Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/10.3.2.3
3.2.3 Bewijsvermoedens
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948050:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: J. Tighelaar (red.), Actuele Ontwikkelingen in het familierecht (vijftiende UCERF symposium) 2021, p. 20-21.
Vgl. de uitspraak HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:170, NJ 2018, en dan met name r.o. 4.1.5 en 4.3.7, waar de Hoge Raad overweegt dat het verknochte deel van een ontslagvergoeding die is ontvangen in de vorm van een bedrag ineens, wanneer die vordering middels girale betaling is voldaan, niet in de gemeenschap valt ‘voor zover het daarmee gemoeide bedrag nog redelijkerwijs als zodanig in het vermogen van de echtgenoten te identificeren is’. Zie hierover ook T.M. Subelack, ‘De verknochtheid van een ontslagvergoeding’, REP 2018/281, p. 48-49.
Vgl. T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: J. Tighelaar (red.), Actuele Ontwikkelingen in het familierecht (vijftiende UCERF symposium) 2021, p. 21.
Zie Kamerstukken II 2014/15, 33 987, nr. 8, p. 40: “[…] Daarbij komt dat het niet zozeer gaat om het verkrijgen van absoluut bewijs; een ontvangstbevestiging of een foto zegt immers niets over de titel. Dat is ook niet nodig: het gaat erom dat dergelijke berichten helpen het privékarakter aannemelijk te maken.” Zie tevens Kamerstukken II 2014/15, 33 987, nr. 10, p. 31: “….Er zijn afdoende mogelijkheden om aannemelijk te maken welke goederen en schulden bij aanvang van het huwelijk van een echtgenoot waren (te denken valt met name aan registergoederen en vorderingsrechten c.q. schulden). […].”
Zie T. Stouten, ‘Bewijswaardering’, in: J.W. de Groot e.a. (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk 2020/41.
Zie T. Stouten, ‘Bewijswaardering’, in: J.W. de Groot e.a. (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk 2020/41, onder verwijzing naar verdere jurisprudentie. Zie tevens Asser Procesrecht/Asser 3 2023/266, onder verwijzing naar HR 2 mei 2003, NJ 2003/468.
Zie T. Stouten, ‘Bewijswaardering’, in: J.W. de Groot e.a. (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk 2020/42 en Asser Procesrecht/Asser 3 2023/266, 291, 292 en 300.
Zie Asser Procesrecht/Asser 3 2023/266, 291, 292 en 300.
Zie Kamerstukken II 2014/15, 33 987, nr. 6, p. 10.
Zie Kamerstukken II 2003/04, 28 867, nr. 6. p. 3.
Zie over dergelijke normatieve bewijsvermoedens Asser Procesrecht/Asser 3 2023/266 en 300, alsmede P.A. Fruytier, ‘Afwijken (verlichten) van de hoofdregel zonder omkering’, in: J.W. de Groot e.a. (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk 2020/21.
Zie Asser Procesrecht/Asser 3 2023/266. 291, 292 en 300, alsmede P.A. Fruytier, ‘Afwijken (verlichten) van de hoofdregel zonder omkering’, in: J.W. de Groot e.a. (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk’ 2020/21.
Zie paragraaf 3.3.2.5 en 4.5 van hoofdstuk 4.
Zie paragraaf 2.4.3 hiervóór.
Vgl. T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: J. Tighelaar (red.), Actuele Ontwikkelingen in het familierecht (vijftiende UCERF symposium) 2021, p. 21-22.
Zie Kamerstukken II 2003/04, 28 869, nr. 6, p. 17-18; Kamerstukken II 2005/06, 28 869, nr. 8, p. 9-10 en Kamerstukken II 2005/06, 28 869, nr. 9, p. 23-24.
Zie anders – en bij nader inzien niet juist – T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: J. Tighelaar (red.), Actuele Ontwikkelingen in het familierecht (vijftiende UCERF symposium) 2021, p. 22-23.
In paragraaf 3.3.1 zal nog uiteengezet worden dat, en waarom, het saldo van een bankrekening die op naam van slechts één echtgenoot staat nimmer geheel of gedeeltelijk tot het privévermogen van de andere echtgenoot kan gaan behoren, ook niet op grond van zaaksvervanging. Dat betekent dat voor privéschuldeisers van de andere echtgenoot het verhaal op het saldo van bankrekeningen op naam van de andere echtgenoot hooguit de helft van dat saldo kan bedragen. Het maximaal haalbare is immers dat dit saldo volledig tot de huwelijksgemeenschap behoort, in welk geval op grond van artikel 1:96 lid 3 BW uitsluitend de helft van dit saldo kan worden uitgewonnen.
Zie paragraaf 2.4.3 hiervóór.
