Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/I.1
I.1 Het onderwerp en de aanleiding
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242898:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 2:129/239 lid 1 BW en art. 2:140/250 lid 2 BW.
Zie OECD Corporate Governance Factbook 2019, p. 135.
Boschma e.a. 2018, p. 45.
Boschma e.a. 2018, p. 56; en Calkoen, Ondernemingsrecht 2014/4.
In 2017 kende slechts 0,00049% van het totale aantal NV’s en BV’s een monistische bestuursstructuur, zie Boschma e.a. 2018, p. 45.
Zie ook Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 3-4 (MvT); en Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 13 (NV).
‘Einde dubbelfunctie Munsterman bij FC Twente’, de Volkskrant 21 oktober 2014.
Zie de jaarrekening van de Stichting FC Twente ’65 over het seizoen 2017-2018 (raadpleegbaar via www.fctwente.nl/club/nieuws/publicatie-jaarrekening-seizoen-2017-2018). FC Twente eindigde in het seizoen 2014-2015 op de tiende plaats in de Eredivisie, de slechtste eindklassering van de club sinds het seizoen 2002-2003.
Rapport Knüppe 2016, p. 12.
‘FC Twente benoemt nieuwe bestuurders’, de Volkskrant 28 april 2016.
Van den Ingh, TvOB 2005, afl. 4, p. 121.
Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen, Stb. 2011, 275. De inwerkingtreding op 1 januari 2013 volgt uit het Besluit van 4 oktober 2012, gepubliceerd in Stb. 2012, 455.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 3-4 (MvT); Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 13 (NV); en Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 2 (MvA).
Idem Boschma e.a. 2018, p. 99 en 102.
Nederlandse vennootschappen kennen van oudsher een dualistische bestuursstructuur. Kenmerkend voor die structuur is dat bestuur en toezicht zijn gescheiden. Het bestuur bestuurt de vennootschap, terwijl de raad van commissarissen toezicht houdt.1 Het dualistische bestuursmodel is internationaal gezien niet leidend. In het merendeel van de landen worden bestuur en toezicht ingericht volgens het monistische bestuursmodel.2 In dit bestuursmodel spelen bestuur en toezicht zich af in één orgaan, het bestuur. In zo’n one tier board nemen bestuurders plaats met een verschillende taak. Deze bestuurders worden – als vertaling van de Anglo-Amerikaanse termen executives en non-executives – de uitvoerende bestuurders en niet-uitvoerende bestuurders genoemd.
Hoewel het dualistische bestuursmodel nog altijd met stip op één staat, wint het monistische bestuursmodel aan populariteit in Nederland.3 Vooral vennootschappen met een internationaal karakter weten het uit de Anglo-Amerikaanse landen overgewaaide bestuursmodel te vinden.4 Maar echt storm loopt het nog altijd niet.5 Een van de redenen is dat in de praktijk onduidelijkheid heerst over de toepassing van het monistische bestuursmodel.6 Ik geef een voorbeeld ter illustratie.
In 2015 stapte FC Twente ’65 BV op advies van een externe deskundige over van het dualistische bestuursmodel naar het monistische bestuursmodel.7 Het ging FC Twente destijds in financieel noch sportief opzicht voor de wind.8 In januari 2016 startte Ben Knüppe in opdracht van de licentiecommissie van de KNVB een onderzoek naar de misstanden bij de voetbalclub. Hij legde zijn bevindingen vast in het Rapport Knüppe. Een van de aanbevelingen luidde als volgt: “Het bestuur van de Stichting FC Twente ’65 moet als aandeelhoudster de statuten van FCT [FC Twente ’65 BV, NK] wijzigen naar een bestuursmodel met een professionele, sterke directie die het gezicht naar buiten vormt, onder toezicht van een RvC op voldoende afstand.” Waarom? “Zo ontstaat duidelijkheid over ieders functie en verantwoordelijkheden”, aldus Knüppe.9 Teneinde haar licentie te behouden, volgde FC Twente ’65 BV de aanbeveling op en keerde zij terug naar het dualistische bestuursmodel.10
De in de praktijk bestaande onduidelijkheid treft met name de figuur van de niet-uitvoerende bestuurder. Over de uitvoerende bestuurder rijzen nauwelijks vragen. Hij fungeert als de ons bekende ‘klassieke’ bestuurder. De niet-uitvoerende bestuurder is daarentegen een vreemde eend in de bijt. Hij is bestuurder en toezichthouder tegelijkertijd. En dat roept de nodige vragen op. Reeds in 2005 schreef Van den Ingh dat hier een ‘mooi terrein’ voor Nijmeegs onderzoek braak ligt.11 Ik heb deze handschoen opgepakt.
De aanleiding voor dit onderzoek is de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht op 1 januari 2013.12 Sindsdien heeft de niet-uitvoerende bestuurder een wettelijke basis in Boek 2 BW. Art. 2:129a/239a lid 1 BW bepaalt: “Bij de statuten kan worden bepaald dat de bestuurstaken worden verdeeld over één of meer niet uitvoerende bestuurders en één of meer uitvoerende bestuurders.”
Met de Wet bestuur en toezicht beoogde de wetgever onder meer de rechtszekerheid te vergroten. Volgens de minister stond de in de literatuur en de praktijk bestaande onzekerheid over onder meer de inrichting van het monistische bestuursmodel, de verenigbaarheid van een vergaande taakverdeling met de wet en de gevolgen van een taakverdeling voor het beginsel van collegiale bestuursverantwoordelijkheid aan een veelvuldig gebruik van het monistische bestuursmodel in de weg.13
De rechtszekerheid is door de wettelijke regeling weliswaar vergroot, maar volledig weggenomen is de onzekerheid niet.14 Want met welke taken en bevoegdheden is de niet-uitvoerende bestuurder nu precies belast? Kan hij eigenlijk wel toezicht houden op het bestuur waar hij zelf deel van uitmaakt? En hoe groot is het aansprakelijkheidsrisico dat de niet-uitvoerende bestuurder loopt? Is dat vergelijkbaar met het risico dat een commissaris loopt? Of loopt hij een groter risico?
Aangezien de niet-uitvoerende bestuurder een relatief nieuwe figuur is, zijn nog veel van deze vragen tot op heden onbeantwoord gebleven. Dit betekent dat Boek 2 BW een rechtsfiguur kent waarvan slechts de contouren zichtbaar zijn.