebox, (6) de voortwenteling van een saldo aan renten op de voet van art. 15b Wet VPB 1969, (7) de toepassing van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten, (8) de toepassing van de deelnemingsverrekening, (9) de toepassing van de verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten, terwijl bovendien (10) voorwaarden kunnen worden gesteld indien de waarde in het economische verkeer van de vermogensbestanddelen die onder algemene titel overgaan, op het tijdstip van de overgang lager is dan de (fiscale) boekwaarde van deze vermogensbestanddelen.
Dit rijtje expliciet genoemde voorwaarden wordt voorafgegaan door het woord voorts. Dat impliceert mijns inziens dat deze voorwaarden niet worden begrensd door art. 14a, lid 5, eerste volzin, Wet VPB 1969.2 Uitgaande van de juistheid van deze interpretatie, moet binnen het delegatiekader onderscheid worden gemaakt tussen algemene voorwaarden (eerste volzin) en expliciet genoemde voorwaarden (tweede volzin). Bij de laatste categorie wordt de vergelijking met de fiscale gevolgen van een ruisende splitsing losgelaten. Ik vind dit onwenselijk omdat die voorwaarden in deze uitleg wel erg ruim kunnen worden opgesteld. Dit ondermijnt de rechtsbescherming van belanghebbenden.3
Uit BNB 2001/329 kan worden afgeleid op welke wijze de Hoge Raad beoordeelt of standaardvoorwaarden (on)verbindend zijn. De in het kader van een fiscaal gefaciliteerde splitsing opgelegde standaardvoorwaarden mogen niet in strijd zijn met: (1) de wettelijke regeling van de splitsing zoals neergelegd in art. 14a Wet VPB 1969, (2) een andere wettelijke regeling4 dan wel (3) een ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, zoals het rechtszekerheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Ook mogen de standaardvoorwaarden niet conflicteren met de Fusierichtlijn.5