620. Hiervóór is duidelijk geworden dat het creditsaldo van een bankrekening deel wel en deels niet in de huwelijksgemeenschap kan vallen. Dit heeft onder meer tot gevolg dat niet in alle gevallen het volledige saldo van een bankrekening in de verdeling hoeft te worden betrokken.1 Om vast te kunnen stellen of een deel van het creditsaldo van een bankrekening op het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap tot het privévermogen van een van de echtgenoten behoort, en zo ja, welk deel, is het onmisbaar dat het saldoverloop van die bankrekening tot het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap kan worden gereconstrueerd. Alleen zo kan worden vastgesteld welke vorderingen er wanneer zijn ontstaan, welke verrekeningen er hebben plaatsgevonden, en welke – van de door creditering van de bankrekening ontstane – vorderingen op de bank op het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap nog in het totale saldo resteren en niet door verrekening teniet zijn gegaan. Vervolgens kan worden vastgesteld welk deel van die resterende vorderingen tot het privévermogen van een van de echtgenoten behoort en aldus buiten de verdeling moet blijven.2 Bij dit alles speelt artikel 1:94 lid 8 BW een cruciale rol. Dat artikel bepaalt dat wanneer tussen de echtgenoten een geschil bestaat aan wie van beiden een goed toebehoort en geen van beiden zijn recht op dit goed kan bewijzen, dit goed als gemeenschapsgoed wordt aangemerkt. Dit bewijsvermoeden geldt óók voor de afzonderlijke vorderingen die samen het saldo van een bankrekening vormen. Dit vertaalt zich dan aldus dat op grond van artikel 1:94 lid 8 BW tussen de echtgenoten het vermoeden geldt dat het gehele saldo van iedere bankrekening volledig tot de huwelijksgemeenschap behoort. Het is vervolgens aan de echtgenoot die meent dat een deel van het saldo van een bankrekening niet tot de huwelijksgemeenschap behoort om het vermoeden van artikel 1:94 lid 8 BW te weerleggen. Daarbij rusten op die echtgenoot de stelplicht, de bewijslast én het bewijsrisico.3 Uit de parlementaire toelichting bij artikel 1:94 lid 8 BW zou anders afgeleid kunnen worden. Daarin wordt bij de toelichting op het bewijsvermoeden van artikel 1:94 lid 8 BW opgemerkt dat het erom gaat dat echtgenoten ‘aannemelijk’ zouden moeten kunnen maken dat het om privégoederen gaat.4 Door deze opmerking zou de gedachte kunnen ontstaan dat bij toepassing van het vermoeden van artikel 1:94 lid 8 BW een lichtere vorm van tegenbewijs voldoende zou zijn om het vermoeden te ontkrachten dat goederen tot de huwelijksgemeenschap behoren. Voor ‘aannemelijk maken’ is immers voldoende dat er zoveel twijfel bij de rechter is gezaaid dat deze vermoedt dat het bestreden goed toch niet tot de huwelijksgemeenschap behoort.5 Voldoende is dan dat het bewijsvermoeden door de betreffende echtgenoot wordt ontzenuwd.6 Wat mij betreft geldt in dit geval echter de zwaardere norm voor tegenbewijs, zodat voor weerlegging van het bewijsvermoeden van artikel 1:94 lid 8 BW bewijs van het tegendeel zal moeten worden geleverd. In dat geval kan niet worden volstaan met het ‘ontzenuwen’ van het bewijsvermoeden, maar moet het tegendeel van hetgeen uit het vermoeden volgt worden bewezen.7 Het bewijsrisico ligt daarbij bij de echtgenoot die stelt dat het betreffende goed niet tot de gemeenschap behoort en een beroep doet op de rechtsgevolgen daarvan.8 Dit kan worden gebaseerd op de toelichting die de wetgever eerder op artikel 1:94 lid 6 oud BW heeft gegeven, welk artikel exact hetzelfde luidde als het huidige artikel 1:94 lid 8 BW en waarvan artikel 1:94 lid 8 BW een voortzetting is.9 Uit de toelichting van de wetgever op artikel 1:94 lid 6 oud BW blijkt dat het bewijsvermoeden is ingegeven door de wens om te voorkomen dat de beperking van de gemeenschap van goederen tot veel conflicten aanleiding zou gaan geven en het beroep op de rechter zou gaan toenemen. Indien de echtgenoten in hun onderlinge verhouding niet kunnen aantonen dat een goed tot hun privévermogen behoort, wordt dat goed als gemeenschapsgoed aangemerkt, aldus de wetgever. Het bewijsvermoeden werkt in de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten dus ten gunste van de huwelijksgemeenschap.10 Hieruit volgt dat wetgever heeft beoogd een ‘norm’ te beschermen.11 Die norm is daarin gelegen dat van echtgenoten verwacht mag worden dat zijzelf een goede administratie bijhouden aan de hand waarvan duidelijk kan worden vastgesteld wat de omvang van ieders privévermogen is. Kiest men ervoor om die administratie niet (voldoende) bij te houden, dan geldt de hoofdregel dat alle goederen worden geacht tot de huwelijksgemeenschap te behoren. Deze ‘norm’ voorkomt dat in de verhouding tussen de echtgenoten rechtsonzekerheid bestaat over de goederenrechtelijke status van goederen, met alle daaruit voortvloeiende conflicten van dien. Is sprake van een bewijsvermoeden met een normatief karakter, dan is het niet voldoende om dat vermoeden te ontzenuwen, maar zal bewijs van het tegendeel moeten worden geleverd.12 Om die reden behoren op grond van het bewijsvermoeden van artikel 1:94 lid 8 BW goederen tot de huwelijksgemeenschap, tenzij een echtgenoot kan bewijzen dat het goed tot zijn privévermogen behoort. Aannemelijk maken is niet voldoende. Dit geldt dus óók in die gevallen dat een echtgenoot stelt dat een deel van het saldo van een bankrekening buiten de huwelijksgemeenschap valt. Ook dan draagt die echtgenoot het bewijsrisico van die stelling, doordat hij bewijs van het tegendeel zal moeten leveren van het vermoeden dat alle goederen tot het vermogen van de huwelijksgemeenschap behoren. Slaagt hij er niet om dat tegendeelbewijs te leveren, dan is de consequentie daarvan dat het hele saldo van die bankrekening tot het vermogen van de huwelijksgemeenschap wordt gerekend.
621. Dat op enig moment een deel van het saldo van een bankrekening tot het privévermogen van een echtgenoot kan behoren heeft niet alleen gevolgen voor de echtgenoten zelf, maar ook gevolgen voor de positie van hun schuldeisers. Op grond van artikel 1:96 lid 1 BW kunnen voor een schuld van een echtgenoot zowel de goederen van de gemeenschap als zijn eigen goederen worden uitgewonnen, ongeacht of deze schuld in de gemeenschap is gevallen.13 Wil nu een schuldeiser van de ene echtgenoot zich verhalen op het saldo van een bankrekening waarvan het saldo deels tot het privévermogen van de andere echtgenoot behoort, dan kan deze schuldeiser zich niet verhalen op dat deel van het creditsaldo van de bankrekening dat tot dat privévermogen van die andere echtgenoot behoort. Dat geldt óók als het een en/of-rekening op naam van beide echtgenoten betreft.14 Dat deel van het saldo behoort immers niet tot de huwelijksgemeenschap, en is dus ook niet beschikbaar voor verhaal door een schuldeiser van de andere echtgenoot. In dit geval worden schuldeisers echter geholpen door het bepaalde in artikel 1:96 lid 6 BW. Artikel 1:96 lid 6 BW bepaalt dat de echtgenoot die een schuldeiser tegenwerpt dat een goed waarop deze verhaal zoekt niet tot de gemeenschap behoort, daarvan de bewijslast draagt. Op grond van artikel 1:96 lid 6 BW mogen de schuldeisers van de echtgenoten er dus van uitgaan dat het gehele saldo van iedere bankrekening die op naam van één of beide echtgenoten staat tot de huwelijksgemeenschap behoort, en dat zij hun vordering aldus op dit gehele saldo kunnen verhalen. Dit is slechts anders wanneer de echtgenoot die dit verhaal wil voorkomen stelt en bewijst dat een deel van het saldo waar de schuldeiser zich op wil verhalen tot zijn privévermogen behoort. Slaagt die echtgenoot in die bewijslast, dan kan de schuldeiser zich niet op dat deel van het saldo van die bankrekening verhalen, indien en voor zover het gaat om verhaal voor een schuld waarvoor die echtgenoot zelf niet aansprakelijk is. Is de betreffende echtgenoot wél aansprakelijk voor die schuld dan kan tóch het volledige saldo van de bankrekening worden uitgewonnen, waarbij – als het een schuld betreft die op grond van artikel 1:94 lid 7 BW tot de huwelijksgemeenschap behoort – die echtgenoot vervolgens op grond van artikel 1:96 lid 4 BW een vergoedingsrecht jegens de huwelijksgemeenschap verkrijgt.15
622. Bij dit alles is nog wel van belang om goed voor ogen te houden dat het bewijsvermoeden van artikel 1:96 lid 6 BW alléén ziet op de situatie dat een schuldeiser van een echtgenoot zich wil verhalen op een goed waarvan de andere echtgenoot stelt dat het tot zijn of haar privévermogen behoort.16 Het bewijsvermoeden van artikel 1:96 lid 6 BW ziet dus niet op de situatie dat een privéschuldeiser verhaal wil nemen jegens een echtgenoot die zélf aansprakelijk is voor die schuld, en de echtgenoten stellen dat het goed waarop de schuldeiser zich wil verhalen niet tot het privévermogen van die echtgenoot behoort.17 Dit volgt niet duidelijk uit de tekst van artikel 1:96 lid 6 BW, maar is voor de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen wel van groot belang. Bij de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen geldt immers de uitwinningsbeperking van artikel 1:96 lid 3 BW. Zou het bewijsvermoeden van artikel 1:96 lid 6 BW gelden voor alle goederen die aan de echtgenoten toebehoren, dan zouden de echtgenoten het verhaal van een privéschuldeiser op de goederen die tot het privévermogen van de aansprakelijke echtgenoot behoren gemakkelijk(er) kunnen beperken tot slechts de helft van de executieopbrengst van die goederen. Zij hoeven daartoe dan alleen maar te verwijzen naar het vermoeden dat dit goed tot de huwelijksgemeenschap behoort. De andere helft zou na uitwinning dan tot het privévermogen van de andere echtgenoot gaan behoren en is voor verder verhaal door privéschuldeisers van eerstgenoemde echtgenoot dan veilig gesteld. Bij een bankrekening zou dit betekenen dat de privéschuldeisers van ieder van de echtgenoten zich slechts op de helft van het saldo van iedere bankrekening zouden kunnen verhalen, tenzij zij zouden bewijzen dat dit saldo wél tot het privévermogen van de aansprakelijke echtgenoot behoort. Dat is niet de bedoeling van het bewijsvermoeden van artikel 1:96 lid 6 BW, hetgeen ook kan worden afgeleid uit de laatste zin van artikel 1:94 lid 8 BW, waar is bepaald dat het daar beschreven vermoeden niet ten nadele van schuldeisers van de echtgenoten werkt. Als het niet gaat om een situatie dat verhaal wordt gezocht op een goed dat tot het privévermogen van de niet-aansprakelijke echtgenoot behoort, gelden derhalve de gewone regels van bewijsrecht van artikel 149 jo. 150 Rv. Dat betekent dat de echtgenoten de feiten en omstandigheden zullen moeten stellen en bewijzen die ertoe leiden dat kan worden aangenomen dat het goed waarop verhaal wordt gezocht géén privégoed van de aansprakelijke echtgenoot is, maar tot de huwelijksgemeenschap behoort. Slagen zij daar niet in, dan geldt het uitgangspunt dat het goed tot het privévermogen van de aansprakelijke echtgenoot behoort, en dat de privéschuldeiser zich dus op de volledige executieopbrengst van dat goed kan verhalen. Bij bankrekeningen betekent dit dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een privéschuldeiser het gehele saldo kan uitwinnen van alle bankrekeningen die (mede) op naam van de aansprakelijke echtgenoot staan en de helft van het saldo van de bankrekeningen die enkel op naam van de andere echtgenoot staan.18 Stelt de niet-aansprakelijke echtgenoot dat een deel van het saldo van een bankrekening die (mede) op zijn/haar naam is gesteld tot zijn/of haar privévermogen behoort, dan draagt hij/zij daar op grond van artikel 1:96 lid 6 BW de bewijslast en het bewijsrisico van. Hetzelfde geldt wanneer de echtgenoten stellen dat het saldo van een bankrekening die (mede) op naam van de aansprakelijk echtgenoot staat niet, of niet volledig, tot het privévermogen van die aansprakelijke echtgenoot, maar tot de huwelijksgemeenschap behoort. Ook van die stelling dragen de echtgenoten dan de bewijslast en het bewijsrisico, ditmaal op grond van de hoofdregels van artikel 149 en 150 Rv. Zij kunnen in dat geval dus géén voordelige positie ontlenen aan het bewijsvermoeden van artikel 1:96 lid 6 BW. Dat geldt óók als het een en/of-rekening op naam van beide echtgenoten betreft. Alsdan geldt immers het uitgangspunt dat de enkele tenaamstelling nog niets zegt over de gerechtigdheid tot het saldo daarvan,19 hetgeen voor het verhaal door de privéschuldeisers van ieder van de echtgenoten met zich meebrengt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat het gehele saldo toebehoort aan de echtgenoot die aansprakelijk is voor de schuld. Aldus kunnen (ook) privéschuldeisers van de echtgenoten zich in beginsel op het gehele saldo van die en/of-rekening verhalen, en is het vervolgens aan de echtgenoten om te stellen en bewijzen dat dit saldo, en welk deel daarvan, tot de huwelijksgemeenschap behoort en daarmee slechts voor de helft uitwinbaar is.